Historisch theater in een Zeeuws-Vlaams vestingstadje.

Zoals toen in IJzendijke, smaalt prins Maurits over de krijgskunst van de Spanjaarden. Historisch theater in een Zeeuws-Vlaams vestingstadje.

Ooit bezat Artis een exemplaar, maar de in 1918 gestorven loopvogel kasuaris is tot nu toe niet vervangen. Toneelschrijver Nirav Christophe zag er een in levenden lijve in de dierentuin van Ibiza, en een opgezette toen het Rijksmuseum een tentoonstelling over prins Maurits organiseerde. Christophe vernoemde zijn toneelstuk naar de loopvogel die wat hoogte betreft niet voor een struisvogel onderdoet.

Hoewel geen mythische vogel moet de kasuaris gloeiende kolen en kogels kunnen verorberen. Hij torst een hoornen helm op de kop om zich zo een weg door het oerwoud te banen. Christophe: ,,Het mannetje broedt de eieren uit. In de broedtijd zijn ze zo agressief dat ze met één klauw een mens kunnen doden.''

Bijgenaamd 'de ijzervreter' hield prins Maurits van paarden, maar vooral ook van vogels. Hij liet zich vergezellen door een kasuaris, die hij waarschijnlijk van VOC-kooplui cadeau had gekregen. Christophe ziet in Maurits' lievelingsmascotte een spiegel van de prins zelf: ,,Maurits was heel wat agressiever dan we dachten, hij was ook innerlijk geharnast.''

Aanvankelijk was Nirav Christophe niet van plan een toneelstuk over Maurits en zijn mentor Oldenbarnevelt voor het Zeeland Nazomerfestival te schrijven. Liever verhaalde hij dramatisch over de passages uit Homerus' 'Odyssee' die zich ooit in Zeeland en daaromtrent moeten hebben afgespeeld. Locatietheater met Dishoek als Hades en Zierikzee als de contreien van Circe. Goed plan, vond het Nazomerfestival, alleen: niet nu.

Het tussen Waterlandkerkje en Biervliet gesitueerde ZeeuwsVlaamse IJzendijke had de festivalleiding gevraagd of er niet iets theatraals kon verschijnen over het feit dat Maurits vierhonderd jaar geleden IJzendijke en ommelanden ontzette en de Spanjaarden terug naar het zuiden verjoeg.

Als 'fervent republikein' zat Christophe daar niet op te wachten. En al helemaal niet op een fanatieke godsdiensttwist. Maar toen hij over Oldenbarnevelt en Maurits begon te lezen (Van Deursens biografie 'Maurits van Nassau - De winnaar die faalde') ontdekte hij dat religie voor de 'raspoliticus' Oldenbarnevelt en de 'rasgeneraal' Maurits van geen of althans van ondergeschikt belang was.

Christophe: ,,Ze gebruikten wel argumenten van de remonstranten en van de contraremonstranten, maar de kern was: ruzie om geld. Samengevat stelde de raadsman Oldenbarnevelt: we moeten wachten met vechten, we hebben het geld en de soldaten niet. Maurits wilde niet anders dan vechten: die Spanjaarden moeten tot de laatste man worden verdelgd; zie maar dat het geld ervoor komt. Doet Oldenbarnevelt dat niet, dan beschouw ik hem als landverrader.''

Oldenbarnevelt dacht wijdvertakter dan de vooral door militaire strategieën bezeten Maurits. Oldenbarnevelt redeneerde in de geest van Thomas More's 'Utopia': ook al winnen we de oorlog, hoe moet het dan daarna? Hoe houden we de verenigde provincies bij elkaar? Hoe gaan de verslagen Spanjaarden met geknakte trots leven?

Het verbaast Christophe waarom Maurits nog steeds als held wordt beschouwd. ,,De Brit Fletcher schildert in zijn toneelstuk Oldenbarnevelt nota bene als grootste misdadiger aller tijden af. Bij Vondel is dat precies andersom. Het is vreemd: alsof de kwestie-Maurits-Oldenbarnevelt om de twintig jaar herontdekt moet worden. Maurits was een kundig krijgsheer, maar hij voerde wel een sublieme staatsman naar het schavot. Na die op Willem de Zwijger de tweede politieke moord in Nederland.''

Om niet in historisch gekrakeel ten onder te gaan (hij moest immers een toneelstuk, en geen documentaire of biografie samenstellen) zocht Christophe naar theatrale en dramaturgische intriges. Als aanvang van 'De oranje kasuaris' lopen de toeschouwers vanaf de markt van

IJzendijke (waar het standbeeld van de gekraagde Maurits staat) naar het geruimde kerkhof van de Nederlands-Hervormde kerk. Oldenbarnevelt is onthoofd, de tocht naar het kerkhof is de processie voor Maurits' eigen begrafenis, begeleid door commentaarstem van Oranjeverslaggever Joop van Zijl.

Met uitzicht op de kerk (die vijf jaar na de belegering in 1609 als de eerste protestantse kerk van Zeeland verrees) volgt het publiek hoe Maurits zijn aan de pest gestorven bastaardzoontje, zijn waanzinnig gemaakt/geworden moeder Anna van Saksen en uiteindelijk Oldenbarnevelt ontmoet. Mogen zij de Hof van Eden binnen? En zoja: wie met wie? Bijbels gezien dient een mens niet alleen in z'n eentje te leven, maar evenmin alleen te sterven.

Vervolgens scherpte Chris tophe de vader-zoonkwestie: mentor Oldenbarnevelt was als een vader voor zijn pupil Maurits. Maurits had in Willem van Oranje wel een vader, maar die was er zelden of nooit. Op zijn beurt bekommerde Maurits zich amper om zijn eigen zoontje Maurits. Zelf heeft dramaschrijver Christophe ook weet van 'afwezige vaders', en besloot uiteindelijk het stuk te schrijven. Al vroeg hij zich meteen af of IJzendijke op zijn vader-zoon-invalshoek zat te wachten.

Eerder schreef hij voor het Nazomerfestival niet de Schelde-opera maar de scheldopera 'Kabaal' (in de kerker onder Michiel de Ruyters standbeeld op de boulevard van Vlissingen) over de tomeloze ruzies tussen de bevelhebbers Tromp en De Ruyter. Prompt ontbrandden er vragen in de gemeenteraad van Vlissingen: 'Een scheldopera? Als er wordt gescholden, weigeren we subsidie!' Christophe vindt het nog steeds elegant en doortastend van de Zeeuwse festivalleiding om de eis van boze raadsleden het libretto vantevoren te lezen, niet te honoreren.

De theatrale Maurits is steeds bezorgd of hij wel zuiver Nederlands spreekt. ,,Ik word hier op de arm genomen. Of is dat een germanisme?'' Christophe: ,,Maurits werd door een oom in Duitsland opgevoed. Bij terugkeer in Nederland was hij onzeker of hij door z'n spraak wel voor Nederlander werd aangezien.''

Als Oldenbarnevelts uren geteld zijn, voert Christophe de spanningsboog tussen 'genade' en 'gratie' op de spits. Oldenbarnevelt verrekt het om gratie te vragen, aangezien hij dan schuld zou bekennen. Maurits laat zich uiterst egocentrisch kennen: ,,Ik laat je berechten omdat ik je niet nodig heb. Jij bent uitverkoren door mij, gewoon omdat ik je niet meer nodig heb.''

Waarop Oldenbarnevelt superieur: ,,Als ik het bestand ben, bent u het beleg. U bent uw eigen belegering geworden. Grijnig zuur en onverduldig.''

Slechts spaarzaam hanteerde de toneelschrijver zeventiende-eeuwse taal: ,,Ik hou van dergelijke woorden, die gedateerd en desalniettemin volstrekt duidelijk zijn.''

De enige anekdote over het Beleg van IJzendijke die hij kon vinden, moest allicht ook in het toneelstuk weerklinken. Heel IJzendijke -uit te spreken als: Iezendieke- zal een kreet van herkenning slaken als Maurits uitvalt: ,,Die Spanjaarden kunnen wel praten maar niet vechten. Ze hebben geld maar nog geen leger. Nog geen organisatie. Die kunnen kanongebulder niet eens van onweer onderscheiden. Zoals toen in IJzendijke.''

Maurits' troepen hadden de vijand al uit IJzendijke verjaagd, maar wachtend op een herovering gingen de Spaanse soldaten buiten de stadswallen simpelweg met belegeren door.

Toen een onweer over het eilandrijke en ongetwijfeld mistige Zeeuws-Vlaanderen rolde, meenden de Spanjaarden dat Maurits met een definitieve uitval was begonnen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden