Historici glunderen: De kapersbuit komt online!

Nederlandse koopvaardijschepen vielen in de zeventiende en achttiende eeuw regelmatig in handen van Britse kapers. Die hebben gelukkig alles wat ze buitmaakten zorgvuldig bewaard. Een schat aan documenten in duizend dozen.

In de winter van 1780 kwam er een bijzonder gezelschap in herberg de Fountain Tavern in de Engelse havenstad Plymouth-Dock. Het gezelschap moet bekijks hebben gehad. Vertegenwoordigers van het hof van de Britse marine kwamen er aanzetten met een paar bemanningsleden van het Nederlandse schip De Keyser Josephus. 

Die mannen werden aan een stevig verhoor onderworpen. Bootsman Daniël Engel, een arbeidsmigrant uit het Poolse Danzig (nu Gdansk) die werkte op dit Nederlandse schip, was een van de zeelieden die een vragenlijst van meer dan dertig vragen met de Engelsen moest doornemen. ‘Wie ben je?’, ‘Waar kom je vandaan?’, ‘Welke goederen waren er aan boord van het schip?’

De Keyser Josephus was een paar maanden voordien uit Curaçao vertrokken, richting Rotterdam. Maar daar zou het schip nooit aankomen. Daniël Engel, 28 jaar, moest tijdens het verhoor vertellen dat het schip op 29 januari werd gekaapt door het Engelse schip Defiance, waarna het de haven van Plymouth werd binnengebracht. De kostbare lading bestond onder meer uit 190 pakken tabak, 518 stukken rood verfhout, 38 balen cacao, 877 balen koffie en 46 pakken thee. De antwoorden van Engel werden genoteerd door een klerk, die het verslag als bewijsvoering opstuurde naar het gerechtshof in Londen, samen met andere papieren die aan boord van De Keyser Josephus te vinden waren.

Economische oorlogsvoering

Het verhoor van Engel geeft een uniek inkijkje in de kaapvaart, een lucratieve vorm van economische oorlogsvoering waaraan menig Europees land zich schuldig maakte. Overigens is kaapvaart geen piraterij. Kapers werden gelegitimeerd door een kapersbrief van hun vorst, die permissie gaf om schepen van vijanden buit te maken. In Nederland kennen we Michiel de Ruyter als zo’n dief met bevoegdheid. Voordat de lading van het schip geveild mocht worden, werd juridisch vastgelegd dat de kaping rechtmatig was geweest. Historicus Jelle van Lottum, senior onderzoeker bij geschiedkundig onderzoeksinstituut Huygens ING, bouwde een database van zo’n 15.000 verhoren die hiervoor werden afgenomen.

“Die verhoren zijn allemaal kleine biografietjes van zeelieden”, zegt Van Lottum. Er bestaan volgens hem geen andere bronnen waarin zoveel persoonlijke details staan over de tienduizenden internationale zeelieden die destijds op Nederlandse schepen werkten. Van Lottum gebruikt ze om levenslopen en carrières in kaart te brengen.

Nog niet eerder werden de verslagen van kapingsverhoren zo uitvoerig bestudeerd. En dat geldt voor vele andere documenten in de verzameling zogenoemde prize papers, waarvan de verhoren deel uitmaken. Nu een nieuw deel van deze archiefschat de komende maanden online beschikbaar komt, kan daar zomaar verandering in komen.

Tekeningen, lapjes stof

De ogen van menig historicus glinsteren bij het horen over de prize papers. Het gaat om de kapersdocumenten die verscholen liggen in de Britse The National Archives in een buitenwijk van Londen. Tussen 1652 en 1815 confisqueerden Britse kaapvaarders alles wat ze maar konden vinden op veroverde schepen. Ze veilden de lading, maar bewaarden de rest: van persoonlijke brieven tot handelspapieren, tekeningen, lapjes stof, dagboeken en persoonlijke bezittingen van de zeelieden.

Deze buitgemaakte spullen geven niet alleen een beeld van de Nederlandse scheepvaart en handel in de zeventiende en achttiende eeuw, maar ook van het leven van kooplieden en zeelieden en hun thuisfront. De omvang van het archief is enorm. Ongeveer een kwart van de collectie is afkomstig van Nederlandse schepen. Die ligt opgeslagen in zo’n duizend dozen. Rond 1980 stuitte een Nederlandse historicus voor het eerst op deze collectie, daarna is er mondjesmaat meer aandacht voor gekomen.

“Niet eerder werden zulke bijzondere bronnen in zulke hoeveelheden uit zo’n lange, aaneengesloten en belangrijke periode uit de Nederlandse geschiedenis aangetroffen”, vertelt Erik van der Doe, coördinator van Metamorfoze, dat zich inzet voor het behoud van papieren erfgoed en ondergebracht is bij de Koninklijke Bibliotheek. Van der Doe kent de prize papers goed, hij is een van de samenstellers van de vijf ‘Sailing Letter Journaals’, die tussen 2008 en 2013 verschenen. In deze boeken werden opmerkelijke documenten uit de collectie uitgelicht. Gelukkig zijn de transcripties van de brieven voorzien van een toelichting, want voor de leek zijn oud-Nederlandse hanenpoten maar moeilijk te ontcijferen.

Duur en tijdrovend

In 2007 maakte Van der Doe met een klein team een begin met het digitaliseren van zo’n zeven dozen documenten van Nederlandse schepen, bij wijze van proef. “Alle duizend dozen digitaliseren bleek een brug te ver”, zegt hij. “Het zou te duur en tijdrovend zijn.”

Huygens ING kiest bij zijn digitalisering voor een dwarsdoorsnede uit de collectie: 125 dozen, in totaal zo’n 144.000 pagina’s tekst. Die digitalisering was een monsterklus, zegt Van der Doe. Hij vertelt hoe broos de papieren zijn. “Om de documenten te behouden voor verval mogen er zo min mogelijk mensenhanden aan zitten.” Medewerkers van The National Archives hebben de papieren een voor een opengevouwen, waar nodig gerestaureerd en stuk voor stuk ingescand.

In Duitsland is vorig jaar een nog grotere exercitie begonnen. Wetenschappers van de Universiteit van Oldenburg zullen samen met Britse historici de volledige collectie prize papers online beschikbaar maken.

Het gaat om materiaal van zo’n 35.000 gekaapte schepen. Het resultaat laat nog even op zich wachten, de Duitsers denken er de komende twintig jaar mee bezig te zijn. Wie al eerder een duik in de documenten wil nemen, moet het met de Nederlandse scans doen. “Maar alleen daarin ligt nog zoveel onbekend materiaal”, aldus Van der Doe.

Globalisering

Jelle van Lottum is een van de gelukkige historici die nog tijd met de originele prize papers kon doorbrengen. Hij deed aan de Engelse universiteiten van Cambridge, Oxford en Birmingham onderzoek naar de internationale maritieme arbeidsmarkt tussen 1650 en 1815, waarvoor hij de prize papers gebruikte.

Nu is hij terug in Nederland, waar hij de muren van zijn werkkamer heeft volgeplakt met foto’s van brieven en documenten uit de buitgemaakte collectie. Zijn onderzoek richt zich onder meer op het buitenlandse personeel van de Nederlandse koopvaardijschepen.

“Mensen zeggen wel eens dat onze wereld zo geglobaliseerd is, maar deze vroegmoderne maatschappij kende een piek in internationalisering.” Hij laat een lijst zien van de bemanning van een Amsterdams schip: de kapitein komt uit Kopenhagen, de kok uit Franeker, de bottelier uit Wilnis, de matrozen uit Boston, Groningen, Mallorca en Bremen. Een schip met zo’n 70 procent buitenlanders aan boord was geen uitzondering, aldus Van Lottum.

Het beeld van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden als smeltkroes van culturen is niet nieuw. Maar historici richtten zich tot nu toe vooral op de migratie van vluchtelingen en rijke elites die in Nederland terechtkwamen, zoals de Hugenoten. Van Lottums onderzoek laat zien dat gewone Europeanen ook makkelijk werk vonden in het buitenland, met name in de scheepvaart.

Een voorbeeld daarvan is het verhaal van Daniël Engel, het bemanningslid van De Keyser Josephus die in de Engelse pub verhoord werd. Van Lottum kwam zijn naam niet alleen in de prize papers tegen, maar ook meerdere malen in VOC-archieven.

Engel was nog maar een tiener toen hij vanuit Danzig in Nederland terechtkwam. Met dertien jaar oud mocht hij in 1766 mee aan boord van het VOC-schip de Vrouwe Anthoinetta Koenrardina dat naar Batavia (Jakarta) voer. Hij werd hooploper, de benaming voor een ongeoefende matroos, die eenvoudige taken aan boord moest uitvoeren. Hij klom op tot bootsmansmaat en hij zou zelfs bootsman worden, wat betekent dat hij de leiding over de matrozen kreeg. “De sociale mobiliteit van arbeidsmigranten was dus hoog”, concludeert Van Lottum.

Genealogen

Beeld rv

Van Lottum onderzocht of arbeidsmigratie bijdroeg aan economische groei in het vroegmoderne Nederland. En ja, dat is het geval, zegt hij. “Nederland trok goede zeelieden aan en mede daardoor hadden Nederlandse schepen minder personeel nodig om hetzelfde schip van A naar B te krijgen.”

Zo werd het varen goedkoper en kon Nederland voor concurrerende prijzen handeldrijven, bijvoorbeeld op de Oostzee. “Je kunt de zeventiende en achttiende eeuw niet direct vergelijken met de maatschappij van nu”, zegt Van Lottum, “maar dit onderzoek laat wel zien: arbeidsmigratie is onlosmakelijk verbonden met economische groei.”

De komende tijd hoopt Van Lottum nog meer te weten te komen over de carrières van internationale scheepslieden zoals Daniël Engel. Maar hij kijkt ook uit naar onderzoekers uit andere disciplines die gebruik zullen maken van de prize papers, nu die binnenkort online toegankelijk worden. Ook zullen amateur-historici en genealogen het digitale archief induiken, is zijn verwachting. “Deze bron geeft ten slotte een prachtig inkijkje in de levens van onze voorouders in de zeventiende en de achttiende eeuw.”

Op de website van Huygens ING wordt binnenkort de link naar het archief van de prize papers bekendgemaakt.

Het ontbrekende archief

De prize papers bevatten veel materiaal dat verwijst naar de Nederlandse slavenhandel. Zo is er een brief gevonden van een Surinaamse vrouw uit 1795, geschreven aan haar voormalig meester Engelbertus Kelderman. De vrouw, Wilhelmina, heeft zichzelf vrijgekocht en roept de hulp in van Kelderman om haar zoon ook zijn vrijheid te geven. Een bijzonder document, omdat er weinig bronnen zijn waarin tot slaaf gemaakten zelf aan het woord komen. Verder liggen er in Londen talloze brieven van slavenhandelaren en plantagehouders.

Tot zijn verbazing vond onderzoeker Erik van der Doe tussen de prize papers ook archieven van Nederlandse forten in West-Afrika waar slavenhandel werd gedreven. In 1803 werd dit archief vanuit het fort van Elmina in Ghana meegegeven met verschillende schepen die alle in handen vielen van Engelse kapers. In dertien dozen is de volledige administratie van de forten tussen 1793-1803 te vinden.

De documenten geven de dagelijkse gang van zaken op deze forten weer. Er zijn gedetailleerde lijsten van slaven die verhandeld werden tot aan personeelslijsten, soldijboeken van militairen die er werkten, en zelfs een afrekening van de onkosten voor een nieuwjaarsmaaltijd.

De brief van Barbara

‘Nu, mijn allerliefste echtgenoot, wil ik je met liefde laten weten dat ik, je allerliefste vrouw, bij Gods genade leef en dat ik graag hetzelfde nieuws van jou zou willen ontvangen.’

Op 11 november 1664 laat de Noorse migrante Barbara Pitris deze hartstochtelijke woorden optekenen in een brief aan haar echtgenoot Magnus Andresen. Zelf kon ze niet schrijven, maar in haar woonplaats Amsterdam liet ze de brief opstellen, waarschijnlijk door een landgenoot. Haar man werkte als matroos op het schip Het Geloof, dat deel uitmaakte van de vloot van Michiel de Ruyter. Diens schepen verbleven op dat moment in de buurt van het Spaanse Cádiz. Barbara Pitris schrijft haar man dat de kinderen ziek zijn geweest van de pest, maar dat ze het hebben overleefd. Een vriendin is wel aan de ziekte bezweken. ‘Maar nu is de ziekte aan het verdwijnen, God zij geloofd.’ Ze sluit af met: ‘God brenge je geluk zodat we elkaar snel en in goede gezondheid zullen zien.’

Magnus Andresen zou de woorden van zijn vrouw nooit onder ogen krijgen. De brief ging mee op een schip dat post zou afleveren bij zijn vloot, maar ook dat schip werd onderweg gekaapt. Historicus Jelle van Lottum was niet op zoek naar persoonlijke poststukken in de prize papers, maar hij raakte toch in de ban deze niet-bezorgde brief. “Ik deed onderzoek naar arbeidsmigratie in vroegmodern Nederland, en deze brief gaf een gezin van arbeidsmigranten ineens een gezicht.”

Met een Noorse collega besloot hij verder onderzoek te doen naar Barbara en Magnus. Ze kwamen er onder meer achter dat de Noorse zeeman veilig terugkeerde van zijn reis. Barbara en hij hadden vier kinderen. 

Lees ook: 

Waarom speculatie in Nederland windhandel heet en in Frankrijk niet vente de vent

Drie eeuwen na de eerste grote Nederlandse aandelencrisis dook historica Inger Leemans in het taalgebruik van die tijd. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden