Hiphoppen bij het ballet

Is kunst een speeltje voor de elite? En wie is dan die elite? Trouw zoekt naar de scheidslijnen tussen elitaire en populaire kunst. Van ’So you think you can dance’ naar Het Nationale Ballet.

Is dans elitair? Volgens Samuel Wuersten, artistiek directeur van het Holland Dance Festival en van de Hogeschool voor de Kunsten CODARTS, per definitie niet. „Dans is een van de oervormen van de menselijke expressie en sluit niemand uit.”

Dat dans in de theaters zich soms wel elitair voordoet, heeft volgens hem met toegankelijkheid te maken. „Ik zie af en toe voorstellingen waarvan ik zelfs als kenner denk: wat moet ik hiermee?

„Dansmakers zijn altijd bezig grenzen te verleggen. Het werk van een topchoreograaf als Jirí Kylián verandert door de jaren heen. Dat is logisch. De behoefte om verder te zoeken is inherent aan elke kunstvorm.”

Maar een choreograaf moet zich volgens Wuersten wel achter de oren krabben als het publiek hem niet meer kan of wil volgen. In de Nederlandse dans is de balans op een gegeven moment te veel doorgeslagen, vindt hij. „Er kwam enorme aandacht voor het stimuleren van vernieuwing. Experiment werd de maat. Wilde je ’geijkt’ werk brengen? Kreeg je geen subsidie. Gelukkig is er, zeker in het nieuwe kunstenplan, een mentaliteitsverandering opgetreden, met een betere verdeling en meer diversiteit als gevolg.”

Als artistiek leider/choreograaf van urban dance-gezelschap Don’t Hit Mama maakt Nita Liem zich al tien jaar hard voor sociale (hiphop)dans. In haar ogen is de dans door de komst van nieuwe Nederlanders en de opkomst van straat- en jeugdcultuur in een andere maatschappelijke context komen te staan.

Liem: „Dans is niet meer per se topdown gericht, zoals op een dansacademie of in een theater, waar je een uur naar iets moet gaan zitten kijken. Je leert de nieuwste stapjes via Youtube of van je vrienden op straat. Veel urban dansers hebben geen behoefte om de planken op te gaan. Ze dansen liever in een club. Er zijn onder invloed van de massa- en sociale media veel dansinvloeden bijgekomen, die in alle subculturen een rol spelen. Tegelijk is er minder sprake van één ’exclusieve’ theaterdans.”

De danssector probeert op die ontwikkeling in te spelen. Zo bracht Het Nationale Ballet (HNB) in samenwerking met Don’t Hit Mama in 2006 en 2009 eigentijdse versies van de balletklassieker ’Zwanenmeer’. Klassieke dansers gingen de confrontatie aan met streetdancers uit de Amsterdamse Bijlmermeer.

Een van de hiphopdansers, Remy Tilburg, werd daarop gevraagd om een hiphoprol in de het ballet ’Coppelia’ te dansen. Tilburg: „Voordat ik bij Don’t Hit Mama terechtkwam danste ik gewoon op straat. Het idee om naar dans in een theater te kijken kwam niet bij me op.”

Een paar jaar eerder was zijn bijdrage aan ’Coppelia’ niet mogelijk geweest, denkt hij. „Dan zou een klassieke danser een hiphopper hebben uitgebeeld. De grenzen worden vager, er ontstaat interactie tussen oude en nieuwe danswerelden.”

Tilburg werd, nota bene door een klassieke danser van Het Nationale Ballet, geattendeerd op de audities voor ’So You Think You Can Dance’ (SYTYCD), een populair televisieprogramma waarin getalenteerde dansers het tegen elkaar opnemen. Tilburg schopte het tot de kwartfinale. „In SYTYCD worden ook verschillende stijlen samengebracht, van hiphop, latin tot moderne dans. Dat heeft mijn hiphoptaal verrijkt. Maar SYTYCD ging om de wedstrijd, terwijl theater voor mij een uitnodiging is om de wereld anders te bezien. Dat is een groot pluspunt.”

Dat miljoenen mensen Tilburg op tv hebben zien dansen, en nog geen fractie van dat publiek in het theater komt, vindt Nita Liem niet erg. „Dergelijke programma’s hadden nooit zo populair kunnen worden als de Nederlandse dans dit talent niet eerst had gefaciliteerd.”

Daarom vindt Liem het te rechtvaardigen dat er gesubsidieerde danskunst wordt gemaakt voor een kleine groep bezoekers. „Ook als daar maar één of twee belangrijke makers uit voortkomen, moeten we die als humuslaag koesteren. Het is jammer dat de populariteit van een kunstvorm wordt gerelateerd aan vluchtige programma’s als SYTYCSD of gelikte dansshows van vrije producenten, kijkcijfers en bezoekersaantallen. Theater kan dat ijltempo nooit bijhouden. Theater vereist vertraging.”

Dat laat onverlet dat de sector beter zijn best zal moeten doen om, zoals Het Nationale Ballet, het contact met de diverse publieksgroepen op gang te brengen. Maar dat het vergroten van het draagvlak tijd kost, is evident, aldus festivaldirecteur Samuel Wuersten. Zijn Holland Dance stelt zich mede ten doel de amateurdanssector aan de professionele dansbeoefening te binden. „De amateurdans floreert in Nederland, maar er gaapt een diepe kloof tussen zelf beoefenen en naar het theater gaan. Om die kloof te dichten kun je er niet één campagne tegenaan gooien. Het is opbouwwerk.”

De grootste fout van de dans is volgens Wuersten dat er in economisch gunstige tijden een groot aanbod is gecreëerd, terwijl er nooit goed is nagedacht over de ontwikkeling van het publiek. „Je moet daarin investeren, in plaats van in te krimpen, zoals de kaarten nu in Den Haag worden geschud.”

Het publiek is er volgens Wuersten best wel, maar de uitstraling van de sector moet veranderen om het tot meer dansbezoek te verleiden. „Er valt te winnen op het gebied van marketing. In Londen komen de affiches in grote letters op je af. Je weet precies over welke voorstelling het gaat en wie eraan meedoet. Vormgeving moet in Nederland nog te veel ’kunst’ zijn, er is geen dragende boodschap dat het om een leuke voorstelling gaat.”

Ook ziet Wuersten heil in een betere spreiding en artistieke samenwerking: „De danssector stemt onvoldoende op elkaar af en vist daardoor in elkaars vijver. Het Holland Dance Festival vond altijd plaats in november, een maand waarin de hele danswereld in première gaat. Je komt er nauwelijks tussen. Nu verhuizen we naar februari, dan gebeurt er bijna niets aan dans.”

De sector is in beweging. Toch blijft het diffuus wat de Nederlandse dans moet doen om als vrolijke, open, toegankelijke club te worden ervaren. Dans blijft een moeilijk product voor programmeurs in het land, merkt Liem. Wuersten ervaart dat het nog steeds als dappere daad wordt gezien als een sponsor ertoe besluit zijn festival te ondersteunen in plaats van het Concertgebouworkest. „De dans heeft een sterkere lobby nodig”, vindt Wuersten. „In tijden van veel geschreeuw, moeten we harder gillen hoe goed we zijn.” Dat is nou juist de crux, zegt Liem. „De danser is van nature bescheiden. In de eerste paar jaar dat ik met Remy Tilburg werkte, heeft hij hooguit drie woorden uit zichzelf gezegd. Als je danser bent, wil je je lijf laten spreken.”

(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden