Hilárisch!

Literatuur en lol, dat ging nooit samen in Nederland. Anders dan in Engeland (Shakespeare!) durfden wij de literaire grap pas ná de ontzuiling een beetje aan - met Gerard Reve als eenzame emancipator. De bevrijding zette pas goed in met Ronald Giphart en Arnon Grunberg; sindsdien heeft een bepaalde vorm van humor: de grol, de slapstick, de ’hilarische’ scène zich als een epidemie over onze letteren verspreid.

In zijn onvolprezen middeleeuwse literatuurgeschiedenis ’Stemmen op schrift’ vergelijkt Frits van Oostrom het dertiende-eeuwse Walewein-verhaal met het twintigste-eeuwse Monthy Pythons Flying Circus. Een rake observatie, maar de vergelijking zelf treft nog meer: kennelijk is het cabaret intussen salonfühig geworden in de letteren.

Dat is wel eens anders geweest. Humor was in de Nederlandse cultuur langdurig een zaak van grollen en grappen, van burlesken over pies en poep en seks, van ’lagere’ literatuur.

Een klassieke basis voor humoristische literatuur ontbreekt inderdaad grotendeels. Hoe men in de Oudheid precies over de rol van humor in de literatuur dacht weten we niet precies. Het eerste deel van Plato’s ’Poetica’, over de komedie, is immers verloren gegaan - een gegeven waarvan Umberto Eco trouwens briljant gebruikt maakte in ’In de naam van de Roos’.

In Engeland, waar het begrip ’humor’ in de hedendaagse betekenis vandaan komt, heeft ’zotheid’ niettemin sinds mensenheugenis deel uitgemaakt van de hogere literatuur, bij de zestiende-eeuwer Shakespeare, de achttiende-eeuwer Lawrence Sterne tot in onze tijd Nick Hornby toe. In onze streken daarentegen bleven cabareteske uitingen tot in de negentiende eeuw veelal beperkt tot drinkliederen en kluchtboeken. ,,Waar rook is is vuur, zei Tijl Uilenspiegel toen er net een paard scheet. Daar kon hij mooi zijn pijp mee aansteken, meende hij.’’ Maar leut bij Vondel of bij Hooft, vergeet het maar.

In onze schilderkunst is het minder verheven gesteld. Schilders als Pieter Breughel (Pier den Drol) en Jan Steen, die zichzelf als een soort dronken Silenus uitbeeldde, met een ronde kop, een bolle buik en een gitaar, behoren tot het puikje van de Nederlandse schilderkunst. Maar in de letteren gloorde pas in de romantiek, met Nicolaas Beets in de rol van Hildebrand, het licht van de scherts.

Die negentiende-eeuwse literaire humor was voornamelijk een kwestie van stijl, van ironische distantie, van het bijvoorbeeld tot melig wordens toe herhalen van een frase: ,,He ja, zei Mietje met de kalfsogen’’. Niet de scènes zijn hilarisch maar de wijze waarop ze worden beschreven.

De twintigste eeuw ruimt aanvankelijk maar weinig plek in voor humoristische literatuur. Vóór de Tweede Wereldoorlog hebben we dan wel Henriëtte van Eyk, ’een onzer beste humoristische schrijvers’ lees ik in de school-literatuurgeschiedenis van Lodewick, maar karakteristiek genoeg wordt er haastig aan toegevoegd ’mits men daarbij niet vergeet, dat er achter haar humor vaak een felle maatschappij-kritiek schuilgaat.’ Als om aan te geven dat humor alleen niet volstaat. Van Eyks humor is er karakteristiek genoeg een met een knipoog naar de hogere kringen: ,,Ik heet Wentinck, Therèse, Beatrix Wentinck (met ck!) en ben geèn familie van de Wentinks (zonder c) uit Haarlem, die niets anders zijn dan rijkgeworden bloembollenhandelaars’’. Wat je tegenwoordig oubollig zou noemen.

Pas na de oorlog, en misschien moet je zeggen na de grote ontzuiling in de jaren zestig met het verdwijnen van de traditionele bolwerken en sociale standen, komt humoristische literatuur in Nederland werkelijk tot leven. Je moet dan natuurlijk aan Annie M.G. Schmidt, Godfried Bomans en Simon Carmiggelt denken, maar de grote emancipator is toch Gerard Reve geweest, die Nederland rijp maakte voor de literaire ironie, voor de stijlwisselingen tussen hoge en lage registers.

Het opmerkelijke is dat Reve’s humor niet langer de studentikoze, en dus in feite hogere aard van Beets en Van Eyk bezit maar graag in de lagere regionen van de cultuur vertoeft; het gaat bij hem om dronkenschap, om poep en pies en seks, net als in de Middeleeuwen. Zo lijkt het vooral een massale heiligschennis van de goede smaak en een opschuiven richting de guy next door, al zal het in de praktijk vooral de geëmancipeerde burgerlezer zijn die geniet van de knipoog naar zijn boertige voorvaders. Neem dit veelgeciteerde gedichtje uit ’Nader tot u’:

Het ware geloof

Als de kardinaal een scheet gelaten heeft, zeggen ze:

’Sjonge jonge, wat ruikt het hier lekker,

net of iemand lever met uien staat te bakken.’

Dat soort katholieken, daar ben ik niet dol op.

Niet zonder reden noemde Reve zich provocerend ’volksschrijver’.

Het cabaret maakte in die naoorlogse dagen met Wim Kan, Wim Sonneveld en Toon Hermans, buiten de literatuur om, al grote opgang. Reve nam op geheel eigen wijze elementen uit de theatrale showhumor over in de Grote Gerard Reve Show, een spektakel voor de liefhebbers van ’camp’, doelbewuste kitsch. Literatuur en televisie-entertainment omarmen elkaar voor het eerst.

Toch staat Reve aanvankelijk wat eenzaam aan het front van de vermakelijke literatuur. Andere schrijvers in de jaren zeventig beoefenen toch vooral een meer melancholieke variant, Remco Campert, Heere Heeresma, Maarten Biesheuvel, Frans Pointl, Levi Weemoedt, ze moeten het nog steeds voornamelijk van hun stijl hebben. De doorbraak van de klapsigaar, de dijenkletser en de slapstick blijft voorlopig uit.

Pas de afgelopen tien, vijftien jaar zijn onder invloed van de media, cabaretiers en sitcoms, cabaret en kolder op volle sterkte de Nederlandse literatuur binnengetrokken. Uitgeverij De Bezige Bij/Thomas Rap stuurde een dezer dagen een flyer rond met ’de leukste boeken van de Boekenweek’: Youp van ’t Hek, Kees van Kooten, Remco Campert, Herman Finkers, Jules Deelder, Gerrit Komrij: drie van hen professioneel cabaretier.

Literatuur schaamt zich intussen niet meer voor grappenmakerij en hilariteit; het grensverkeer tussen letteren en cabaret is enorm.

In de poëzie bevrijdde Komrij met zijn bloemlezing ’1000 en enige gedichten’ de Nederlandse dichtkunst van haar ernstige kantjes met het accent ’meer op de satire, de maskerade, de afstandelijkheid dan op de dodelijke ernst, de eenduidigheid en het volle leven.’ En in het proza wordt sinds de jaren negentig het een na het andere hilarische debuut gelanceerd.

Ronald Giphart in Nederland (die aan het eind van de vorige eeuw met Joost Zwagerman langs Nederlandse theaters toerde), en Herman Brusselmans in de Vlaamse dependance geven met hun succesnummers de richting aan, en in hun slipstream volgt inmiddels een groot aantal andere schrijvers: Michael Bulnes, Onno te Rijdt, Herman Koch, Hans Hogenkamp, Cindy Hoetmer en zojuist nog (regelrecht uit de theaterwereld overgevlogen) Sieger Sloot en Bert Klunder. Hun specialisme is de klucht.

Het (onaffe) boek van de vorig jaar overleden Bert Klunder bijvoorbeeld heet ’Een lijk kan heus wel even wachten’ en wordt aangeprezen als ’hilarische debuutroman’. In de slotregels van Sieger Sloots ’Stand-in’, over een man die op literaire festivals voor allerlei schrijvers invalt, eindigt met het volgende literaire ideaalbeeld: ,,Het enige wat ik nog zal doen, is mijn broek omlaagtrekken, tot dertig tellen, en dan mijn broek weer omhoogtrekken.’’

Smakeloosheid, voor vorige generaties nog een literaire hoofdzonde, is inmiddels tot smaak verheven. Neem het debuut van humoristisch voorman Ronald Giphart uit 1993, Giph, met observaties als: ,,En dan kots je zoveel dat op een gegeven moment je poep er ook uit komt. En daar doe ik het allemaal voor!’’. Wat je er ook van kunt zeggen, niet dat de letteren hun schone schijn nog proberen op te houden. Het debunken van hoge literatuur is een veelbeoefend tijdverdrijf geworden

Een van de nieuwe grootmeesters van het hilarische moment in de literatuur is Arnon Grunberg. Het is zelfs zo’n prominent kenmerk van zijn romans dat men zijn pseudoniem Marek van der Jagt ermee ontmaskerde. In 1998 schreef hij een essay ’De troost van de slapstick’ en die troost past hij veelvuldig toe in zijn boeken. Als volgt in Marek van der Jagts ’De geschiedenis van mijn kaalheid’: terwijl Marek zijn familie tijdens een diner over zijn ’handicap’ probeert in te lichten, valt Mareks broer flauw en weigeren alle tafelgenoten hem op te rapen, zijn moeder is naarstig op zoek naar een aansteker terwijl de andere broer en pa Van der Jagt geforceerd een gesprek proberen te voeren. Iedereen schreeuwt om aandacht en niemand krijgt het. Zo bevolkt het huishouden van Jan Steen inmiddels ook de gewaardeerde literatuur.

Nog een mop. In ’De Joodse messias’ zitten Sharon en Arafat te dobbelen over het aantal slachtoffers dat ze elkaar dagelijks zullen toestaan. Grunbergs satirische inslag heeft vaak de cynische ondertoon van zwarte humor maar dat neemt niet weg dat zijn voorbeelden duidelijk zichtbaar blijven: Charlie Chaplin, Buster Keaton en Laurel & Hardy.

Hoe groot de hedendaagse kracht van de slapstick wel is, blijkt verder uit het feit dat deze vorm van humor inmiddels zelfs de allochtone Nederlandse literatuur, nog maar net opgebloeid, al heeft bereikt. Voorbeeld is ’Het Schnitzelparadijs’ van Khalid Boudou dat zich afspeelt in een multiculturele restaurantkeuken, waar een dronken kok heerst over een zootje elkaar wantrouwende hulpjes. Het werd niet alleen als boek maar ook als film een kassucces. Veel humoristische momenten in hedendaagse romans lijken overigens niet alleen bedoeld om te vermaken maar ook om de burger te schokken met illusieloosheid en decorumverlies. Niets is meer heilig, zoals blijkt uit de volgende euthanasiescène in het op een na best verkochte boek uit 2006, ’Komt een vrouw bij de dokter’ van Kluun:

,,’Wil jij even aan de kant gaan?’ vraagt hij en kruipt aan de andere kant van Carmen op het waterbed, de spuit in zijn ene hand en met zijn volle lichaamsgewicht steunend op de andere. Ik vind het een levensgevaarlijke stunt en weet niet of ik angstig moet kijken of de slappe lach moet krijgen. Als hij zo meteen zijn evenwicht verliest, valt hij in de euthanasiespuit. Soort van: wie een spuit maakt voor een ander valt er zelf in. Zit ik hier zo meteen met een dooie dokter en een bijna-dood lichaam van Carmen. Leg dat maar eens uit aan de politie.’’

Zelfs een (tragische) dood weerhoudt schrijvers van nu niet van een Lof der Zotheid. Wat dat betreft is het motto van deze Boekenweek misschien wel het meest treffende van de afgelopen jaren. Lachen!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden