Hij weigert het beter te weten dan Jezus

In de serie Rite du Cinema schrijft Willem Jan Otten maandelijks een essay over films die een leven veranderen. Vandaag: Il vangelo secondo Matteo (1964). "Als u weet dat ik een ongelovige ben", zei regisseur Pasolini, "dan kent u mij beter dan ik mijzelf." De film is maandag in Amsterdam te zien.

Met 'Het evangelie volgens Matteüs' heeft filmregisseur Pier Paolo Pasolini een schitterend raadsel opgegeven. Iedereen - zelfs het Vaticaan - was het er na de première in 1964 over eens: geen film had ooit zo overtuigend het leven, lijden en de opstanding van Jezus weergegeven. Wat de fresco's van Fra Angelico waren voor de vroege renaissance, Bachs 'Matthäeus Passion' voor de achttiende eeuw, zou deze film voor de era van de cinematografie zijn: de vertolking van waar het in de christelijke religie om draait. En toch stak de maker het niet onder stoelen of banken: hij was een atheïst, en een verklaard marxist.

Was religie voor hem ineens geen opium voor het volk meer?

Je kunt je geen eenvoudiger, directer film voorstellen dan deze. Een man met een schokkend misvormd gezicht loopt op de camera af. Jezus loopt hem tegemoet. Je ziet nog een keer het melaatse gezicht. Jezus maakt een gebaar, raakt de man zegenend aan. Schnitt. In plaats van het mismaakte gezicht zien we een glimlachend hoofd.

Het is niet ironisch bedoeld, en ook niet als sprookje. Het is precies wat het is: een wonder.

En zo is, een half uur eerder, de film ook begonnen, in opperste eenvoud. Er zal een kind geboren worden en de vader is de verwekker niet - dat vertellen de eerste shots. Schnitt. We zien een beeldschone engel die zegt dat de man zijn verloofde moet geloven: als dat de vader God is. Schnitt: de man loopt op zijn zwangere vrouw af, we beseffen dat hij bij haar terugkeert, voor haar kiest.

Geen commentaar, geen ironische voice-over, geen Monty Pythonse kleinkunst.

Aan handenwringen doet ook de schrijver van het evangelie, dat Pasolini getrouw en zonder poespas filmt, niet. Dat is het onverslijtbaar aantrekkelijke aan Matteüs, en aan de vier evangeliën in het algemeen. Het gaat over personen, altijd maar over personen, handelende, onaanzienlijke personen, maar nooit over psychologie. Een man die, in het tijdperk van de steniging van overspeligen, de vrouw van wie hij weet dat zij van een ander zwanger is dan van hem, toch aanvaardt en huwt, is een wonder. De evangelist verdiept zich niet in de zieleroerselen die tot Jozefs grootmoedigheid hebben geleid. Hij weet dat vergevingsgezindheid ten diepste onverklaarbaar is. Een rivier die stroomopwaarts begint te stromen. Matteüs gebruikt zelf in deze episode van zijn evangelie het woord waar het hier om gaat niet - maar het is een kernbegrip van het christelijk wereldbeeld geworden: 'genade'.

Het goede is een wonder, want al het andere is het vanzelfsprekende, gebruikelijke, of zo men wil: evolutionair gewettigde.

Kennelijk wil Pasolini liever vertellen dat Jozef op deze onverklaarbare wijze door zijn eigen keel kan springen, dan dat God niet bestaat. En op geen enkele wijze trekt de film de latere aanspraak van Jezus - dat hij Gods zoon is, dat hij de wil van zijn vader doet - in twijfel. Integendeel, met een gretig geduld, en zonder een spoor van commentaar, filmt Pasolini de gezichten van eenieder die door Jezus geraakt wordt - dat wil zeggen: overtuigd.

Nooit verheft hij zich boven de mensen die hij filmt. Pasolini weigert het beter te weten.

Welbeschouwd is de film een catalogus van blikwisselingen met het Goede: Maria Magdalena als zij met dure olie Jezus inwrijft, de melaatse die wordt aangeraakt, Johannes de Doper die op het moment dat hij begrijpt dat Jezus de Verwachte is: steeds zien we voor onze ogen het geloof ontstaan, opwellen uit een gezicht. En steeds gaat het om ongeveer hetzelfde als in de openingssequentie, toen Maria opkeek naar Jozef in het besef dat hij bij haar zou blijven. Haar onmerkbare glimlachje, dat telkens wanneer je de film herziet, je de sensatie kan geven dat je, man van zestig inmiddels toch, weet hoe het voelt om even een kind in je te voelen opspringen.

Natuurlijk zijn er in de film legio personages die heel anders naar Jezus kijken - de overpriesters die hem wantrouwen omdat hij de Wet lijkt te ridiculiseren (en daarmee hun macht ondermijnt), de nogal intellectuele man die in de woestijn als duivel optreedt en Jezus iets aantrekkelijkers en vooral: profijtelijkers voorstelt dan Zoon van God te worden, de apostel Judas op het moment dat Hij door Maria Magdalena met olie wordt verwend - al deze figuren kijken ongelovig naar Jezus, ze laten zich geen oor aannaaien. Ook hen filmt Pasolini gretig, of beter: je merkt aan alles dat hij met diabolisch plezier de casting heeft gedaan, en uit zijn vriendenkring 'de' Farizeeër, 'de' Pontius Pilatus, en 'de' Judas heeft gekozen. Want zo'n film is het: low budget, de meeste figuren worden gespeeld door dorpelingen uit een plaatsje in Zuid-Italië en door kennissen. Vergelijk het met de Passiespelen van Tegelen. Jezus is een 19-jarige architectuurstudent die Pasolini enkele weken voor de eerste opname tegen het lijf liep. Maria is tijdens de Kruisgang Pasolini's eigen moeder. Maria van Bethanië de bevriende schrijfster Natalia Ginzburg.

Aan ongeloof besteedt Pasolini zeker zoveel meters film als aan het hechten van geloof. Hoogtepunt in dit opzicht is de scène van Johannes de Doper die vanuit de gevangenis (waar hij wacht op zijn executie) de vertwijfelde vraag aan Jezus laat stellen, of hij wel de ware Messias is. De eerste die Jezus als zodanig erkende, is, als het net zich om Hem sluit, ook de eerste om hem te betwijfelen. Kan Jezus niet een duidelijk teken van zijn goddelijkheid geven? Bestaat er niet zoiets als zekerheid, nu dan, eindelijk, na zoveel strijd en ellende?

Dat teken zal Jezus niet geven - alles wat hij te bieden heeft, is zijn einde, waarvan hij beseft dat het ophanden is. Hij laat Johannes antwoorden dat zijn werken voor hem spreken, 'Gelukkig is hij die geen aanstoot aan mij neemt'.

De atheïst Pasolini begrijpt Johannes hier als geen ander, zoals hij later Petrus met grote deernis filmt, tijdens en na diens loochening. 'Gij zult niet oordelen', dat Jezus-devies volgt Pasolini op wel zeer on-marxistische wijze op. Werkelijk, hij weigert het beter te weten dan de mensen die hij met zijn camera volgt.

Steeds indringender worden intussen de close-ups van Jezus, alsof Pasolini van zijn stille, rustige gezicht wil aflezen hoe het is om steeds ongeloofwaardiger te zijn, steeds moeilijker te volgen. Niet overtuigend zijn, het is ook voor een kunstenaar de afgrond: Pasolini filmt ook hier iets dat hij kent en vreest. Het groeiend isolement van Jezus wordt geduldig, stap voor stap, opgeroepen. Altijd maar omgeven door mensen heeft een mens niet eenzamer kunnen zijn. En hij begrijpt het: hij is een mens als iedereen, hij weet tot op het bot hoe ongeloofwaardig hij is. Dat is de grond van 'Vergeef ze, Heer, ze weten niet wat ze doen'.

Pasolini wil er niets van weten, van het idee dat het ware geloof iets is dat iemand eens en voor al 'verwerft', en dat dan aan hem kleeft als een zekerheid die hem kwalitatief anders maakt dan een ongelovige. Dat wordt steeds weer opnieuw verteld in de film, meteen al met Jozef: of het werkelijk waar is dat God Maria heeft bezwangerd, is minder belangrijk dan dat hij, na de interventie van de engel, kan geloven wat Maria gelooft. En nog belangrijker is de moeilijke, tegendraadse moed die van hem gevergd zal blijven worden.

W.H. Auden heeft een gedicht geschreven waarin hij Jozef aan God laat vragen of hij geen zekerheid kan krijgen over de goddelijke oorsprong van het kind. Dat zou het allemaal zoveel makkelijker maken. Die zekerheid krijgt hij niet - hij moet het geloven.

Een 'Leven van Jezus' is een vertolking, één iemand denkt zich de fictie van de menswording in, dat wil zeggen: denkt zich de mensen in die er, met Jozefse moed, van overtuigd raken dat de wonderlijke jonge man die hen met gelijkenissen, zaligsprekingen, bergredes, gebeden en wonderwerken in de ban houdt, de Mensenzoon is.

Ze zien dat hij voor niets anders lijkt te leven dan voor hen, zonder zich aan één van hen uit te leveren, ze maken mee dat hij gedurende lange tijd blijft zeggen dat het goede wat hij doet geheim moet blijven; dat hij nooit zelf zegt wie hij is, maar het de anderen het laat zeggen; dat hij door elk beetje geloof dat aan hem gehecht wordt groeit, terwijl elke groeischeut hem zichtbaarder maakt voor de mensen die hem vrezen en haten...

En natuurlijk is de opstandige, schijnheiligheid bestrijdende filmmaker ten slotte gefascineerd door de onvoorwaardelijke, revolutionaire, schijnbaar suïcidale keer die Jezus' leven neemt - als hij besluit om met open ogen zijn gewelddadige einde tegemoet te lopen - als een zelfgekozen einde. Wetend dat hij niet alleen vervolgd zal worden door zijn beschuldigers, maar ook: dat hij niet begrepen zal worden door zijn volgelingen, en zelfs verraden, in de steek gelaten en geloochend. De Mensenzoon - als hij dat is, dan betekent dat iets radicaal anders dan zelfs zijn intiemste volgelingen menen - die altijd ergens hopen dat 'Zoon van God' zijn moet inhouden: gespaard worden, bijtijds gered, 'zegevieren'...

Rond de première van de film werd Pasolini het raadsel waar dit stuk mee begint voorgelegd: hoe kan een ongelovige zo'n getrouwe Jezusvertelling neerzetten, met wonderen en opstanding en al?

Pasolini's antwoord is klassiek geworden, en vertolkt ook een halve eeuw later de religieuze positie van velen: "Als u weet dat ik een ongelovige ben, dan kent u mij beter dan ik mijzelf. Het kan zijn dat ik een ongelovige ben, maar ik ben een ongelovige die naar geloof verlangt."

In de Engelse weergave van het gesprek staat dat Pasolini 'nostalgie' heeft naar geloof - maar uit de film blijkt niet dat hij verlangt naar het geloof van weleer, naar de Noord-Italiaanse variant op het Rijke Roomsche leven.

De nostalgie geldt iets van een mythischer allure: Pasolini verlangt naar eenvoud, onschuld, directheid.

Hij kiest als locatie een dorp in het pre-industriële Zuid-Italië om dezelfde reden als waarom Matteüs het leven van een tollenaar heeft verwisseld voor dat in het kielzog van Jezus: om eerlijker, vrijer, directer in het leven te kunnen staan.

Je voelt aan alles dat de ontmoeting van Jezus met de Rijke Jongeling, voor wie het zo vreselijk moeilijk is om te geloven omdat hij door zijn materiële welstand wordt dwarsgezeten, Pasolini's lievelingsgelijkenis is. Met onmiskenbare tederheid wordt de afdruipende jongen de film uit gekeken.

Het gaat in deze film werkelijk om iets anders dan naïveteit of vroomheid. Pasolini wil niet terug naar een vanzelfsprekend gewoonte-christendom. Er is niets vanzelfsprekend aan zijn Jezusfiguur - die, naarmate zijn onherroepelijke einde dichterbij komt, steeds meer het naïeve, 'zegevierende' geloof in hem de bodem in slaat.

Wat een vreemde religie, gesticht op de executie van een totaal mislukkende, onbegrepen God. Ik denk dat geloofsverlangende atheïst Pasolini dat heeft willen vertellen: dat het geloof in Christus een ongeloof is.

De film is een weefsel van point of views, van blikken die met Jezus gewisseld worden, steeds kijken we met iemand mee, om te beginnen met Jozef, even later met de Wijzen uit het Oosten, nog weer later met Johannes de Doper.

Maar ook als dit principe van de bemiddelde blik (tijdelijk) wordt losgelaten, weet je dat de hele film als het ware door de ogen van Matteüs wordt gezien. Je zou kunnen zeggen: Pasolini laat deze mythisch 'gewone', klasseloos geworden man voor hem geloven. Iemand die Pasolini niet kan zijn, een minder 'vervreemd' mens dan hij (om een sleutelwoord uit de jaren zestig te nemen), tovert het hele verhaal voor het geestesoog, op zoek naar de herinnering aan overtuigd rakende mensen - om, uiteindelijk, zichzelf als overtuigd te herinneren: dankzij de Kruisiging, de schuldbewuste rouw, en het zien van de Verrezene.

Ook die laat Pasolini zonder blikken of blozen zien. Eerst door de ogen van de oude Maria en Maria Magdalena, dat wil zeggen: ze kijken het lege graf in en zien Jezus niet. Wel weer de engel. Daarna zien we, door een kleine toegestroomde menigte, in de verte de omtrek van Jezus, die, als zo vaak, iets aan het vertellen is - een gelijkenis, een rede, een aanmoediging. Het is van de wonderen die we, op dezelfde laconieke wijze te zien hebben gekregen, het minst wonderlijke. Aanvaardbaarder, zou je zeggen, dan wat Jozef in de eerste minuut van de film heeft moeten geloven. De film eindigt met een close-up van de ongeschonden verrezene, 'weet wel, ik ben met jullie alle dagen tot aan de voleinding van de wereld'.

Pasolini heeft na de première overigens opgemerkt dat hij weliswaar de bewuste keuze had gemaakt om de film steeds 'door de ogen van een gelovige die hij zelf niet was' te filmen - maar dat toen hij de film eenmaal in zijn geheel zag, hij plotseling begreep 'dat ik hem door mijn eigen ogen had gezien'.

En, zoals dat gaat met het mirakelmedium film: de ogen van Matteüs die de ogen van Pasolini werden, kunnen de ogen van de toeschouwer worden - juist ook die van de skeptische, atheïstische. Tijdens zijn executie, nadat de camera om zo te zeggen zieltogend van boven, point of view gekruisigde, naar het desolate laatste groepje getrouwen staart - onder wie natuurlijk hartverscheurend Maria met wier glimlachje het twee uur eerder allemaal begonnen was - gaat het beeld op zwart, en horen we Jezus zich richten tot God, met woorden die eerder in het evangelie zijn gesproken: "U hoort het aldoor, maar U verstaat het niet. U ziet het aldoor, maar U merkt het niet op. Want het hart van dit volk is verstokt. Ze hebben hun oren dichtgestopt en hun ogen gesloten, om niet te zien met hun ogen en niet te horen met hun oren."

Daarna roept hij de woorden die alles wat we denken te weten van 'geloof' onderuit halen: waarom hebt U mij verlaten?

Wat Pasolini te weten komt van God, weet hij van de Zoon - zoals door hem geregisseerd en met zijn ongeëvenaarde, tedere camera gevolgd, en tot een vijfde evangelie gemonteerd. Aan een ieder die hem ziet stelt hij de ene vraag: die naar je geloof.

Willem Jan Otten is schrijver.

Te zien in de Balie:
26 maartIl vangelo secondo Matteo (1964, Pier Paolo Pasolini) Jezusverfilming van controversiële regisseur kreeg destijds lof van het Vaticaan; 23 aprilStand van de maan (2001, Leonard Retel Helmrich) Documentaire over een Indonesische familie; jongen bekeert zich tot islam; 28 meiBad Lieutenant (1992, Abel Ferrara) Rechercheur loopt vast in verkrachtingszaak; 25 juniStalker (1979, Andrej Tarkovski) Hoofdpersonen dolen door een hermetisch afgesloten zone. Mythische klassieker.

Rite du Cinema

10 films die een leven veranderen

Dichter en essayist Willem Jan Otten selecteert dit seizoen voor Trouw en het Amsterdamse debatcentrum De Balie 'tien films die een leven veranderen'. Eens per maand publiceert hij in Letter&Geest een essay over een film die de maandag erna te zien is in De Balie. Daar leidt Otten de film kort in; na afloop van de vertoning bespreekt hij de film met een gast.

Op 26 maart (20u) is de zevende aflevering: 'Il vangelo secondo Matteo'(1964), nabesproken met componiste Calliope Tsoupaki, wier oratorium 'Maria' op 4 april in het Muziekgebouw Amsterdam in première gaat.

De Balie, Kleine-Gartmanplantsoen 10, Amsterdam. Tel. 020-5535100. Entree normaal: €8. Trouwlezers: €6 op vertoon van deze bon. Bestelinformatie: www.trouw.nl/rite

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden