Hij weet niet wat een paus is!

(Bonifatius zingt een Gregoriaanse zang.) LE:

Vlug, geef me mijn hoed!

(Hij zingt.)

Mijn grote hoed!... O! Jij driedubbele ezel! Wil je mijn schedel verbrijzelen? Deze is van ijzer. Moet ik soms naar het slagveld? Deze niet! Je bent verkeerd. Mijn processie-hoed moet ik hebben! Zo is het goed.

(Hij zingt.)

Spiege-el...!

(Hij zingt.)

Handschoe-oenen!

(Hij zingt.)

Voorui-uit!...

(Hij zingt.)

De andere ook! Ik heb twee handen! Moet ik één hand laten afhakken?

(Hij zingt.)

Mijn mantel! Mijn grote mantel met al de edelstenen!

(Hij zingt.)

Wat is die zwaar! Hef hem op! Jullie zijn met vijven, verdomme! Hef hem op! Je laat hem over de grond slepen en dan wordt hij vuil! Leg hem zo op mijn schouders en hef hem allemaal samen op!

(Hij zingt.)

Moet ik alles zelf doen? Wat ben ik: een paus of een muilezel? Zeg het mij! Ik moet de hoed dragen, de mantel opheffen, zingen!... Hebben jullie geen zin om te zingen? Slecht geluimd? Zingen, jij! Laat eens horen. Jij de eerste stem. Zo!

(Hij zingt voor.)

Goed zo! Jij de tweede stem!

(idem)

Bravo. Heel goed... Jij de derde.

(idem)

Hoger. Hoger!... Je moet meteen in de hoogte beginnen, jij!

(Hij zingt.)

Hou ze vast! Houd die noot vast!

(Hij zingt.)

Je hebt geen oren aan je kop! Je bent een zonder-oor! Maar hoe wil je ooit priester worden, jij, als je de mis niet leert zingen? Neen, je hebt geen oren, jij! Niet zingen! Hou je koest en hef mijn mantel op. De anderen zingen!

(Hij zingt.)

Maar nu zingen jullie allemaal dezelfde stem!

(Hij zingt.)

O! Goed! In orde! Jullie houden ieder een punt van de mantel vast; en als we aan de allelujatiere komen, dan heffen jullie allemaal samen! Een flinke zwier... en je legt de mantel op mijn schouders. Als we aan de allelujatiere zijn...

(Hij lacht.)

Wat dat voor iets is, de allelujatiere? Dat wil priester worden en dat weet niet wat de allelujatiere is! De allelujatiere, dat is de portamento die je stem uitvoert tussen twee fiorituren in! Als je zo doet:

(Hij zingt.)

Dat is de allelujatiere!... En als we aan de allelujatiere komen, dan geven jullie allemaal samen een flinke zwier... Daar gaan we! En zingen!

(Hij zingt, maar de allelujatiere mislukt jammerlijk.)

Wie heeft er zijn lompe poten op mijn mantel gezet? Zonder-oor! Achteruit! Je zingt niet, je heft de mantel niet op, je hebt geen oren en dan sta je nog met je lompe poten... Pas op, jij! Ik hou je in de gaten! Pas op! Ik laat je tong uit je mond trekken, ik sla er een spijker doorheen en ik nagel je vast aan de grote kerkpoort! Net zoals ik gedaan heb met die broertjes in Florence! Vooruit! Vooruit! Doe die mantel open!

(Er wordt geklopt.)

Niet meer zingen nu! Opheffen! Allemaal samen!

(Hij zingt.)

Wat is paus zijn toch een rottig beroep!

(Hij zingt.)

Het kussen met de zegels en de ringen!

(Hij zingt en ademt intussen op de ringen.)

O! Wat schittert die! Je zou er blind van worden van die bliksemschichten!

(Hij zingt.)

Deze is veel te groot... Ha! Ik zie het al: dat is er een voor mijn duim!

(Hij zingt.)

De stok!

(Hij zingt.)

Neen! Niet die om mee te ranselen... De andere!... Ja, de staf met de grote krul! Ja, ja!

(Hij zingt.)

Vooruit! Daar gaan we dan! De mantel wijd-open en opheffen: we vertrekken.

(Hij zingt en hij valt.)

Zonder-oor! Waarom vertrek je als de anderen nog stilstaan? Heb je dat gezien? Je liet me vallen!

(Hij lacht.)

Vind je dat zo plezierig om een paus te zien vallen met zijn bakkes in het slijk? Met zijn grote hoed over het hoofd gedrukt tot aan zijn baard, zodat hij er bijna in stikt? Pas op, jij!

(Hij maakt met een beweging duidelijk dat hij hem als hij niet oppast, met zijn tong aan de kerkpoort zal vastnagelen.)

Vooruit! Achteruit met die mantel! En vlug wat! Wijd-open! Maak een beetje voort!... Waarom vertrek je zomaar? We doen maar alsof we vertrekken, snap je dat niet? We schommelen eerst! We doen een stap achteruit - MAAR we vertrekken niet - we doen een stap achteruit - en DAN vertrekken we. Ik ben een paus en geen stootkar!... Dus: vooruit - niet vertrekken... achteruit... en we vertrekken... Op de allelujatiere!

(Hij zingt.)

Pas op, jij!

(Hij zingt.)

Hou de mantel wijdopen!

(Zijn gevolg loopt weg.)

Waar lopen jullie allemaal heen, verdomme? Jullie laten mij hier staan voor Piet Snot in het midden van de straat! Wel, wel, een andere processie die de onze tegemoet komt? Wiens processie is dat? Jezus? Wie is dat, Jezus? Ha! Jezus Christus! Is dat soms familie van je? Kan je niet beleefd zijn? Hij heeft twee namen: Jezus - Christus! Als je hem alleen bij zijn voornaam noemt, raak ik er niet meer wijs uit!

Kijk me dat eens aan: wat ziet hij eruit! Hij loopt onder een kruis! O! Die arme duivel, ze hebben hem in het gelaat gespuwd. Hij zit vol bloed en al zijn kleren zijn gescheurd. Wat hebben ze hem op het hoofd geduwd? Een doornenkroon! O! Wat een wonden! Nu begrijp ik waarom ze hem 'arme Christus' noemen! Draag me vlug weg van hier, want ik kan zulke dingen niet aanzien. Daar word ik kotsmisselijk van. ... Wat? Is het beter dat ik hem tegemoet ga? Waarom? Ha, voor het oog van de mensen! Opdat ze zouden zeggen: 'Kijk, die twee kennen mekaar. Zie maar eens wat een goede vrienden het zijn!' Je hebt gelijk, je hebt gelijk! Kom, neem de grote mantel.

(Hij doet de mantel uit.)

Mijn hoed en mijn staf!

(idem)

Hier!... Neen, neen, neen, neen. Ik ga alleen... Laat me.

(Hij roept.)

Hello, Jezus! Hoe maak je het? Wat? Hoe maak... Wie ik ben? IK?

(Hij lacht.)

Hij weet niet wie ik ben. Hij heeft me niet herkend. Ik ben de paus... Bonifatius. Paus Bonifatius. Wat? De Paus! Paus Boni... Hij weet niet wat een paus is! Weet je het echt niet meer? Weet je niet meer dat je aan Petrus gezegd hebt: 'Vooraleer ik sterf, Petrus, zeg ik je dat, als de kerk een baas moet hebben, dat jij Petrus, dan die baas zal zijn. En na jou, Petrus, zullen allen die je opvolgen, net zoals jij, de naam van Paus dragen...' He? Heb je dat nooit gezegd? Dan moet er hier of daar een misverstand zijn!... Ja, ja, dit is het pauselijke kleed: goud, zilver en edelstenen. Wat dat voor stenen zijn? O!... wel, het is allemaal handwerk... Neen, neen! Het is niet van mij! Het is van een vriend, die heeft het mij geleend. Vlug, mijn ringen uit! Hij verdraagt geen blinkende dingen. Hij is vreselijk Gothisch, die kerel! Het is een zonderling. En mijn schoenen ook uit! En slijk, slij...! Geef me nog wat slijk om mijn gezicht in te smeren... Hij houdt alleen maar van sukkelaars die zo vuil zijn als Piet de Smeerpoets. Jezus, herken je me nu? Ben ik nu je zoon? En ik, op dit ogenblik, nu ik je zie, jij mijn vader en zoon van God, op de wereld gekomen om te lijden onder het kruis... Zeg Jezus, zou je niet eens luisteren? Ik spreek tegen jou! Een klein beetje beleefdheid kan geen kwaad, wel?... Luister: ik was net bezig te zeggen... Ik?... IK?... Heb ik de patertjes kwaad gedaan?... IK?... Heb ik dat gedaan? Heb ik hen gedood? Wie heeft je dat gezegd, Jezus? Dat deed IK niet! Zeg mij de namen van diegenen die jou zoiets gezegd hebben! Op mijn erewoord -het erewoord van Bonifatius- ik zal hen...

(Hij maakt met een gebaar duidelijk dat hij hen met hun tong aan de kerkpoort zal spijkeren. )

Dat was ik niet, Jezus! Ik heb nooit broedertjes gedood. Het zijn kwatongen die ons tegen mekaar in het harnas willen jagen... Als je eens wist wat ze mij allemaal over jou verteld hebben, mijn beste! Maar ik heb hen niet geloofd, Jezus! Dus, mag jij ook niet geloven dat ik... Jezus, kijk eens diep in mijn ogen. Ik, ik ben dol op broedertjes! Het is bijna een ondeugd!... Ga een broeder halen!... Als ik er een zie dan moet ik hem omhelzen!... Ga een broeder halen, zeg ik je! . . . Ik, als ik een broeder... Waar je een broeder moet vinden? Wel, in de gevangenis, natuurlijk!... Je hebt gelijk, Jezus, ik ben de slechtste kerel die er op de wereld rondloopt! Er bestaat geen vergiffenis voor mijn zonden.

(Er komt eindelijk een broeder. Bonifatius wil hem omhelzen.)

Bah! Stinken dat hij doet!... Jij die zo goed bent en die iedereen vergiffenis schenkt, de boeven en bandieten. De dieven, de moordenaars en de hoeren... waarom wil je mij geen vergiffenis schenken? Jezus, laat me bij je blijven, zodat de anderen ons samen zien. Zodat ze zien dat we vrienden zijn, broeders... en dat we heel veel van mekaar houden... Laat me je helpen dat kruis te dragen. Ik ben sterk, het zal me niets vermoeien...

Maak dat je wegkomt, Simon van Cyrene, of ik geef je een stamp tegen je kloten!... Ik ben sterk. Ik ben het gewoon zware dingen te dragen. Ik draag deze mantel!... Neen, alleen maar van hier tot daar!... Neen, duw me niet opzij, jaag me niet weg... Ai! Christus Godverdomme! Een stamp tegen je achterwerk... tegen het achterwerk van Bonifatius! Ben jij gek geworden?... De Paus tegen zijn achterwerk stampen? Als je vader dat moest weten, de arme man. Ongelukkige!... Kijk, je hebt net wat je verdient! Het doet me plezier!... En ik zal nog meer plezier hebben als je zult kreperen aan het kruis... als je je bloed zult uitspuwen... Als dat gebeurt, dan ga ik me een stuk in mijn kraag drinken! Dan ga ik naar de hoeren! Dan ga ik zingen, zingen... en dansen... en neuken!...

Ongelukkige, die geen respect heeft voor de Paus! Voor prins Bonifatius! Want ik ben een prins, IK! Geef mij mijn mantel. Bekijk die mantel! Die staf. Ongelukkige! Ezelskop! Ik ben de Paus! Bonifatius! Paus en prins! Zing, zing tot het einde der dagen.

(Hij zingt.)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden