Hij was een vallende engel Hij was een vallende engel

Zes jaar na dato maken Amerikaanse romans de balans op: hoe ging Amerika verder, na 9/11, de aanslag die een absolute smet op de geschiedenis wierp? En die destijds beantwoord werd met een golf van mondiale solidariteit. Ger Groot beluistert in de nieuwe romans van Don DeLillo en Ken Kalfus teleurstelling: wat een nieuw begin had kúnnen zijn, leidde alleen tot groter isolement van Amerika en tot binnenlandse verdeeldheid.

Don DeLillo: Vallende man. (Falling man) Vertaald door Anneke Bok en Rob van der Veer. Anthos/Manteau, Amsterdam, ISBN 9789041411921; 239 blz. euro 18,95. Deze vertaling ligt vanaf 18 september in de boekhandel.

Ken Kalfus: Een vreemdsoortig onheil. (A disorder peculiar to the country) Vertaald door Leen Van Den Broucke en Sil Timmerman. Meulenhoff, Amsterdam, ISBN 9789029078139; 253 blz., euro 19,90

De bloedstollendste beelden die de televisie op 11 september 2001 uitzond waren niet die van de instortende WTC-torens of de vliegtuigen die daarin verdwenen als een mes in de boter. Het waren de taferelen van de radelozen die uit de ramen sprongen en omlaag suisden, hun verplettering tegemoet. Zij zijn het symbool geworden van de tragedie van die dag.

Jonathan Safran Foer eindigde zijn roman ’Extreem luid & ongelooflijk dichtbij’ met een reeks foto’s van zo’n vallende man: misschien de vader van de kleine Oskar die het hele boek lang op zoek is naar sporen van hem. Don DeLillo heeft op het omslag van zijn binnenkort in vertaling verschijnende roman ’Vallende man’ dat beeld niet eens nodig. Een foto van de gevel van het WTC is genoeg om letterlijk een slachtoffer te zien vallen.

Toch slaat die titel niet allereerst op de te pletter gevallen doden. ’De vallende man’ is in zijn verhaal een performancekunstenaar die in de maanden na de aanslag op de Twin Towers op onverwachte momenten van hooggelegen plaatsen afspringt om halverwege aan touwen te blijven hangen. Wanneer hij tegen het eind van de roman overlijdt, zoekt Lianne Glenn, een van de twee hoofdpersonen, op internet zijn gegevens bij elkaar. Bij deze zonderlinge performances kon niemand om de herinnering aan de springende mensen van 11 september heen. Eén foto daarvan klikt ze aan. „Ondersteboven, vrije val, dacht ze, en die foto had een gat in haar hoofd en hart gebrand, goeie god, hij was een vallende engel en zijn schoonheid was ijzingwekkend.”

Een vallende engel of een vallende man - zo heel veel verschilt dat niet. Want ’Falling Man’, zoals de oorspronkelijke titel van DeLillo’s roman luidt, betekent óók ’de val van de mens’. Adam, Lucifer of zelfs Icarus belichamen het besef dat er aan het begin van de geschiedenis een smet op de mensheid gevallen is en deze daarna vruchteloos heeft geprobeerd om met die bezoedeling in het reine te komen.

Zo’n smet is ook de elfde september, die wel het begin van de 21ste eeuw en zelfs het nieuwe millennium genoemd is. Na die dag was alles anders, zo blijkt uit de (vooral Amerikaanse romans) die de betekenis ervan proberen te verwerken. De verschrikking van die dag reikt dieper dan de vraag naar daders en slachtoffers en is omgeven met hetzelfde taboe als de oerzonde of de vadermoord waarmee ooit de geschiedenis zou zijn begonnen. In Foers roman vindt Oskar de foto’s van wie misschien zijn vallende vader is pas na grote moeite op een Portugese site. DeLillo toont ze alleen maar indirect: via een suggestieve voorplaat en de nabootsingskunst van zijn ‘Vallende man’.

Voordat het zover is, moet DeLillo echter de gebeurtenissen van de elfde september zelf vertellen. Hij doet dat fragmentarisch, in de herinneringen van Keith Neudecker die met moeite aan de hel van de Twin Towers is ontsnapt. Verdwaasd loopt hij door de straten van Manhattan, met in zijn hand een aktentas die niet van hem is. Ten slotte vindt hij zichzelf terug voor de deur van Lianne, zijn vrouw, van wie hij sinds anderhalf jaar gescheiden leeft.

Hoe of waarom hij daar terecht is gekomen, wordt niet geheel duidelijk, zoals veel in ’Vallende man’ impliciet blijft. De scènes die DeLillo beschrijft lijken tamelijk lukraak gekozen uit de levens van Keith en Lianne; soms is nauwelijks duidelijk wie er precies aan het woord is en wie wat doet. Net als de dialogen waarin de zinnen zelden worden afgemaakt, gaat het leven zijn ongeregelde gang, terwijl tegelijkertijd niets nog is wat het daarvoor was.

Keith heeft de helft van zijn collega’s verloren. Lianne probeert haar leven zin te geven als leidster van een ouderengroep die door middel van wekelijkse schrijfsessies de Alzheimer op afstand tracht te houden. Nu keert het gesprek er steeds weer naar hetzelfde onderwerp terug: „Hoe had God dit kunnen laten gebeuren?” Hun zoontje Justin speurt met een verrekijker de hemel af op zoek naar vliegtuigen en een zekere ’Bill Lawton’: zijn verbastering van ‘Bin Laden’.

Maar Keith gaat niet meer bij Lianne weg – en dat niet alleen omdat zijn appartement minstens voorlopig onbewoonbaar is geworden. Ideaal wordt hun relatie niet meer, maar toch is 11 september voor hen een soort nulpunt geworden van waaruit het leven opnieuw vorm kan krijgen. Het is alsof alles even de adem inhoudt en ieder gedwongen is zich te bezinnen op de vraag wat er in het leven werkelijk toe doet. Op een veel idealistischer wijze beschreef Jay McInerney zo’n ommekeer al eerder in zijn roman ’Het goede leven’. Op de fatale dag laat hij de rijke zakenman Luke McGavock en de filmscenario-schrijfster Corrinne Calloway elkaar ontmoeten in de directe omgeving van Ground Zero en die ervaring doet hen besluiten hun leven voortaan te gaan wijden aan vrijwilligerswerk en goede doelen.

Zo rozig en optimistisch als ’Het goede leven’ is, zo cynisch lijkt in eerste instantie de onlangs in vertaling verschenen roman ’Een vreemdsoortig onheil’ van Ken Kalfus. Joyce en Marshall Harriman hebben op de ochtend van de rampdag allebei geheime redenen om te glimlachen. Marshall heeft zijn kantoor in een van de Twin Towers en Joyce heeft een ticket voor één van de vier rampvluchten van die dag, die in Pennsylvania neerstortte. Beiden halen opgelucht adem bij de dood van de ander, want hun scheidingsperikelen zijn op een dieptepunt aangeland.

Maar Joyce werd halverwege de rit naar het vliegveld naar kantoor teruggeroepen en Marshall is door oponthoud nét te laat in de torens aangekomen. Net als Keith loopt hij in het begin van het boek verdwaasd het gebouw uit waar hij net was binnengegaan. Beiden hebben hebben te vroeg gelachen en daarmee zet Kalfus de toon voor een wrange scheidingskomedie die, in de schaduw van de elfde september, steeds kluchtiger vormen aanneemt.

Aan het slot van het boek gebeurt er echter iets vreemds. Terwijl Kalfus zijn verhaal tot op dat moment naadloos laat sporen met de politieke gebeurtenissen in de echte wereld, begint zich tien bladzijden voor het einde een andere geschiedenis te ontvouwen.

In Irak wordt Saddam Hoessein na zijn arrestatie door een woedende menigte gelyncht. Terwijl honderden mannen, vrouwen en kinderen met schorre stem patriottische liedjes uit de tijd vóór Saddam zingen, en even later zelfs ’The Star-Spangled Banner’, wordt het land op slag een voorbeeldige democratie. Amerikaanse onderzoekers vinden inderdaad de gigantische hoeveelheden nucleaire wapens waarom de hele oorlog begonnen was. Overal in het Midden-Oosten ontvlamt het democratisch vuur, Osama bin Laden wordt gevonden en in New York wordt gevlagd en feestgevierd. Ook door Joyce en Marshall, door de menigte dicht tegen elkaar aangedrukt: „Ze vroeg zich af of zij en Marshall [met hun scheiding] niet een vreselijke fout hadden gemaakt.”

Zo had het moeten gaan: zowel op het persoonlijke als op het wereldtoneel, die in al deze romans direct in elkaars verlengde liggen. De oersmet van 11 september had gevolgd moeten worden door een verlossing die alsnog de aarde tot een paradijs zou hebben gemaakt. Maar zo ging het niet en zelden klonk de waarschuwing in het begin van Kalfus’ roman: „Dit boek is fictie – enige overeenkomst met de werkelijkheid berust op toeval” zo ironisch.

Tegen het einde van ’Vallende man’ loopt ook Lianne mee in een demonstratie: niet uit vreugde over de overwinning in Irak maar uit protest tegen de dreigende inval. De wereldsituatie is grimmig geworden en de VS heeft de bijna mateloze mondiale sympathie van de dagen na 11 september verspeeld. De Europese minnaar van haar inmiddels overleden moeder verzucht: „Amerika en Amerikanen komen ons de keel uit.’’

Zo is het nieuwe begin dat Amerika na de aanslag op het WTC gehoopt had te maken uitgedraaid op een desillusie die de smet van de oermisdaad niet heeft kunnen uitwissen. De VS, eerst het beklagenswaardige slachtoffer van een barbaarse daad, hebben aan een tweede zondeval, nu door hemzelf begaan, niet kunnen ontkomen. Het land had een wereld te winnen; het had de wereld gewonnen in de grootste golf van solidariteit waarin het zich sinds de Tweede Wereldoorlog heeft mogen verheugen. Maar in plaats van een centrum en focus te worden van mondiale solidariteit tegen het kwaad, koos het voor de Alleingang en het isolement, onder de noemer van patriottisme en een rechtvaardige strijd.

Dat was even begrijpelijk als onverstandig, want het creëerde er meer tegenstand mee dan het aan slagkracht won. Terwijl het in de wereld groeiende afkeer wekte om de hoogmoed die altijd al zijn zwakke punt geweest was, verviel de binnenlandse samenhorigheid snel tot de bitterste verdeeldheid die het in zijn recente geschiedenis had gekend. Ertoe geroepen om een thuishaven en paradijs te zijn voor ieder die zijn burger wilde zijn, sloot het zich op in zichzelf en sloot daarmee tallozen buiten.

Zo vergaat het Changez, de jonge Pakistaanse financieel analist uit de roman-monoloog ’De val van een fundamentalist’ van de Pakistaans-Engelse schrijver Mohsin Hamid. Changez maakt een glanzende carrière in de VS, totdat hij bij het zien van de beelden van 11 september plots een onvermoede rancune voelt opkomen. In de maanden daarna ziet hij zich sluipenderwijs uitgesloten uit de samenleving die zich sluit in zichzelf. Hij keert erom terug naar zijn eigen, islamitische traditie – zoals de kapers van 11 september op zoveel misdadiger wijze deden.

In ’Vallende man’ volgt ook DeLillo één van hen in zijn voorbereiding op de grote, zwarte dag, in een drietal aparte hoofdstukken, steeds aan het eind van elk van de drie delen van het boek.

Maar ook daar gebeurt aan het slot iets onverwachts. De kaper Hammad zit in het vliegtuig dat één van beide torens binnenvliegt. Hij is zich bewust van de vernietiging die het aanricht. En dan laat DeLillo ongemerkt het ’hij’ van Hammad overgaan in het ’hij’ van Keith, die uit zijn bureau probeert te vluchten. De één sterft en de ander overleeft, maar wie is ’hij’? Geen dader en slachtoffer inéén, die ieder idee van schuld zou uitwissen. Want schuld is er wel degelijk. Maar ze is niet meer zo gemakkelijk éénduidig aan te wijzen. Ze spreidt zich uit naar het hele drama van 11 september en de nasleep ervan.

Niet alleen daders, slachtoffers of zelfs de Verenigde Staten zijn op die dag ’gevallen’. De smet treft de hele mensheid, die zich plotseling schuldig ziet aan het onrecht van de wereld en en op die zondigheid zelfs daarna nog geen passend antwoord weet te geven. De pogingen tot een nieuw begin blijven steken in pathetiek, onbeholpenheid of simpele verblinding. Falling man is een failing (falende) mens. Hij zal verder moeten met de smet die die dag geworpen werd op het nieuwe tijdvak dat het opende. En met de nasleep ervan: dat is de verontrustende suggestie van deze roman.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden