Review

Hij gooide alles overboord en verdween

Vijftig jaar na Jack Kerouacs ’On the road’ (1957) is het stramien van de roadnovel nog geheel intact. Plot of psychologie bieden deze romans nauwelijks. En toch blijven ze populair. Waarom liften we eigenlijk zo graag mee met de Amerikaanse scharrelaars en halve criminelen die in dit genre met onbepaalde bestemming de weg op vluchten? Rob Schouten las drie recente varianten: ,,In het echt is Amerika veel burgerlijker.''

Het is dit jaar vijftig jaar geleden dat Jack Kerouacs klassieke roman ’On the Road’ verscheen, het ongestructureerde maar meeslepende reisverslag van een stel jonge kerels in een auto door Amerika, op zoek naar, ja naar wat eigenlijk?

Misschien heeft ’On the Road’ wel meer effect gehad op de reisbranche dan op de literatuur, want hoeveel reizigers zijn er sindsdien niet met een navenant gevoel door Amerika getrokken, dat merkwaardige land, dat evenzeer de nieuwe wereld van kapitalisme en technologie belichaamt als de oude wereld van de gewone man en zijn modale verlangens. Iets van een duizeling bevangt iedereen wel die er naartoe gaat, een raar, ongewis gevoel tussen eindeloze uitgestrektheid en kleinsteedse burgerlijkheid in.

Amerika is een mythe die nog steeds avonturiers en zoekers trekt. Sinds Kerouacs Beat-bijbel is dat niet heel anders geworden. Roadnovels van onze tijd verschillen per saldo weinig van ’On the Road’: ze hebben vaak een schamel plot, of misschien moet je zeggen: het reizen en aankomen op onbestemde plekken zelf is hun plot. Hoofdpersonen in deze boeken zoeken iets onbestemds en ervaren de wereld om zich heen als een avontuur, dat je eerder moet ondergaan dan filosofisch benoemen.

In ’Noem het middernacht’ reist zo een anonieme hoofdpersoon, die verdacht veel lijkt op de Vlaamse auteur Johan de Boose zelf, naar zijn vermeende Amerikaanse achterneef in New Mexico, bij wie hij zo te zien bijkomt van zijn academische verplichtingen als taalonderzoeker. Lemmus Lemmus, de Amerikaanse neef, is een hispanic die zich te midden van een zootje drop-outs en alcoholisten in een dorp vlakbij de Mexicaanse grens heeft gevestigd.

Een echt doortimmerd verhaal levert het bezoek niet op, veeleer geeft De Boose een soort levensbeschrijving van de ontsporende Lemmus in zijn negorij van zuipschuiten en hoerenlopers. De ingrediënten zijn die van de klassieke Amerikaanse roadnovel: ongeordend bestaan, low life, vriendschap. Met Lemmus loopt het overigens niet goed af, na een spoor van maatschappelijke verwoestingen komt eindelijk het hoge woord eruit: hij heeft aids, en hij kom nog vervelend aan z’n einde ook, vermoord in een ongure buurt.

Het toneel van dit boek wordt in beslag genomen door stacaravans en leeglopers. Het grote en officiële Amerika, dat van de politiek en van de War on Terror, speelt zich daarentegen ergens op de achtergrond van een tv-schermpje af. Ook dat herinnert aan ’On the Road’, waarin je de geest van Eisenhower slechts indirect ontwaart.

Het opmerkelijke aan De Boose’s roman is dat je over de verteller eigenlijk geen bliksem te weten komt, niet eens zijn nationaliteit. Het is alsof je meekijkt met iemand die met open mond en verbaasde blik die wonderlijke wereld van dromers en losers aangaapt en geen tijd heeft om over zichzelf na te denken. Dat geeft het perspectief eerlijk gezegd ook wel iets van een Europees provinciaaltje dat in het bizarre en superlatieve Amerika van Kerouac, Bukowski en Hunter Thompson een verwonderd kijkje komt nemen.

Voor psychologische verdieping ben je in dit soort boeken trouwens helemaal aan het verkeerde adres, Amerika lijkt er haast te kleurrijk en te meeslepend voor. Geen tijd voor bezinning.

Dat is ook het geval in de Amerikaanse verhalen van Geert van der Kolk, een Nederlandse schrijver die al jaren in Amerika woont. In ’De gekken van Tenakee’ beschrijft hij, onmiskenbaar geïnspireerd door de Amerikaanse godfather van het realistische verhaal Raymond Carver, alledaagse tafereeltjes, opgetekend in alle mogelijke Amerikaanse hoeken en gaten. Zo schildert hij het portretje van een wat moedeloze advertentieverkoopster die te veel drinkt, troont hij je mee naar een begrafenis waar een stel rouwenden de slappe lach krijgt, stuurt hij je naar een boksschool waarvan de eigenaar de losers eruit schopt, terug de kansloze maatschappij in.

Het titelverhaal ‘De gekken van Tenakee’ gaat over seizoenswerkers in Alaska, jongens met dromen die ze proberen waar te maken door een tijdlang te werken in de harde en smerige visindustrie. Het verhaal is, net als bij De Boose, een soort prosopografie van allerhande avonturiers. Ook hier weer nauwelijks een verhaallijn, geen literaire trucjes, geen psychologische kijk op de dingen. Ook een ontknoping zit er niet in. De beelden van al die kleurrijke zonderlingen moeten het werk doen, zoals in de slotregels: „Rond het gat met warm water sprong de idioot, die ’s morgens had geprobeerd om mij een hotdog te verkopen. Zijn lichaam had de kleur van reuzel. Hij had een rode plastic emmer die hij af en toe met water vulde en gierend van het lachen leegstortte over zijn hoofd. Hij liet zich ook in het water zakken heel langzaam, en begon plotseling wild te spartelen en te schreeuwen, alsof hij bang was dat hij in de diepte zou worden weggezogen. Zijn geschater en gegil werden vervormd en weerkaatst in het holle vertrek en het effect was onverdragelijk. Ik liep snel weer naar buiten en keek om me heen. Tenakee was dicht en donker. Er was een nauwelijks zichtbare spiegeling op het water. Verder was er niets. Ik hoorde alleen de dieselmotoren van de elektrische generator, die klonk als een gevaarlijk onregelmatige hartslag.’’ De Nieuwe Wereld als poëtisch spektakel.

Het meest in de traditie van meester Kerouac zelf schreef Willy Vlautin zijn roman ’Motelleven’. Misschien omdat hij geen verbaasde Belg of Nederlander is maar Amerikaan, landgenoot van zijn personages. De twee broers Frank en Jerry Lee slaan, nadat Jerry Lee met een dronken kop in Reno een puber heeft doodgereden, op de vlucht. Jerry Lee, die bij een eerder ongeluk een stuk been heeft verloren, komt maar niet over de dood van de jongen heen. Hij schiet zichzelf, bij wijze van halfwas zelfmoordpoging, in zijn beenstomp, krijgt gangreen en legt tenslotte in een anoniem ziekenhuis het loodje. Ook dit is een geschiedenis van kleine scharrelaars die maar in het wilde weg rondtrekken, op zoek naar nieuw leven.

Het beeld van Amerika dat uit ’Motelleven’ (maar ook uit ’Noem het middernacht’ en in mindere mate ’De gekken van Tenakee’) opstijgt, botst niet alleen frontaal met het gewenste imago van de godvrezende natie vol mensen die liever zien dat de snelheidslimiet 55 mijl blijft, maar ook met dat van de lillende dikkerds die dagelijks bij Dr. Phil zitten te snikken. Hier is de onderkant aan het woord, een onderkant die geen genezing zoekt. Zoals de vader van Frank en Jerry Lee, een kleine fraudeur en gokker die de gevangenis indraait. Of de moeder van Annie, Franks vriendin, die haar dochter de hoer laat spelen om van schuldeisers af te komen.

Het aardige van Vlautins verhaal is overigens dat hij van hoofdpersoon Frank een echte verhalenverteller heeft gemaakt, iemand die te pas en te onpas zijn omgeving de meest fantastische geschiedenissen opdist. Zo relativeert de schrijver, zonder literair trapezewerk, een beetje de gebeurtenissen die de broers zelf meemaken en daarmee allicht ook het genre van de roadnovel zelf. Ik heb het hier en daar wat aangedikt, lijkt hij te zeggen.

In zekere zin zijn roadnovels de Amerikaanse varianten op de smartlap. Het lot kan je meezitten en het kan zich tegen je keren. De slotregel van Vlautins ’Motelleven’ probeert de lezer zelfs nog een mooie levensles aan te smeren: „Ik hoopte. Want hopen, dat is beter dan helemaal niks.” Afijn, verder maar weer, denkt de lezer.

Waarom lezen wij eigenlijk deze hedendaagse mythen van voorspoed en tegenslag langs ’s Heren wegen? Omdat we vrijheid zoeken? Omdat ze bijdragen aan een realistisch beeld van de Amerikaanse maatschappij? Ik geloof er niks van. Amerika zit veel burgerlijker en middelmatiger in elkaar dan deze boeken ons wijsmaken met hun panorama’s van alcoholisten, kleine criminelen en maatschappelijke verliezers. Roadnovels vormen veeleer de pendant van societyromans, waarin onze hang naar een beter leven, ’I like to read about my betters’, wordt bevredigd. In roadnovels spiegelen we ons voor de verandering verlekkerd aan de onderkant, net zoals de gebroeders de Goncourt die in de negentiende eeuw de Parijse achterbuurten introkken, niet om de toestanden daar te verbeteren, maar om zich te vergapen aan het exotisch spektakel van hoeren en boeventuig dat ze in hun eigen salons niet aantroffen.

Misschien beschrijven roadnovels waargebeurde verhalen, maar dat is hun belangrijkste oogmerk niet. Ze bieden de lezer een avontuur aan zonder moraal en zonder uit- en aankomst. „He chucked up everything / And just cleared off” schreef de Engelse dichter Larkin, wel het tegendeel van de avonturier, want iemand die zijn eigen buurt nauwelijks uitkwam: „Hij gooide alles overboord, / verdween gewoon.” Over die oude maatschappelijke verdwijntruc gaan roadnovels en de lezer mag met de chauffeurs meeliften.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden