Hij gaat voor niets sterven

interview | We kunnen met 20 procent van de dierproeven toe, als we ze goed zouden uitvoeren, zegt hoogleraar proefdierkunde Merel Ritskes-Hoitinga. Ze geeft dierenactivisten een beetje gelijk.

Noem een hond een hondje, of liever nog een trouwe viervoeter. Bedenk een paar goede leuzen, zoals: 'De Hartstichting jaagt honden de dood in'. En maak het karwei af met een mediagenieke demonstratie op de stoep van de Centrale Proefdieren Voorziening van de Universiteit Maastricht, waar een onderzoek gepland staat naar pacemakers. Daarin zullen 39 labradors sneuvelen, tíjdens het onderzoek als hun hart het begeeft, of daarna, voor het post mortem onderzoek.

Gaat het door? Dat hangt nog. De Universiteit Maastricht schortte vorige maand na veel ophef de labradorproeven voor onbepaalde tijd op. Tussentijdse berichten dat de proeven toch worden hervat, zijn volgens de universiteit voorbarig. Daar moet eerst een inderhaast opgerichte commissie over oordelen.

Acht labradors die al in de wachtkamer zaten, zijn ondergebracht bij adoptiegezinnen. Dat succesje kan de Anti Dierproeven Coalitie (ADC) in haar zak steken.

De Universiteit Maastricht zit intussen nog na te sidderen. Er zijn forse bedreigingen geuit jegens individuele medewerkers, en aankondigingen van brandstichting. "Daarvoor wijzen we niet naar de ADC", beklemtoont een woordvoerder van de universiteit. "Maar met de verantwoordelijkheid voor 16.000 studenten en 4000 medewerkers konden we niet anders dan gas terugnemen."

Leuk vinden ze het niet in Maastricht om onbedoeld in de vuurlinie te raken. Ze doen niets uitzonderlijks: in 2012 werden dierproeven gedaan met ruim 1600 honden, bij universiteiten en onderzoeksinstellingen in heel Nederland. De woordvoerder: "We hebben collega-instellingen opgeroepen zich ook in het debat te mengen."

Hij onthoudt zich opnieuw van een beschuldigende vinger. "Ik ga niet zeggen wie er allemaal zwijgt. Maar er wordt gezwegen."

Merel Ritskes-Hoitinga, hoogleraar proefdierkunde aan het Radboud UMC in Nijmegen en hoofd van het dierenlaboratorium op het universiteitsterrein, wil zich wel in het debat mengen.

Voorafgaand aan het interview stuurt ze een stuk toe dat ze recent publiceerde in het British Medical Journal. Daarin keert ze zich tegen slechte research en slechte uitvoering van dierproeven.

De wetenschappelijke bladen hebben tot dusver zeven miljoen dierstudies gepubliceerd, wereldwijd. De onontkoombare conclusie van Ritskes-Hoitinga is dat veel, heel veel van de betrokken proefdieren voor niets zijn gestorven.

Dat is een gepeperde stellingname.

"Mijn overtuiging is dat tachtig procent van de dierproeven niet goed is opgezet, omdat aan de basisvoorwaarden voor goed wetenschappelijk onderzoek niet is voldaan, zoals het willekeurig verdelen van proefdieren over onderzoeksgroepen, en het blind werken (zodat onderzoekers niet weten welke dieren een echt proefmedicijn of een placebo krijgen). Ik heb bij Unilever gewerkt, daar keek bij elk onderzoek een statisticus mee. Aan de universiteiten worden die vanwege de kosten vaak niet ingeschakeld. Wetenschappers hebben vaak de beschikbare literatuur niet goed gelezen, en geen kritische keuzes gemaakt.

Als de wetenschappelijke basis niet deugt, kun je er ook niet van uitgaan dat de conclusies kloppen: rubbish in, is rubbish out. Dan heb je dus niets aan zo'n onderzoek. Er is momenteel in de wetenschap veel discussie over de slechte vertaalbaarheid van dierproeven naar mensen. En je weet dan niet waar het probleem zit: omdat het bij mensen vaak toch anders werkt dan bij dieren, of door de slechte kwaliteit van het onderzoek."

Hoe kan het dat zoveel dierproeven slordig zijn opgezet?

"Dat komt door de perverse prikkels in het wetenschapssysteem. Wat voor wetenschappers in de eerste plaats telt is het aantal publicaties in de belangrijke wetenschappelijke tijdschriften. Die stellen niet of nauwelijks eisen aan de wijze waarop onderzoekers dierstudies opzetten en erover rapporteren. Ze dwingen de kwaliteit niet af. Er zijn dus ook geen prikkels om dierproefonderzoek te verminderen. Integendeel: hoe meer onderzoek, en hoe meer publicaties, hoe beter.

Vuistregel voor dieronderzoek horen de 3 V's te zijn: vervanging, vermindering en verfijning. Maar die hebben geen status. Heel veel onderzoeken hadden nooit door de ethische commissie mogen komen, omdat ze niet voldoen aan de meest basale wetenschappelijke eisen voor dieronderzoek. En toch komen ze er doorheen.

Onderzoeksfondsen zouden ook die eisen moeten stellen, en daar rekening mee moeten houden bij financiering van onderzoek. Dat zijn ze aan hun donateurs verplicht. En toch doen ze dat niet."

In Nijmegen gaat het de laatste jaren anders, met dank aan Ritskes-Hoitinga. Bij haar viel het kwartje tien jaar geleden. In het klinische, mensgebonden onderzoek is het tegenwoordig gebruik om, voorafgaand aan wetenschappelijk onderzoek, eerst te kijken wat er wereldwijd zoal is gedaan. Dit door goed en gestructureerd in de wetenschappelijke literatuur te spitten, volgens een strak schema. Bij die eerdere studies stel je dan steeds de vraag: klopt het wat hier is gedaan? Het klinkt bewerkelijk, en dat is het ook. Maar zo'n aanpak voorkomt zinloos onderzoek en dubbel werk. In het medisch-wetenschappelijke onderzoek kreeg deze zogeheten systematic review sinds de vroege jaren negentig voet aan de grond.

Het besef kwam voor Ritskes-Hoitinga in 2004 als een bliksemflits: met dat systeem kun je vooruit. Voor dierproeven werd destijds nog niet of nauwelijks gebruik gemaakt van systematic reviews en dat is nog steeds zo. Hierin lopen dierstudies, volgens Ritskes-Hoitinga, twintig jaar achter op mensgebonden onderzoek.

In Nijmegen is het haar gelukt het aantal gebruikte proefdieren terug te dringen van 30.000 naar 20.000 per jaar. Een groeiend aantal Nijmeegse promovendi wijdt een deel van zijn proefschrift aan systematic reviews. Dat zegt iets over het belang dat ze eraan zijn gaan hechten, want dit soort diepgravend literatuuronderzoek staat nog altijd niet in hoog aanzien, laat staan dat er geld voor beschikbaar is.

Ritskes-Hoitinga: "Voor de promovendi komt het erop neer dat ze het 's avonds of in het weekeinde moeten doen. Hier in Nijmegen zie je dat mensen het oppakken, maar het moet allemaal veel sneller. We staan echt nog maar aan het begin."

Wat vindt u van de regelgeving voor dierproeven? Toxicoloog Menk Prinsen promoveerde onlangs op de Draize-test, een zeer belastende proef om irriterende stoffen te testen in de ogen van levende konijnen. Het kostte Prinsen dertig jaar om een alternatief te ontwikkelen, met dode kippenogen, en vooral dat internationaal geaccepteerd te krijgen.

"De regelgeving is inderdaad vaak onredelijk, en gebaseerd op oude en onduidelijke afspraken. Ik heb tien jaar in Denemarken gewerkt, en mijn toenmalige baas heeft wel eens uitgelegd hoe het ooit is gegaan met de regels voor de huisvesting van proefmuizen. Die werden gewoon bij hem thuis bedacht met een paar experts, die aan de keukentafel kartonnen doosjes zaten te vouwen.

Die mensen hadden daar wel verstand van, daar gaat het niet om, maar harde wetenschap is het niet. Terwijl bij de ontwikkeling van alternatieven voor dieproeven wél een uitvoerige wetenschappelijke verantwoording wordt geëist."

Wat is uw alternatief?

"Kijken naar waar je zo'n Draize-oogtest voor doet. Je doet zo'n test om te weten te komen of stoffen irriterend kunnen zijn in mensenogen. De Draize-test gaat uit van absurd hoge blootstellingen aan giftige stoffen, zodat stoffen al snel het stempel 'irriterend' krijgen. Het ontbreekt aan gezond verstand. We blijven vastzitten in Kafkaiaanse regels die ooit zijn afgesproken, ook al zijn ze slecht gefundeerd."

Het aantal proefdieren blijft in Nederland hardnekkig steken rond de 580.000 in 2012. In dat jaar haalden nog eens net zoveel dieren hun proef niet eens omdat ze voordien al stierven of werden gedood, omdat ze niet geschikt waren voor het onderzoek waarvoor ze waren gefokt. Coenraad Hendriksen, van de Universiteit Utrecht, zei begin dit jaar in deze krant, dat er wel degelijk succesvolle alternatieven voor dierproeven zijn ontwikkeld, zoals specifieke cellen die worden gekweekt uit stamcellen. Dergelijke vervangingsmethoden worden inmiddels op grote schaal gebruikt. Was dat niet het geval, dan zou het aantal proefdieren veel hoger zijn geweest.

Gelooft u in de ontwikkeling van dergelijke alternatieven?

"Die helpen zeker. Maar niets werkt zo goed als maatschappelijke druk."

Heeft u sympathie voor acties zoals die van de Anti Dierproeven Coalitie in Maastricht?

"Er zijn mensen die deze acties aangrijpen om anoniem allerlei bedreigingen te uiten. Dat is natuurlijk absoluut niet goed. Maar aandacht voor dierproeven helpt. Zolang wetenschappers zich laten drijven door perverse prikkels, publicatiedrang, en geld van de farmaceutische industrie en organisaties zoals de Hartstichting, en vanuit die belangen dierproeven proberen te verdedigen, hebben de actiegroepen gewoon een punt. Een daling van het aantal proefdieren valt alleen te verwachten als organisaties als ADC en Proefdiervrij nog effectiever worden.

Om het zwart-wit te stellen: twintig procent van het huidige aantal dierproeven is voldoende, als je die beter zou uitvoeren. Je bespaart er geld mee en het levert informatie op die voor de mens veel relevanter is."

'Waar haalt Ritskes die 80 procent vandaan?'

Een woordvoerder van de Vereniging van universiteiten (VSNU) zegt zich niet te herkennen in het door Ritskes-Hoitinga geschetste beeld.

De universiteiten voeren volgens hem een robuust beleid dat gericht is op het gebruik van zo min mogelijk proefdieren, op een verfijning van de methode opdat de dieren zo min mogelijk lijden, en op het zo veel mogelijk gebruik van alternatieven.

"In de toetsingscommissies zitten deskundigen met verschillende zienswijzen. Die oordelen zorgvuldig, zodat klip en klaar wordt dat een dierproef echt noodzakelijk is en op een verantwoorde manier wordt uitgevoerd."

Frauke Ohl, hoogleraar dierenwelzijn en proefdierkunde aan de Universiteit Utrecht, vindt het heel goed dat er aandacht is voor dierproeven, en dat er discussie over ontstaat. Maar ze betreurt het dat die discussie telkens weer door oneliners wordt gedomineerd. "Ook nu weer door collega Ritskes. Ze geeft terecht aan dat er veel perverse prikkels zijn en dat we meer moeite moeten doen om de kwaliteit van het onderzoek te verbeteren. Maar tachtig procent deugt niet? Waar heeft ze dat cijfer vandaan? Ik ken geen enkel onderzoek dat dat ondersteunt."

Het gebruik van proefdieren is een complex verhaal, zegt ze. "Iedereen weet dat en iedereen weet dat je de kwaliteit ervan niet met één maatregel verbetert. Actiegroepen wordt vaak verweten dat ze de nuance uit het oog verliezen, maar nu doet professor Ritskes dat ook."

En die nuance is dat het in Nederland zo slecht niet is gesteld met het proefdiergebruik. "In internationaal opzicht zijn we goed bezig. Natuurlijk, we moeten niet vergeten dat het aantal proefdieren dat jaarlijks wordt gebruikt, niet daalt. Maar de wetenschappelijke output per dier stijgt wel. De kwaliteit gaat vooruit."

Donderdag werd bekend dat de Europese Commissie Nederland voor de rechter sleept. De overheid had de Europese regels over bescherming van proefdieren uiterlijk november 2012 moeten omzetten in nationale regelgeving, en heeft verzaakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden