Hierboven is ruimte voor iedereen

Een mens verhoudt zich een leven lang tot veel of weinig anderen: tot familie, collega's, geestverwanten, vrienden, geliefden, en soms tot God. Maar ook tot plaatsen, muziek, een landschap, een ideologie. 'Waar hoor ik bij?' is de vraag waarop het levensverhaal een antwoord geeft. Deel 2

Anja Meulenbelt (1945). Andragoge, docente hulpverle ning, feministe, schrijfster van meer dan dertig fictie- en non-fictie boeken over uiteenlopende politieke en sociale onderwerpen.

Ik wil tegenstrijdige dingen. Met rust gelaten worden en erbij horen. Mijn eigen gang gaan en rekening houden met anderen. Ik heb een bloedhekel aan ruzie en agressie, maar ik roep het op. Ik heb net een boek over de Palestijnen geschreven, 'Het beroofde land', waarvan ik zeker weet dat mensen er boos over zullen worden. Ik wil het liefste weg nu het verschenen is, maar ik heb het wel geschreven, dus ik kan niet weg. Ach, ik doe het allemaal zelf en heb dus niet echt reden om me te beklagen. Kennelijk kies ik die positie.

Toen ik op mijn twintigste, na een korstondig huwelijk, aan mijn nieuwe leven begon was ik verrukt van wat de wereld me te bieden had. Het was een tijd waarin van alles begon te gisten. Het concept van vrije liefde was natuurlijk niet alleen maar leuk, maar gaf mij wel de mogelijkheid uit te zoeken wat ik wilde naast het moederschap. Ik heb mezelf nooit zo'n geweldige moeder gevonden. Ik paste niet in het klassieke beeld. Armin maakt er wel eens grapjes over. Als iemand hem vraagt waarom hij zo'n aardige man is geworden, roept hij bescheiden dat dit komt omdat zijn moeder geen tijd had om hem op te voeden. We waren het samen aan het redden. We hadden weinig geld, woonden in een anderhalfkamerwoninkje met te weinig ruimte voor tafels en stoelen, we aten op de grond, kijkend naar 'Toppop', waar hij net oud genoeg, en ik nog net jong genoeg voor was. Achteraf gezien heb ik mij keurig gehouden aan de moderne opvoedingsvoorschriften: onvoorwaardelijk van je kind houden, maar wel grenzen stellen. We hebben nog steeds een hechte band. Waarschijnlijk gewoon omdat we elkaar leuke mensen vinden.

Tegen mijn ouders heb ik me lang afgezet. Mijn moeder werd depressief van het traditionele huisvrouwenbestaan, en mijn vader op zijn beurt depressief van mijn moeder. Het was geen gezellige bedoening thuis, met twee treurige ouders die hun tijd met elkaar uitzaten. Ik voelde weinig verwantschap met hen, net zomin als met mijn broer, die ik inmiddels al meer dan tien jaar niet heb gezien. Dat ik zwanger raakte op mijn zestiende, had zeker ook te maken met het verlangen uit huis te gaan. Daarna zijn er jaren gevolgd waarin ik nauwelijks contact met mijn ouders had. Dat kwam weer na het verschijnen van 'De schaamte voorbij'. Toen ik het boek de wereld in stuurde, was mijn grootste angst dat mijn moeder het zou lezen, verder kon het me niet schelen. Nu wilde het toeval dat mijn moeder op dezelfde tennisclub speelde als de drukker van het boek. Die kon niet nalaten om op een veelbetekenend toontje te zeggen: ,,Mevrouw Meulenbelt, uw dochter heeft een boek geschreven, nou nou nou''. Mijn moeder is naar de boekhandel gegaan, heeft het boek gekocht en gelezen, belde me daarna op en zei: ,,Ik moet je spreken''. Volledig over haar toeren kwam ze aanzetten in haar zeehondenbontjas met een fles sherry. ,,Waarom heb je me dat allemaal niet verteld?!'' Dat had een moment van verzoening kunnen worden als ze niet was doorgegaan: ,,En op pagina zoveel staat dat jij zo'n ongelukkig kind was, maar jij was helemaal geen ongelukkig kind''. ,,O'', reageerde ik, ,,zou ik dat zelf niet beter weten?'' ,,Nee'', zei ze, ,,want jij was klein en ik je moeder''. Over onze gezamenlijke geschiedenis zijn we het nooit eens geworden. Daar heb ik me bij neergelegd. Vreemd genoeg was ik wel degene die ze aan haar sterfbed wilde. In die laatste weken heb ik geprobeerd het contact met haar rond te maken. Het beste wat je erover kunt zeggen is dat we elkaar niet hebben opgegeven.

Mijn vader was erg misprijzend over mijn leven, dat rare huwelijk, de scheiding, die communes, mijn minnaars en minnaressen. Dat werd duidelijk door de manier waarop hij erover zweeg. Ik op mijn beurt keurde zijn leven af, vond hem een kapitalist. Ook ik sprak me niet uit, maar hij zal, net als ik, de afwijzing gevoeld hebben in het pijnlijke zwijgen tussen ons. Op een gegeven moment is het contact verwaterd. Noch hij noch ik ondernam een poging het weer op te pakken en uiteindelijk hebben we elkaar twintig jaar niet gezien.

Een aantal jaren geleden ging ik in therapie omdat mijn relaties niet goed liepen. Ik ontdekte dat ik bezig was mijn vader terug te vinden in mannen. Nogal platvloerse psychologie, maar zo was het wel. Ik heb tranen met tuiten gehuild over de verloren leuke vader uit mijn vroegste kindertijd. Na het verdriet verwerkt te hebben dacht ik: het zou zonde zijn als ik nu geen contact met hem opnam. Die man heeft ook niet het eeuwige leven. Doodzenuwachtig schreef ik mijn vader een brief, twee dagen later lag er een envelop met zijn handschrift op de mat. Ik schonk mezelf een bel jenever in en scheurde de envelop open. Het was een heel aardige brief, ondertekend met 'je vader'. Ik was hevig ontroerd. Liet de brief zien aan iedereen die dat maar wilde en riep: ,,Kijk daar staat het: 'je vader', ik heb een vader!''. Het enige waar ik niet aan dacht was dat die man zat te wachten tot ik nou eens kwam. Voor mij was dit levensteken genoeg.

Een week later lag er weer een brief: ,,Waar blijf je nou?''. Ik dacht: o dwingeland, zo ken ik je weer, maar ben gegaan. Zijn vrouw haalde me van het station en vertelde me dat hij urenlang zenuwachtig door het huis had lopen drentelen. Toen we aankwamen deed hij de deur open, stak zijn armen uit en zei: ,,Dag Meulenbelt''. Fantastisch. Ik was net op tijd want hij begon al een beetje in de war te raken.

Ik leef heftig en snel, doe veel en schrijven is voor mij ordenen. Maar waar verder die rare drang tot expressie vandaan komt, geen idee. Waarom stuurt een mens foto's, schilderijen, gedichten, romans de wereld in? Het moet. Als ik een tijd niet schrijf heb ik het gevoel dat het bestaan me uit de vingers glipt. Schrijven is mijn manier om mijn ervaringen te analyseren, te verwerken en verder te gaan. Soms is het een enge gedachte dat andere mensen via mijn boeken toegang krijgen tot mijn leven. Toen 'De schaamte voorbij' net in de winkel lag, ben ik - kraag omhoog - gaan kijken hoe dat boek erbij lag. Ik zag een man het oppakken, de rug openknakken en ik had iets van 'leg neer, leg neer'. Op dat moment besefte ik dat wanneer je een boek de wereld in stuurt, het niet meer van jou is. Ik heb me met 'De schaamte voorbij' wel wat op de nek gehaald. Ik kom nu, vijfentwintig jaar later, nog steeds mensen tegen die zeggen: ,,Ik heb je boek gelezen''. En dan bedoelen ze dat ene en niet die dertig anderen. Daarnaast heb ik er een imago aan overgehouden dat ik nooit meer kwijtraak. Sommige mensen hebben me in plexiglas gegoten en voor eeuwig geplaatst. Mijn boek over Gaza kreeg twee recensies op de toon van 'Dat hadden we niet achter haar gezocht. De beer kan dansen'. En dan volgt de vraag: ,,Hoe komt een feministe in Gaza?'' Nou, op de bezemsteel natuurlijk. Mensen kunnen zich blijkbaar moeilijk voorstellen dat ik een ontwikkeling doormaak en een vak heb geleerd. Het prettige aan het werken in het buitenland is dat niemand mij daar kent en ik er geen misplaatste bewondering of afkeer krijg.

In de jaren zeventig gold in de vrouwenbeweging het voorschrift: gelijke monniken, gelijke kappen. Al eerder was ik door de feministische uitgeverij De Bonte Was benoemd tot pionier van de feministische corruptie omdat ik als eerste mijn naam onder mijn stukken zette. De vrouwenbeweging had de begrippen ontwikkeling en assertiviteit hoog in haar vaandel staan, maar tegelijkertijd werd je gestraft wanneer je met je kop boven het maaiveld uitstak. We konden makkelijker solidariseren op zwakte dan op kracht. Nadat ik een 'Bekende Nederlander' was geworden heb ik jarenlang mijn best gedaan om te laten zien hoe gewoon ik was gebleven omdat ik er zo graag bij wilde horen. De doorbraak kwam toen ik een workshop volgde bij een joods-Amerikaanse vrouw. Ze pakte me bij mijn arm, zette me voor de groep en vroeg: ,,How does it feel to be famous?'' Waarop ik in tranen uitbarstte en riep: ,,Alsof ik in mijn eentje boven op een berg sta waar het koud is en waait. Beneden is het warm en zit iedereen gezellig bij elkaar en ik wil naar beneden." Zij zei: ,,Weet je wat je tegen die mensen beneden zegt: 'Hier is ruimte genoeg voor iedereen. Komen jullie maar naar boven'.''

Ik werk nu veel met getraumatiseerde vrouwen, maar - zo realiseerde ik me later - ik was er ten tijde van mijn huwelijk zelf een. Ik had een sterke sociale fobie en was niet in staat om contact met mensen te hebben. Ik wist absoluut niet wat er met me aan de hand was. Toen had niemand er enig idee van wat er met je gebeurt als je een jaar of twee gegijzeld wordt door een gewelddadige man. Ik kan nu nog aanwijzen welke winkels in de Jordaan ik in durfde en welke niet. Ik ging bij voorkeur naar zelfbedieningswinkels, daar hoefde ik niets te vragen of te zeggen. Ik ben pas bij die man weggegaan toen hij Armin begon te slaan. Op dat moment kwam hij aan de laatste harde kern die er in mij over was: mijn kind. Ik heb die tijd uiteindelijk zonder al te veel kleerscheuren overleefd, het enige dat ik eraan over heb gehouden is een telefoonfobie. Ik ben met Armin vertrokken, heb mijn middelbare school afgemaakt en ben gaan studeren aan de sociale academie. Ik kwam een jongen tegen die sinds de middelbare school verliefd op me was. Hij had al die tijd op me zitten wachten, ervan overtuigd dat ik terug zou komen. Ik was zijn eerste vriendinnetje. Hij was verlegen, lief, zacht. Totaal het tegenovergestelde van de man met wie ik had geleefd en precies wat ik op dat moment nodig had. Genezend. Ik koester dergelijke gelukstijden. Alles wat ik met iemand heb gehad dat goed was, wordt mij nooit meer afgenomen. Ik weet en begrijp nog precies waarom ik met mijn grote liefdes ben geweest.

Alle teleurstellingen ten spijt heb ik de hoop op een gelijkwaardige relatie niet afgeschreven. Wat dat betreft ben ik net een duikelaartje, ik veer steeds terug. De vriendin waar ik vijf jaar mee ben geweest, leek als twee druppels water op de man waar ik tien jaar mee was. Alletwee een joodse vader, alletwee een AJC-achtergrond, uit hetzelfde milieu en beiden konden er niet tegen dat ik schreef. Mijn vriendin ging zelfs zover dat ze mij een ultimatum stelde. Of zij, of het schrijven. Ook mijn laatste en langste relatie, die van tien jaar, bleek ongelijk, al mijn feminisme ten spijt. Ik ondersteunde hem bij zijn werk maar hij was jaloers op het mijne. Zijn viool mocht wel mee op vakantie, maar als ik mijn laptop meenam kregen we ruzie. Ik was monogaam, maar hij kon het niet laten om ook met andere vriendinnen aan de scharrel te gaan. Ik heb geprobeerd er tegen te kunnen, maar ik kon het niet. Stukje bij beetje nam ik afscheid van een aantal dromen, maar toen de verhouding definitief afliep kreeg ik toch een forse inzinking, een klassieke midlife crisis. Ik had het gevoel: ik heb verbindingen met zoveel verschillende mensen, maar geen van die verbindingen is echt, ik hoor nergens bij. Het was alsof ik uit elkaar viel. En het ergste was, ik kon niet meer schrijven. Zo gauw ik achter de schrijfmachine zat begon ik te janken.

In die tijd merkte ik dat drank anders begon te functioneren. Wat altijd lekker en gezellig was geweest en soms ontremmend werkte - wat ik prettig vond, want ik ben een tamelijk verlegen mens al gelooft dat zo ongeveer niemand - werd een medicijn. Ik stapte over van sociaal drinken naar crisisdrinken. Later heb ik daar een artikel over geschreven waarna Malou van Hintum over mij schreef als 'het aan lager wal geraakte drankorgel Meulenbelt'. Ik geloof niet dat ik haar ooit heb mogen ontmoeten, maar zo'n uitspraak is veelzeggend. Een cursus volgen om af te vallen of om te stoppen met roken is toegestaan, maar een weekje kuren om van de drank af te komen is taboe. Mannen mogen nog wel uitkomen voor hun drankgebruik, maar vrouwen niet. Het is mij behoorlijk nagedragen. Toen ik uit de crisis was ben ik - tot mijn tevredenheid - teruggegaan naar sociaal drinken, maar sindsdien heb ik twee stigma's. Feminisme - met als voordeel dat ik in werkelijkheid vaak mee blijk te vallen - en drank.

Ik ben zelf niet joods, maar heb wat met joden en het jodendom. In mijn familie zijn veel joodse mensen aangetrouwd, mijn ouders brachten tijdens de oorlog joodse kinderen naar onderduikadressen, mijn langste liefdesrelaties waren met een joodse vrouw en een joodse man, ik heb me daardoor altijd vanzelfsprekend verwant gevoeld met joden. Maar ik had niet door dat het emotionele meekijken naar de wereld vanuit joods perspectief me blind maakte voor wat er met Palestijnen gebeurde. Op een gegeven moment kwam ik in contact met Leila Shahid, vertegenwoordigster van de PLO in Nederland. Een fantastisch mens dat met evenveel hartstocht over politiek praat als over liefde. Toen ze mij leerde kennen had ze binnen vijf minuten door dat ik volstrekt onnozel was wat de Palestijnen betrof. Ze riep vrolijk: ,,I will give you a crash course on Palestinians'', en dat heeft ze gedaan. En ik ontdekte dat Palestijnen mensen zijn met een geschiedenis. Joden hadden voor mij altijd al een naam, maar Palestijnen waren naamloos. Toen Artsen zonder Grenzen me vroeg om een verhaal te maken over een van de vele landen die een beetje uit de belangstelling dreigden te raken, stuurden ze de 'Neckermanngids van ellende'. Kies maar uit, waar wil je naar toe? Het werd de Gaza-strook. Mijn keuze om me te verdiepen in het lot van de Palestijnen bezorgde me loyaliteitsconflicten. Ik heb er nét geen vrienden door verloren, maar er wel fiks ruzie over gemaakt met een oud joods vriendenstel waarvan de man Bergen-Belsen heeft overleefd. Hij kon het niet verkroppen. Schold me de huid vol. Ik ben terug gaan schreeuwen: ik ga daar heen en ik blijf ook bij jou komen tot je me de deur wijst! Vorige week nog was ik in Gaza. We reden over de openbare weg ter hoogte van Ramla, toen we vuur zagen en zwaailichten. We stopten, in de veronderstelling dat er een ongeluk was gebeurd. Op dat moment werd onze auto door kolonisten omringd en aangevallen. Ze schreeuwden 'Arabier, Arabier' tegen onze chauffeur en gooiden stenen tegen de ruiten, terwijl de politie toekeek. We zijn erin geslaagd weg te rijden, maar het was beangstigend en bizar. Geen stenengooiende Palestijnen, maar stenengooiende kolonisten. In Gaza-stad zelf hebben we betrekkelijk rustig kunnen werken, wel waren er in veel families gewonden en doden gevallen. Het standpunt dat het Israëlische leger uit zelfverdediging handelt, is niet vol te houden. Er wordt gericht geschoten. Op het hoofd, op de ogen. Het zijn executies, het is van een ongekende wreedheid. Aan het eind van de week zijn we geëvacueerd omdat er berichten waren dat militaire doelen gebombardeerd zouden worden. We zaten nog geen paar minuten in de auto of we hoorden een geweldige klap. Op honderd meter afstand van onze flat sloeg een raket in. Ik was al niet optimistisch over het vredesproces, maar ben nu nog geladener. Ik krijg meer gelijk met mijn aanklacht in 'Het beroofde land' dan ik hoopte. Ik had het fijner gevonden wanneer de critici die me beschuldigen van overdrijving het gelijk aan hun zijde hadden gehad.

Vorig jaar heb ik met een aantal mensen de stichting Kifaia opgericht om een groep gehandicapten in de Gaza-strook te ondersteunen. In Zuid-Afrika en de Balkan heb ik hulverleners trainingen gegeven in het omgaan met -seksueel - geweld. Ik werk graag in het buitenland. Ik houd van heftig, van op de proef gesteld worden en mijn medehulpverleners zijn vaak bevlogen, boeiende mensen. Tijdens mijn laatste bezoek aan Kroatië gaven we een cursus aan hulpverleners over omgang met daders. Een van de mannen, een rechter, was naar de cursus gekomen omdat hij werkte met jeugdige delinquenten. Op een gegeven moment kwam hij met zijn eigen verhaal. Hij had in de oorlog tegen de Serviërs op een dag meerdere mensen vermoord. De herinnering achtervolgde hem, hij kon er niet van slapen. Zonder een seconde van voorbereiding moest ik mijn houding bepalen. Wat moest ik met de hulpvraag van een hulpverlener die een moordenaar bleek te zijn? Hij zei: ,,Ik ben een beest geweest en kan daar niet mee leven. Ik kan de beelden niet kwijt.'' Ik zag de pijn en voelde het isolement. Hij vroeg geen vergiffenis of verontschuldiging. Het enige dat hij vroeg was: mag ik weer bij de mensheid? Op zo'n moment ben ik buiten adem. Vroeger was ik alleen solidair met slachtoffers. In de loop der jaren ben ik steeds meer de vervlechting van slachtoffers en daders gaan zien, al betekent dat niet dat ik de categorieën goed en slecht zal afschaffen.

Het is nieuw dat er een god bij me hoort, want ik heb geen enkele religieuze achtergrond en in mijn omgeving heeft ook niemand iets met religie. Een paar jaar geleden werd ik in de Rode Hoed geïnterviewd door Huub Oosterhuis. Hij nodigde me uit om eens naar de studentenecclesia te komen. Ik ben gegaan en was tot mijn grote verbazing diep ontroerd. En steeds opnieuw. Wat me nou precies zo raakt kan ik nauwelijks navertellen. De ene keer is het de muziek, de andere keer een woord. De studentenekklesia is een plaats waar steeds opnieuw de afspraak gemaakt wordt dat we een betere wereld voor mogelijk zullen houden, tegen alle politieke feiten in. Dat we het kleinste gebaar van solidariteit en goedheid op zullen vatten als een teken dat die nieuwe wereld komen zal. Ik heb er een nieuwe god ontdekt. Niet almachtig, sinterklaasachtig of straffend, maar een god die van ons vraagt dat we elkaars broeders hoeder zijn. Een god die ons een opdracht heeft meegegeven. Zo voelt het ook. Alsof er iemand met een vinger in mijn rug port en zegt: ,,Niet zeuren, daarheen''. De mennonieten in Hebron hebben een spreuk: 'The sign of God is that you are led where you didn't plan to go'. Zo ervaar ik het. Alsof ik geroepen word. Ik heb inmiddels afgesproken dat ik me zal laten dopen. Wat me totnutoe tegenhield is de hype die ervan gemaakt wordt. Twee schrijvers worden katholiek en de media noemen het een trend. Ik weet dat ik ongedoopt net zo welkom ben in de ecclesia, maar het is als trouwen na jarenlang hokken. Waarmee je wilt zeggen: dit is niet voorlopig, niet toevallig. Ik hoor hier, in dit huis, bij deze mensen, bij deze afspraak.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden