Hier zit de vrijheid in de lucht

Bij de verkiezing van het ’mooiste schilderij’ valt een groot gat van anderhalve eeuw op. Kennelijk laten rococo en romantiek ons Hollanders koud.

Schoonheid laat zich niet vertalen in een tien of in een top. Toch geven de twintig interviews die aan de stemming van ’Het mooiste schilderij van Nederland’ vooraf gingen een bijna geruststellende bevestiging van de door eenvoud en helderheid gekleurde canon waar men ons in het buitenland zo hartstochtelijk om bewondert.

Rembrandt (14 x genoemd), Vermeer (7x), Van Gogh (11x) en Mondriaan (8x) vormen het reuzenkwartet bij uitstek. Daarna volgt een tiental schilders met een dubbele nominatie, gevolgd door 36 beroemde enkelingen. Zet je alle namen op een rij dan krijg je ondanks het ontbreken van Van Scorel, Ruysdael, Isaac Israëls, Jongkind (de Nederlandse Turner toch!) en Jan Toorop een aardig en representatief overzicht van onze schilderkunst van de late Middeleeuwen (Bosch, Breughel) en de Gouden Eeuw (Van Goyen, Steen) tot en met de Haagsche school en de moderne schilderkunst.

Wat verder het meeste opvalt is de afwezigheid van schilders tussen 1680 en 1830. Wie alle namen heeft geturfd, ziet dat er tussen Jan Steen en Jacob Maris een gat valt van anderhalve eeuw. Hoe zij hun best ook hebben gedaan, blijkbaar kunnen wij tegenwoordig Cornelis Troost (1697-1750) met zijn genre- en Jan van Huysum met zijn bloemstukken (1682-1749) missen als kiespijn. Evenmin wekken we de indruk de zeeën en stranden van Mesdag, Maris, Van Gogh en Fernhout te willen ruilen voor de schuimkoppen Andreas Schelfhout (1787-1870) en J.C. Schotel (1787-1838). Hoe komt dat? Hoe zit het met onze verwantschap met rococo, classicisme en romantiek? Waarom vallen we in katzwijm bij het zien van Rembrandt, Mondriaan of Vermeer en laten de warme doeken vol cupidootjes en suikerspinnen zoals je die in Frankrijk kunt zien bij dromers als Watteau en Fragonard ons koud? En waarom laten wij de Franse appelmoes vol heroïsche taferelen onder invloed van de zo strenge en sombere David (denk aan ’De eed van Horatius’) evenals de juist weer zo kleurrijke, dynamische en verheven romantiek van Delacroix en Géricault aan ons voorbijgaan? En hoe komt het dat wij ons nooit hebben kunnen of willen overgeven aan de overdonderende grootsheid van de schepping of natuur, zoals Friedrich of Turner dat in Duitsland en Engeland wel lieten zien?

Wij hadden het allemaal niet nodig. Je kunt het ook anders zeggen: meer dan elders draait het hier om het licht en de verstilling en daarmee in zekere zin ook de abstrahering van interieur en landschap. Bij ons geen Marianne-mythe of slagvelden tot kunst verheven. Hier zit de vrijheid in de lucht.

Huizinga heeft in zijn bekende cultuurstudie over de zeventiende eeuw opgemerkt dat het succes van de Gouden Eeuw niet lag in de materiële rijkdom maar in de combinatie van praktische en geestelijke ondernemingskracht vol ’hout en staal, pik en teer, verf en inkt, durf en vroomheid, geest en fantasie’. Figuren als Troost en Van Huysum zetten de hoogvliegende Republiek eerder weer met beide benen op de grond dan dat er nou van een diepe crisis sprake was. Meer dan met de spreekwoordelijke jansaliegeest had de neergang in de schilderkunst te maken met de opkomst van de grote absolutistisch geregeerde staten om ons heen. Engeland, Frankrijk en Duitsland konden de mode bepalen totdat men in het jonge Koninkrijk der Nederlanden opnieuw zijn voordeel weet te doen met het unieke heldere licht dat boven onze polders, dijken en wateren alle mythe en mystiek met één streek overbodig maakt.

Toch is er één schilder die het gat tussen Steen en Maris een beetje kan dichten. Het is de in Dordrecht geboren Ary Scheffer (1795-1858). Ary was de zoon van een van de hofschilders van Lodewijk Napoleon, Johan Bernard Scheffer. Vlak na diens dood in 1809 verhuisde het gezin naar Parijs, waar wonderkind Ary zich al snel wist te mengen tussen de grote Franse kunstenaars als Ingres, Delacroix en de componisten Liszt en Chopin. Scheffers thematiek is sterk beïnvloed door de idealen van de Franse revolutie. Zo maakte hij in 1827 De vrouwen van Souli, een dramatische voorstelling van een stel Griekse vrouwen dat zich tijdens de vrijheidsstrijd in 1803 in de afgrond stortte om maar niet in de handen van de vijandelijke Turkse troepen te hoeven vallen. Ook maakte hij speciaal voor zijn moeder een behoorlijk sentimentele maar toch aangrijpende voorstelling van een smekende Christus aan de vooravond van zijn lijden (1839). Toen Vincent van Gogh het doek in 1877 in Dordrecht zag, schreef hij aan broer Theo: ’Christus in Gethsemane, dat is om nooit te vergeten.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden