Hier worden drie verledens tegelijk bedolven

Het was in mei, en het was in Los Angeles. De president van de Loyola Marymount University, the Reverend Thomas P. O'Malley van de Sociëteit van Jezus, had me uitgenodigd voor de plechtige onthulling van een segment van de Berlijnse Muur, een gift van de stad Berlijn aan de universiteit. Het was een zonnige dag, de hitte van de zo dichtbije woestijn getemperd door de oceaan.

CEES NOOTEBOOM

Het historische object zelf stond erbij als een weesmeisje zonder weeshuis, verlegen en misschien wel een beetje ongelukkig. Ze probeerde nog wel, maar het echte dreigen was er niet meer bij. Er stond een liefdesbetuiging op aan een zekere Kristin en daaromheen een schildering zoals je die tegenwoordig in alle galeries van de eerste, de tweede en de derde wereld ziet, enige niet geheel en al structuurloze vlekken in vrolijke kinderkleuren. De studenten, die in een grote kring om ons heen stonden en die kleren in zo ongeveer dezelfde kleuren droegen, luisterden aandachtig naar de onaantastbare woordenschat die nu over het groene grasveld rolde, De Onderdrukking en De Vrijheid, De Strijd en De Geschiedenis, platonische ideeën in het paasbest van hun hoofdletters, abstracties die hier, in deze context, net zoveel met dat stuk steen te maken leken te hebben als de twee mussen die er vluchtig op landden met de onschuld van dieren die hun eigen eeuwige herhaling zijn en buiten de menselijke geschiedenis mogen leven.

Ik voelde hoe al die jonge hoofden om me heen uit alle macht iets wilden denken, maar betwijfelde of dat zou lukken. En ik? Als ik mijn ogen dichtdeed werd het ander weer, dan werd het winter, want het was winter toen ik die muur voor de eerste keer gezien had, de winter van januari 1963. Nu moest ik, om me die dag weer voor de geest te halen, de rector en de studenten wegdenken, ik moest de zo groene bladeren van de boom boven ons ontkennen, ik moest het ijzig koud laten worden, de bijtende sneeuw van het Midden-Europese landklimaat oproepen en met de macht van mijn gedachtes het eenzame beton weer naadloos tussen de andere brokstukken plaatsen, pas dan stond ik weer voor een muur, pas dan was ik weer negenentwintig, pas dan had ik het weer koud, pas dan stond ik weer vastgevroren in de geschiedenis als geschiedenis en niet in deze merkwaardige, ironische, postmoderne uitloper die er, en dat is nu juist de ironie, net zo goed bijhoort, een van Hegels witte bladzijden, om je dood te lachen.

..........

Maar ik had geen zin in lachen. Wat had ik destijds gedacht? Dat je je de situatie in de Griekse, of in welke oudheid dan ook kon voorstellen: een stad die in tweeën gedeeld was door een muur. Legenden en verhalen eromheen, een half in onbruik geraakt spreekwoord, een blijspel van Tirso de Molina, teruggevonden in een hoek van de bibliotheek van Salamanca, een bewerking van Molière, een opera van Salieri, en later natuurlijk een uur of wat verheven videoschuim, een anekdote waarop de symbolen groeien als vliegend gras, cultuurbezit. Maar het soort oudheden waarmee wij te maken hebben is meestal maar een paar duizend jaar oud, zo oud als zij zelf zijn geworden in de in elkaar geschoven reeks beschavingen waar wij nog steeds bijhoren.

Misschien is het daarom dat er, ondanks het nucleaire arsenaal dat bij de wereld hoort als een ozonlaag, nog steeds iets onherstelbaar antieks kleeft aan ons doen en laten, een ouderwetsheid die door geen reis naar Mars of Jupiter wordt ongedaan gemaakt. Want zo zag het er uit, je hoefde maar voor die muur te gaan staan, je ogen half dicht te knijpen en je zag een gehannes van middeleeuwse lansknechten die de stadsmuur bewaakten van het Land van de Anderen. Hetzelfde soort dat miljoenen kilometers in een paar dagen kon afleggen, dat planeten in eigen huis kon opzoeken en atomen splitsen als een eindje touw kon nu ook al een muur bouwen van een meter of twee, drie, en daar dan niet meer overheen, zoals een Egyptenaar of een Babyloniër er niet overheen gekund zou hebben.

Historici zijn rückwürts gerichte Profeten, heeft Schlegel geloof ik gezegd, en dat klopt en klopt niet. De toekomst van gisteren heeft met een onnavolgbare alchemistische manoeuvre de dreiging en de dwang die bij dat stuk steen hoorde omgetoverd in toeristische onschadelijkheid, ik word bedrogen waar ik bijsta. Mijn angst, of mijn woede, of mijn afkeer, zijn ongeldig geworden, ik moet er beelden van mannen met honden en geweren, van uitkijktorens en schijnwerpers voor oproepen om nog iets van een werkelijkheid te voelen, beelden die de andere omstanders niet in hun interieure archief hebben.

Twee weken geleden, weer in Berlijn, had ik de gelegenheid dit alles nogmaals te overdenken. Ik wilde het Hotel Esplanada nog eens zien, omdat ik daar sentimentele herinneringen aan heb, maar ik kon het niet meer vinden. Ik was uit de S-Bahn Potsdamer Platz naar boven gekomen en bevond me in een pandemonium. Ik stond op een naar het leek provisorische brug die schudde van de zware vrachtwagens en wist niet waar ik het eerst moest kijken. Diep beneden me waren zwermen arbeiders bezig aan de fundamenten voor de toren van Babylon of godweet aan een reusachtige tunnel naar Moskou, hier was zo te zien alles mogelijk. Ik keek naar die wirwar van gele en witte helmen, hing over de reling van die brug, zag hoe daar in profundis zoiets als een betonvlechtwerk werd gelegd, zag een woud van kranen boven me, zwaaiend met hun lichten, zag hoe zwarte, marmeren platen door de lucht werden vervoerd en langzaam neergelaten, hoorde tussen dat alles het antieke geluid van ijzer op steen, probeerde de labyrintische bewegingen van de honderden beneden me te volgen en vroeg me af wie dit alles bestuurde, hoe al die mannen zo precies wisten wat ze moesten doen, hoe iemand de weg wist in al die leidingen, draden, buizen.

Natuurlijk werd hier van alles in de grond gedreven, maar zo voelde het niet. Veel eerder leek het alsof een reusachtige stad bezig was om uit de aarde op te rijzen, of hier een stad eenvoudig zichzelf wilde en zich met natuurgeweld een weg baande, en ik voelde tegelijkertijd iets van euforie vanwege het gebeuren zelf èn ook, ik geef het toe, iets van huiver vanwege de implicaties, vanwege de macht die hier zichtbaar werd en die zo in tegenstelling leek tot het zachte gejammer dat de laatste tijd uit Duitsland opstijgt, alsof dat allemaal een maskerade is, een theatrale truc om de rest van de wereld in slaap te sussen.

.........

Als wat ik hier zag geen fantasma van Potemkin was dan moest het toch gewoon zijn wat mijn ogen zagen: een visioen van toekomstige macht. Hier werd met het donderende geweld van de heimachine een bladzij omgeslagen, hier werden maar liefst drie verledens tegelijk bedolven, in dit toverlandschap van de orgiastische arbeid werd de geschiedenis ondergespit als een mol, een miljoen beelden per seconde, trams, modes, legers, bunkers, versperringen, muren, Vopo's, alles verdween onder de fundamenten van de tempels van de nieuwe machten, alweer was ik op ditzelfde plein terechtgekomen tussen iets dat veel meer betekende dan wat er op dat ogenblik zichtbaar was.

Ergens in een hoek stonden, als een opzijgeschoven decorstuk na een mislukte voorstelling nog een paar armzalige stukken muur. Wat was het geweest, een operette? een Wagner in modern kostuum? een stuk van Heiner Müller? Of toch nog werkelijkheid, waarvan de achtergebleven schim probeerde te rijmen op dat eenzame andere stuk waar ik in mei in Californië voor had gestaan?

Alweer huiverde ik, maar nu van de kou. In de verte zag ik het houten geraamte van de nieuwe koepel van de Rijksdag, een theatermaquette uit de Renaissance, en toen ineens, dwaas tussen al het geweld in, het plotseling verdwergde Hotel Esplanada, en op hetzelfde ogenblik verschrompelde ook in mij de herinnering. Hoe was het ook al weer geweest? En hoe kon het nu zo plotseling zo klein zijn?

Het stond vreemd ingebouwd tussen het ovale, glanzend oprijzende geweld van Sony. Ik probeerde me mijn eigen vergane werkelijkheid te verbeelden waarin ik ooit met een verdwenen geliefde meerdere winters dagen lang in dat gebouw had doorgebracht. Zij was zangeres, haar plaatopnames werden daar, in dat lege, uitgeholde gebouw gemaakt. De opnameleider kwam uit Keulen en was bij de Luftwaffe geweest en in zekere zin is hij daar nu weer bij, want zijn voeten beroeren deze aarde niet meer. Vanuit de ramen van het hotel had je een uitzicht naar alle kanten, en één keer had hij een van die kanten op gewezen, richting Führerhauptkwartier, waar hij, als ordonans vanuit Bordeaux, een bericht had moeten afleveren. Op het ogenblik dat hij de verzegelde enveloppe in de daarvoor bestemde bus wilde laten glijden had hij ineens een hand op zijn schouder gevoeld en oog in oog gestaan met Hitler zelf: “die Augen, nein, das könnst du dir gar nicht vorstellen.”

Nee, dat kon ik niet, ik had het al druk genoeg met wat zich op het lege, besneeuwde plein daar beneden afspeelde, de bewegende ets met mannen en honden tussen die merkwaardige, schuin gerichte stukken metaal die deden denken aan een vroege Mondriaan, het strand bij Domburg. Niet ver daarvandaan bevond zich de ruïne van het Bayerische Hof die toen net gesloopt werd, in mijn dagboek van die dagen heb ik daar nog een notitie over gemaakt: “een paar arbeiders zijn bezig met de sloop, gouden germaanse mozaïeken donderen naar beneden in de modder. Met wat regenwater veeg ik er een schoon en lees: 'Deutsche Frauen, Deutsche Treue, Deutscher Wein, Deutscher Sang Sollen In Der Welt Behalten Ihren Alten Schönen Klang'." Hier niet meer, denk ik. Daar liggen de dingen die aan iets vastzaten en nu nergens meer aan vastzitten. Vereenzaamde wc-potten, baden zonder kraan, kranen zonder bad, glazen waaruit nooit meer een Breslauer, een Nordhaufer of een Gotteuser zal vloeien, alles, laarzen, dirndl, obers, menu's, asbakken, trompetten, verpulverd, vergruizeld en ten hemel opgenomen, weg, en voor altijd. In een klein onaanzienlijk cafeetje daarnaast hangen twee menu's voor de ramen, ter herinnering denk ik. 1940 staat er boven, en welke gesneuvelde Messerschmidtjager of Ridderkruisdrager heeft het die dag gegeten: Geschmortes Kalbsherz, Westmoreland, mit Spinat und Schwenkkartoffels (100 gram Fleischmarke u. 100 gram Fett-marke, 1 Mark 65?) En dronken zij de 1938er Niersteiner Spiegelberg, Natur, erbij, zoals aangegeven? Het café zelf is gesloten, stoelen staan er onder het stof in houdingen alsof de laatste klanten zojuist naar het front zijn vertrokken, maar misschien, schreef ik toen, komen ze nog terug en begint alles weer opnieuw.

Nu, dertig jaar later, kan ik dit niet meer denken. Ik ben hier te vaak en te lang geweest, en weet dat wat er hier ook opnieuw begint, het nooit meer hetzelfde kan zijn. En toch, ook nu nog drijft die datum op die menukaart, dat ongelukkige jaar 1940, me terug naar mijn eigen verleden.

..........

Al te lang wil ik het er niet over hebben, maar al was mijn leven dan zeven jaar eerder begonnen, ik kan mijzelf niet aan mijzelf uitleggen zonder aan dat jaartal te denken, al was het maar omdat het begin van de oorlog - die pas over en voorbij zal zijn als iedereen die er zich nog iets van herinnert gestorven is - de eerste zeven jaar van mijn leven lijkt te hebben uitgewist, daarbij geholpen door iets dat ik pas onlangs ontdekt heb. Nu moet ik een paar zijwegen tegelijk inslaan, wat in het werkelijke leven niet mogelijk is, maar wat op het papier wel kan, wat waarschijnlijk de reden is geweest waarom ik schrijver ben geworden.

De eerste zijweg heeft met dat schrijverschap te maken. In de schaamteloze etalagecultuur waarin wij leven - in Duitsland misschien minder dan in Nederland of in Amerika - schijnt het intieme leven zich in het openbaar te moeten afspelen, schrijvers veranderen in hun eigen publieke enscenering die dan ook karaktervast moet worden volgehouden, we kennen hun persona beter dan hun boeken, want zo goed als een interviewer het opschrijft kunnen zij het zelf nooit, de verborgen kern van hun wezen wordt niet meer geheimzinnig getransformeerd in de wonderlijke en heilige leugens van de fictie, maar vloeit ongefermenteerd van het glazen scherm duizend huiskamers in van mensen die hun boeken nooit zouden of zullen lezen. Deze omweg dient er toe om te zeggen dat ik vind dat men maar met mate over zichzelf kan spreken.

Daarmee kom ik meteen op de tweede omweg, die van mijn merkwaardige gebrek aan geheugen. Nabokov kon zijn geheugen nog bevelen om te spreken - Speak Memory is tenslotte een imperatief, of op zijn minst een op imperatieve wijze geuite smeekbede - maar bij mij heeft zo'n bevel geen enkel effect - het geheugen zegt eenvoudigweg niets terug. Augustinus heeft het over het paleis van het geheugen waarin men rond kan dwalen en van allerlei schatten terugvinden, welnu, bij mij blijft dat paleis gewoon dicht, ik mag er niet eens in. In de grote roman van Proust is een van de kernmomenten dat hij, later in zijn leven, een bepaald koekje in zijn thee doopt. Op datzelfde ogenblik vliegt er, om in de termen van Augustinus te blijven, een kamerdeur in het paleis open. Nabokov schrijft in zíjn laatste grote roman Ada, dat hij daartegen is: hij is tegen de mémoire involontaire, de onwillekeurige herinnering: de deuren van het paleis moeten geforceerd worden, herinneren is een daad, er moet voor gewerkt worden. Maar ook dat werkt bij mij niet, flarden, schimmen, fragmenten dat is alles wat ik achter de vervuilde of gebroken ramen van mijn palazzo, dat overigens in een landstreek schijnt te staan waar het altijd halfdonker is, kan waarnemen.

In mijn primitiviteit heb ik altijd gedacht en beweerd dat dat door de donderende klap van die eerste oorlogsdag gekomen is, een verdoving die zich zowel naar voren als naar achteren uitstrekte, een gat waarin kinderboeken, vriendjes, onderwijzers naamloos zijn weggezogen, maar sinds kort weet ik dat het misschien niet alleen de Heinkels en Stukas van die eerste dagen, en ook niet het ver aan de horizon brandende Rotterdam waren die daar de oorzaak van waren. Eind oktober is er in Den Haag, mijn geboortestad, een tentoonstelling geopend over mijn leven en werk. Daarbij hoorde, zeer tegen mijn zin, ook een speurtocht in mijn verleden, die uitgevoerd werd door een zeer grondig iemand, die al meteen in het begin aankwam met het feit dat wij in die crisisjaren voor de oorlog - ik ben van '33 - maar liefst zeven keer binnen de stad verhuisd waren. Mijn moeder, die nog leeft - ze is 87 - ontkende dat heftig, maar moest zich tegenover de uittreksels uit het bevolkingsregister gewonnen geven.

..........

Daarna kwamen de oorlogsjaren, chaos, de scheiding van mijn ouders, evacuatie, hongerwinter, de dood van mijn vader bij een Engels bombardement, om het kort te houden - zo krijg je een paleis wel dicht. Pas later, toen ik een zekere macht over mijn eigen leven kreeg heb ik er een vleugel aangebouwd waar ik wel toegang toe heb, anders zou het leven, en dus het schrijven, onmogelijk zijn geworden - maar het hoofdgebouw blijft gesloten. Nooit zal ik, zoals Borges, kunnen vertellen welke boeken ik als kind in de bibliotheek van mijn vader las, of zoals Proust over de lange gesprekken met mijn grootmoeder berichten, of zoals Nabokov de eigenaardigheid van mijn Franse gouvernante hilarisch uit de doeken doen, niet alleen omdat mijn vader geen bibliotheek had, omdat mijn beide grootmoeders al gestorven waren voor ik ze kende, en omdat degene die je alleen maar met een overdosis goede wil als gouvernante zou kunnen betitelen er midden in de oorlog met mijn vader vandoor was gegaan, maar ook en vooral omdat er door een vernietigende kracht van buiten iets radicaal en voorgoed was uitgewist, waardoor ik met lege handen achterbleef.

Ik vertel dit niet om ook maar een gram medegevoel op te wekken, want daar heb ik geen behoefte aan. Het heeft mij de mogelijkheid gegeven om reizend en denkend zelf een leven te verzinnen en daarbij nog iets anders, het heeft mij opgescheept met een fascinatie voor verleden, voor verdwijning, voor vergankelijkheid, voor memoires en ruïnes, voor de oudheid, voor alles wat samengevat wordt onder het woord geschiedenis.

En deze hele geschiedenis, want ook die persoonlijke verhalen die maar een heel klein deel uitmaken van de geschiedenis heten geschiedenis, heb ik verteld om uit te leggen waarom deze stad, die waar wij nu zijn, mij zo buitensporig gefascineerd heeft en fascineert. Ik heb het gevoel dat hier, op een oneindig veel grotere schaal, en met gruwelijke gevolgen voor het lot van zoveel mensen, op de een of andere manier hetzelfde gebeurd is als met mij, dat de ruïnes en de gaten die ik hier die allereerste keer aantrof mij iets wilden zeggen dat ik toen nog niet werkelijk begreep, namelijk in eerste instantie niets.

VERVOLG OP PAGINA 18 VERVOLG VAN PAGINA 17

Over het niets wilden al die gaten, die leegtes, die afwezigheden het met mij hebben, over een vernietigde stad, omdat in het woord vernietiging het woord niet en het woord niets liggen opgesloten, omdat al deze leegte en afwezigheid tenslotte waren voortgekomen uit het drijven van een man die in de jaren twintig een boek geschreven had waarin helder en duidelijk de vernietiging van een volk als programma stond opgeschreven. Een plaats voor het niets bouwen, dat is iets wat alleen de kunst kan, maar het gebouwde niets krijgt zijn lading nu juist door wat er niet is, en wat er niet is, is dat wat er geweest is, in het onaanraakbare afwezige wordt wat er ooit aanwezig was herdacht.

Dit alles kan men alleen maar met schroom uitspreken omdat het zo geheimzinnig is. Bij mijn eerste bezoek aan Berlijn kon ik nog niet zo denken. De werkelijkheid had aan het boek van die man verdergeschreven, en dat zag er uit als een orgie van vernietiging, de nacht na de dodendans. Het smaakte nog steeds naar oorlog, het leek een voortzetting van wat ik als kind gezien en gehoord had, en tegelijkertijd was er een nieuw element bijgekomen, een scheur die door de wereld liep en die hier meer dan ergens anders zichtbaar was als een versteend hartinfarct alsof het weer Berlijn was dat het op zich moest nemen de wereld iets duidelijk te maken, de uiterste consequentie van Jalta, dat zelf weer de uiterste consequentie was van de vernietigingswil die van hier was uitgegaan.

Dat ik mijn reis maakte met twee oudere vrienden die beiden in Dachau gezeten hadden droeg bij aan het apocalyptische karakter van die eerste ervaringen, ook al omdat het teken van de nucleaire dreiging in die dagen - nu schijnt hij lichtzinnig vergeten te zijn - als een pestwolk boven ons hing. Nee, de vijftiger en vroege zestiger jaren waren misschien niet de meest aantrekkelijke periode om jong in te zijn. Ik had Boedapest 1956 al gezien, ik wist dus al wat onmacht en verraad was, nu zag ik de praktijk van de leer die zoveel vrienden vol hoop aanhingen terug in zijn Duitse gestalte, en zo verkeerde ik in een algehele wirwar van gevoelens en ervaringen die gelukkig getemperd werd door de cynische kamphumor van mijn vrienden, en de verbijsterende manier die ze gevonden hadden om met hun herinneringen om te gaan.

Misschien zal het wel nooit meer voorkomen dat in één taal twee zulke verschillende maatschappelijke en politieke filosofieën in praktijk worden gebracht, dat wil zeggen niet alleen in de vorm waarin ze altijd al bestonden, pamflet, essay, krantenartikel, maar nu ook als wetstekst, verordening, oordeel, regeringsverklaring, schietbevel, waarschuwing, hoofdartikel van partijkrant, geheim rapport. De gezamenlijke, geërfde taal is een gespleten taal geworden, uit dezelfde taal ontstaat een andere taal, de taal wordt tweetalig en legt daarmee haar fundamentele dubbelzinnigheid bloot, een les voor latere tijden.

Dat alles kon ik misschien toen wel voelen, maar nog niet denken, ik had het te druk met de rest van de wereld. Mijn eerste reizen, zo op mijn achttiende denk ik, gingen naar het Noorden, landen van een grote helderheid, maar ook van twijfel en melancholieke beklemming, het monsterverbond van luciditeit en levensangst, dat de films van Bergman beheerst, die mij tot nu toe bezighouden. Maar mijn eigen terrein was het zuidelijke, de middellandse zee, de Provence, de theatraliteit van Italië, de verblindende schittering van de Spaanse hoogvlakte waar het licht fata morgana's tovert die de fantasie alle kans laten, en die de duisternis van die jaren na de oorlog leken te kunnen verjagen.

Nederland lag toen, net als Duitsland, in een grauwzone, ik herinner me die jaren voornamelijk als grijs. Op mijn terugtocht van die eerste liftreis naar het hoge Noorden was ik - en dat was de eerste keer - door Duitsland gekomen, de flarden die mijn gebrek aan herinnering me toewerpt tonen kapotte wegen, ingestorte wijken, de baldadige, fantasieloze uniformiteit van de wederopbouw, en als ik scherper instel zie en hoor ik een verlaten, nachtelijk spoorwegemplacement met rangerende locomotieven waar ik een traumatisch afscheid neem terwijl een stem uit een luidspreker onbegrijpelijke mededelingen doet in de taal waaraan ik nog niet kon wennen, een taal die alweer weigerde om op zichzelf te lijken, die niet dezelfde taal wilde zijn als de taal van de gedichten van Goethe en Rilke die ik op school geleerd had.

Niet lang daarna had ik in Nederland misschien wel veel te vroeg een roman gepubliceerd die in zijn illusionisme ver afstond van het messcherpe realisme dat in die naoorlogse jaren aan de orde was. Maar daarmee had ik dan ook alles gezegd wat ik te zeggen had, ik was plotseling een schrijver want ik had een boek gepubliceerd, maar ik was het geworden zoals een zwaan of een vleermuis geboren worden, dat wil zeggen zonder daartoe een uitdrukkelijk verlangen te hebben uitgedrukt.

Zwanen en vleermuizen hebben het wat dat betreft makkelijker, die hebben het Kantse apriori al in hun vleugels, maar ik wist niet beter te doen dan maar weer op reis te gaan om de kennis te vergaren die bij het eigenaardige beroep hoorde dat mij had uitgezocht, en dat ik in een nieuwe roman van mij af probeerde te schudden door de hoofdpersoon, een schrijver natuurlijk, zelfmoord te laten plegen, al was het maar, denk ik achteraf, om het zelf niet te hoeven doen, en zo reisde ik, min of meer als de overlevende dubbelganger van mijzelf, naar Bolivia en Mali, naar Colombia en Iran en al die landen van de zogeheten derde wereld waar ik het vervormde, gespleten spiegelbeeld van mijn eigen wereld terugvond, in militaire dictaturen en pseudodemocratieën en die verdere varianten die allen op de een of andere manier familie waren van de grote splijtzwam die Europa en Duitsland verdeelde, tot het jaar kwam dat de gewelddadige fictie ontplofte en de kaarten van schijn en werkelijkheid opnieuw gerangschikt moesten worden.

Dat jaar was 1989, en alles wat er dat jaar gebeurde maakte ik niet mee als toevallige bezoeker, maar als inwoner van Berlijn. Ik was dan wel geen Duitser, maar wel degelijk een Europeaan, en hier werd niet alleen een land weer aan elkaar geklonken, maar als het goed was een heel werelddeel. Ooit, in 1962, een jaar waarin Duitsland alweer 45% van de europese productie voor zijn rekening nam, had ik Adenauer en De Gaulle op een balkon in Stuttgart zien staan, een wonderlijk paar, ouder dan de eeuw zelf.

De Gaulle had die merkwaardig lange armen in de lucht gestoken en geroepen “ez lebbe doizlaant! es lebbe die doitzfranzeuzische vreundzjavt!!” Hij was begonnen aan het grote weefsel van de Atlantische oceaan tot aan de Oeral - op een van de kruiswegstaties op de weg daarheen zou Willy Brandt knielen in Warschau, en nog later zouden Mitterand en Kohl hand in hand staan op het slagveld van Verdun om ook daar voorgoed de oorlog te begraven. Maar oude angsten worden niet zo makkelijk begraven, niet in Moskou, niet in Parijs, en niet in Londen, laat staan in die andere, kleinere landen in de schaduwen van dat ene grote rijk van het midden. De vraag die iedereen in die dagen bezig hield, en met iedereen bedoel ik misschien juist nog het meest de Duitsers zelf, was: wat voor land zijn wij nu bezig te worden?

Studenten vroegen mij bij lezingen “bent u niet bang voor ons?” Nee, dat was ik niet, maar het hield mij wel bezig dat zij kennelijk dachten dat dat eigenlijk moest, alsof ze nog steeds hun eigen land niet vertrouwden. Intussen holden de gebeurtenissen achter elkaar aan. Gorbachov kwam naar Berlijn en gaf Honecker de kus die diens ondergang zou worden en tegelijkertijd niet veel later het einde van zijn eigen glorie, Modrow, de Maiziere, Krenz, iedereen suisde voorbij in zijn kortstondige rol van staatsman, het geld smolt in elkaar, de twee talen die weer één moesten worden, beten hun tanden stuk op elkaar, de euforie vervloog en nu ontstond er zoiets als een huwelijk van mensen die elkaar alleen maar door een advertentie hebben leren kennen maar hoe dan ook niet van elkaar afkunnen.

Plotseling had ik het gevoel dat mij de rol van voyeur werd opgedrongen, ik hoorde dingen die ik helemaal niet wilde horen, nu moesten weer een paar generaties spitsroeden lopen door de kou van de herinnering en die anderen, die er met maar één verleden zoveel beter waren afgekomen, stonden erbij en keken ernaar alsof dat woord eenheid dat al die jaren als een heilig embleem in hun grondwet gestaan had nooit bedoeld was geweest om werkelijkheid te worden.

De onafwendbare loop der geschiedenis is een religieus idee waarin ik niet geloven kan. Er zijn altijd te veel inponderabilia, te veel irrationaliteiten, fanatici, wereldverbeteraars, honden met rabiës die plotseling uit een hok te voorschijn komen. Die opereren dan wel in een gegeven krachtenveld, maar in een wereld die geestelijk en materieel niet meer synchroon loopt, waar de vernietigingskracht al bijna binnen het handbereik van individuen is komen te liggen, en de dood van liefst vele anderen een van de goekoopste commodities is geworden, kun je nergens meer zeker van zijn. Aan het eind van een honden-eeuw is de grondstemming er een van onbehagen, niet ongelijk aan die aan het eind van het eerste millenium.

Nog een keer, nee, nog twee keer Berlijn. Na 1989 ben ik gebleven en weer teruggekomen. Ik schreef aan mijn Berlijnse notities, reisde door Oost en West, waardoor het eerder Duitse notities werden, las over de geschiedenis en las daardoor veel wat ik tot dan toe niet had geweten, en maakte nieuwe vrienden, iets wat op mijn leeftijd niet meer zo makkelijk gaat. Kortom, ik voelde me goed in Berlijn, en ook in de jaren daarna kwam ik regelmatig terug.

Toch waren er dingen waarover ik me verbaasde. Ik geloof dan wel niet in de onafwendbare loop van de geschiedenis, maar wel in zoiets vaags als het soortelijk gewicht van landen en een zekere natuurlijke gang van zaken. Het leek mij natuurlijk dat Duitsland weer één land werd - zoals het mij ook natuurlijk leek dat dat veel moeite zou kosten.

Daarbij leek het mij al even natuurlijk dat Berlijn de hoofdstad van dat ene land zou worden en dat dat verenigde Duitsland, dat zich in de laatste vijftig jaar tot een moderne Europese democratie had ontwikkeld en dat zich blijkens een niet aflatende stroom van publicaties door een steeds toenemende herinneringsarbeid met zijn noodlottige verleden had beziggehouden, nu zijn plaats tussen de andere landen van Europa zou innemen.

Maar in Duitsland zelf hoorde ik andere geluiden, geluiden die de nieuwe medeburgers belachelijk maakten, die natuurlijk ook iets terug te zeggen hadden, en ook geluiden die zich in zoverre aan het soortelijk gewicht van het eigen land wilden onttrekken door te weigeren militairen te sturen naar Europese en andere vredesmissies hetgeen een van mijn bittere landgenoten de uitspraak ontlokte: “Zo is het nu altijd daar - als je ze niet uitnodigt komen ze, en als je ze vraagt om mee te doen komen ze niet.”

Wat de andere mensen die om mij heen staan bij die grootste bouwput van de wereld denken weet ik niet, maar bij mij komen weer die woorden boven die ik destijds opschreef aan het eind van mijn Berlijnse Notities, in 1990: “Ik weet dat ik van dit smeltende land afscheid nemen moet, maar ik kan het nog niet, er is te veel unfinished business, er klitten nog beelden en zinnen in mijn gedachten. Johann Georg Hamann zag in geschiedenis “cijfers verborgen tekens, hiëroglyphen van God.” Of ze van God zijn weet ik niet, maar na al die maanden voel ik me verstrikt in die tekens, het zijn, zoals in Dresden of Potsdam, littekens op een levend organisme. Duitsland is niet af, het is oeroud maar het wordt nog steeds gemaakt, dat dubbelzinnige maakt het fascinerend. Herder heeft het over naties “die de karakteristiek hebben van personen”, en als je daarin meegaat zou je kunnen zeggen dat de personen van Frankrijk en Engeland af zijn, volwassen, we kennen ze. Maar kennen we Duitsland? Kent het zichzelf? Weet het wat het wil worden als het groot is?

De laatste tijd hoort men vanuit dit land vrijwel alleen nog geluiden over oneindige vermoeidheid, een zacht jammeren en defaitistisch klagen vanaf de bodem van de heilige spaarpot. Plotseling gaat het niet meer om ideeën, maar uitsluitend nog over geld, niet om een van de grootste avonturen uit de Europese geschiedenis maar over de angst voor de buren die gepoft hebben bij de kruidenier, het gaat niet meer over het Europa van Erasmus en Voltaire, van Tolstoi en Thomas Mann, van Rembrandt en Botticelli, van Hegel en Hume, nee, het gaat over zoveel grotere gezichtsloze geesten als 3 komma 0, 3 komma 1, en de satanische 3 komma 2, waarachter die politici zich verbergen die for reasons of their own Europa niet willen, nog niet willen, of nooit willen. Een kind begrijpt, en zeker in deze stad begrijpen alle kinderen dat, dat er criteria moeten zijn, maar door het hele idee van Europa, waarover jarenlang door dikwijls dezelfde mensen zo lyrisch gedaan is, nu terug te brengen tot abstracta achter de komma, heeft men met de demagogie van de nuchterheid elk enthousiasme van de burgers onder de as bedolven.

As is, zoals u weet, geen vitaal beginsel, maar past precies bij het zachte geweeklaag waar ik het eerder over had. Ooit heeft men vanuit dit werelddeel de rest van de wereld ontdekt. Als de Europeanen van toen net zo lang gerekend hadden als die van nu schijnen te moeten waren ze allemaal thuisgebleven. Maar dan had er ook nooit een stuk van die muur in Los Angeles gestaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden