Hier ligt een opgewekt man

Graven van schrijvers zwijgen niet, maar spreken. Zij roepen een leven en een oeuvre in herinnering en spreken zacht jes tot de verbeelding- voorbij de laatste woorden. Een serie. Vandaag: het graf van Godfried Bomans.

De Sint Adelbertsbegraafplaats in Bloemendaal is niet aan de Verbindingsweg 38 te vinden, zoals in het telefoonboek staat. Op die plaats staat een huis in een gewoon straatje. Toch maar even aangebeld. Een oude, maar kwiek ogende man doet de deur open. Als zij horen voor wie we komen, slaakt hij een diepe zucht. Hij is jaren de secretaris van het bestuur van Sint Adelbert geweest, en door een misverstand bij de PTT staat zijn adres in het telefoonboek, in plaats van dat van de begraafplaats. Toch wil hij ons graag helpen. ,,Een ogenblik.' Hij loopt naar achter, en zijn vrouw fluistert hoorbaar: ,,Heeft hij een kruis?' ,,Nee', antwoordt hij, ,,hij heeft een steen.' Wapperend met een lijst komt de oude man weer naar de deur gelopen. ,,Godfried Bomans! Graf E 123.'

In de schaduw van de hoge, oude bomen rusten de graven op zacht glooiende heuvels. Kruizen én stenen. Een groot beeld van Christus heft beide armen, maar is één hand kwijt. ,,Ressurexi', spreekt Hij, ,,et adhuc te cum sunt alleluja.' Bomans blijkt zich nog steeds te verstoppen. Totdat een dame van de begraafplaats ons bij hem brengt: ,,Bomans? Die heb ik gisteren toevallig nog schoongemaakt. Hij heeft een abonnement.' Om zijn sobere, schoongeschrobde plaat van natuursteen zijn verse plantjes in de grond gezet. De zon laat, gefilterd door de bladeren van de bomen, de letters van zijn naam glinsteren.

Hier verzamelden zich op vrijdag 24 december 1971, een dag voor Kerstmis, honderden mensen om Bomans de laatste eer te bewijzen. Schrijvers, tv- en radiomensen, familieleden, vrienden. ,,Na de begrafenis', schreef Carmiggelt in zijn Kronkel in Het Parool, ,,hebben we ons met een paar vrienden van hem in de drank gestort, wat te voorzien was.' Twee dagen tevoren was Bomans tot verbijstering van iedereen, net als zijn held Charles Dickens, op 58-jarige leeftijd aan een hartaanval gestorven. Op de avond van zijn dood, vertelt Herman van Run in 'Herinneringen aan Godfried Bomans', had de schrijver nog een potje geschaakt in de Bloemendaalse schaakclub. ,,De laatste schaakpartij was hem zwaar gevallen. Tot twee keer toe bood hij vergeefs remise aan. Hij had de boord van zijn overhemd losgemaakt, zijn das afgedaan. En ineens was hij weg, naar huis.'

Met een drukkend gevoel op de borst en panisch van angst was Bomans rond middernacht thuisgekomen in zijn grote Bloemendaalse huis aan de Parklaan. Zijn vrouw Pietsie was toevallig nog wakker geweest en had onmiddellijk de dokter gebeld. Maar zijn komst, en die van een collega, had niet meer mogen baten. Van Run, bevriend met het echtpaar, was naar het huis gegaan, een uur nadat Bomans was overleden: ,,Hij lag op de antieke zitbank en was dood. Zijn hoofd op de armleuning met een paar kussens eronder om het te steunen, zijn grote mooie handen over elkaar geslagen. Hij had de kleren van die dag nog aan, zijn borst was voor een deel ontbloot. Onbegrijpelijk. En geen gedachte, geen woord dat kon helpen. Pietsie zei inverdrietig de enige juiste dingen: 'lieve jongen, arme jongen'.'

Toen hij stierf was Bomans op het hoogtepunt van zijn roem. Hij was niet alleen de meestgelezen schrijver van Nederland -van 'Erik, of het klein insectenboek' en 'Memoires of gedenkschriften van mr. Pieter Bas' werden in totaal meer dan twee miljoen exemplaren verkocht- maar vooral ook een beroemde televisiepersoonlijkheid. ,,Zo is Godfrieds dood aangekomen in Nederland', schreef Harry Mulisch, die Bomans uit Haarlem kende en met hem bevriend was. ,,Niet als de dood van een schrijver, maar als de dood van een huisvriend die in alle gezinnen een geziene gast was, terwijl hij zelf alleen een koude lens zag, onafgebroken op hem gericht.'

Bomans was opgegroeid in een groot, rijk en rooms gezin. Zijn vader was een belangrijk man in de Katholieke Volks Partij. Het geloof had de kleine Godfried, naar eigen zeggen, haast verpletterd. ,,Je krijgt op een dag een kapelaan voor je neus, en die zegt: de hel duurt ééuwig. Dat is voor een kind een mededeling waar hij nooit overheen komt. Eeuwig branden. Godnogantoe.'

Bomans vervloekte die kapelaan nog altijd, maar zwoer het geloof nooit helemaal af. ,,Het besef', vertelde Bomans in een interview, ,,dat als ik het evangelie lees (wat ik veel doe) ik dan heel stellig de zekerheid heb: dit zijn woorden van jenseits. Het is geen mensenwerk, dat voel ik heel sterk en dat is het enige wat ik heb.'

Zijn broer Arnold, die priester geworden was en de begrafenisplechtigheid op Sint Adelbert leidde, vertelde dat Godfried zich altijd was blijven afvragen of het hiernamaals bestond. Hij twijfelde. ,,Toen mijn moeder', sprak Arnold, ,,zaliger nagedachtenis, in 1955 plots aan een hartinfarct stierf en Godfried over haar ontzielde lichaam stond gebogen, sprak hij slechts deze woorden: 'Zij weet het nu'.'

Voor zijn diepgewortelde twijfel schaamde Bomans zich overigens geen moment. Waarom zou hij? Het leven is nu eenmaal 'balanceren op de afgrond'. Dixit Bomans. Tegen Michel van der Plas zei hij: ,,Ik heb een Erasmus-positie. Ik luister en hoor van de ene zowel als de andere partij goede dingen en geef ze weer, maar onafhankelijk. Dat is ook tegen Erasmus ingebracht: hij is hom noch kuit. Dat schijnt wrevel te wekken: dat hij zich niet laat indelen. In zijn eigen tijd werd hem dat ook al verweten. Hij gold en geldt als een slappe Tinus, die geen partij koos. Die Tinus wil ik zijn. Een merkwaardig ideaal. Uniek. Uniek in zijn tragiek. Hij kwam er niet uit en aanvaardde zulks als zijn état d'âme.'

Deze filosofische, ernstige kant bezat Bomans zonder twijfel, al ging die hand in hand met een wonderbaarlijk gevoel voor humor. Dat was wat al die duizenden lezers in zijn boeken -en zijn openbare optredens- vooral zo aansprak. Zijn aanstekelijke, lichte toon.

Zo toont de Dood zich in zijn verhaal 'De dood van een sprookjesverteller' niet hardvochtig, maar vriendelijk. Bijna teder. Bomans vertelt in dat verhaal dat de sprookjesverteller bidt om eindelijk eens een echte kabouter te zien. De kabouter vertoont zich niet, maar wel de Dood, waaraan de sprookjesverteller zich rustig overgeeft. Als de Dood de sprookjesverteller aan de voeten van God legt, vraagt Hij: ,,Wat was zijn laatste gedachte?' ,,Hij wilde een kabouter zien', antwoordt de Dood. ,,Dat is een zeer goede gedachte', zeide Hij. ,,Laat hem derhalve binnen.'

,,Laat hem derhalve binnen. Ik zou geen beter grafschrift weten dan dit', schreef de columnist Dagboekenier in de krant. Toch had Bomans zelf al eens iets anders geopperd. Toen een letterkundig jaarboek hem om een bijdrage vroeg, schreef hij in een briefje: ,,In het algemeen ben ik van mening dat onze literatoren te neerslachtig zijn. Het mooiste grafschrift is dit: hier ligt een opgewekt man.'

We geloven hem op zijn woord.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden