Hetty Blok

Hetty Blok (Arnhem, 1920) is cabaretière, actrice, zangeres en oerzuster Klivia uit ’Ja zuster, nee zuster’. Ze wordt gezien als de ultieme vertolkster van de liedjes van Annie M. G. Schmidt. Ter gelegenheid van haar negentigste verjaardag bracht uitgeverij Rubinstein ’Doe wat je ’t liefste doet’ uit: boek, cd en dvd.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Mijn ouders hebben mij nooit godsdienstig beïnvloed. Ze stuurden me naar een vrijzinnige zondagsschool, waar ik vrolijk ’Kind’ren van één Vader, reikt elkaar de hand!’ heb meegezongen. Die vrijzinnigheid was overigens wel een twistpunt in de familie. Mijn ouders komen allebei uit Zeeland – ik ben een volbloed Zeeuwse – en de familie van mijn vader was Nederduits Hervormd, op het Gereformeerde af. Ze vonden mijn moeder wuft. Wij woonden in Arnhem en mijn ouders hadden een abonnement op de schouwburg. Nou, dat kon natuurlijk niet. Toen ik een keer op een zondag te laat bij de kerk kwam, kreeg ik een reprimande van mijn tante: ’Je bent net je moeder, die zit ook liever bij de komedie.’

Ik geloofde wel in God, dat wil zeggen, in het idee dat er iemand was die alles hoorde en alles zag. Daar is nog een stukje van over, iets mysterieus, iets oerachtigs. Weet u wat ik het allerergste in het leven vind? Knaapjes! Klerenhangers. Die spreek ik ook regelmatig toe: ’Haken jullie toch verdomme niet zo in mekaar!’ Alsof ze verliefd zijn, alsof ze een ziel hebben. Ik vind het pantheïsme wel een aardige gedachte: in alles zit iets goddelijks.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„In het begin zullen ze televisie in Zeeland ongetwijfeld als een duivelse uitvinding voor het verspreiden van gesneden beelden hebben gezien, maar ik was al 31 toen ik in 1951 meewerkte aan de allereerste uitzending – ’Toverspiegel’ – en ik had met die gelovige achterban niets meer te maken. Overigens zullen niet veel mensen hebben gekeken; er waren haast geen televisies. Je had alleen experimentele televisie in Eindhoven en Erik de Vries was de enige Nederlander die er iets van af wist. Er waren ook nog geen televisieregisseurs. Iedere omroep had een meneer naar Engeland gestuurd om een cursus van drie maanden bij de BBC te volgen. Daarna was je het gewoon. Dus stonden ze daar op een rijtje, de gediplomeerde regisseurs, terwijl ik samen met de oude acteur Daan Hooikaas voor de camera’s liep. Willy van Hemert had een scène geschreven die in het jaar 2000 speelde en hij had gedacht dat we dan allemaal in plastic overalls zouden rondlopen. Wat moest ik aan? Hans Snoek, de vrouw van Erik de Vries, was ballerina en bracht uitkomst met een balletmaillot en bovenstuk. Ik zag er keurig uit, maar door de hitte van de lampen ontstond er zoveel condens in dat ding dat ik er net zo goed naakt onder had kunnen zitten. Daan Hooikaas, herinner ik me, was erg nerveus. Hij had, net zoals ik nu, van die oordoppen en deed ze steeds aan en uit waardoor hij me vaak niet kon verstaan. Het is een lang verhaal, maar op een gegeven moment moest hij door een luikje, waarachter een soort buizenpostsysteem schuilging roepen: ’Ik heb mijn pincet vergeten. Gooit u het maar in het floepcircuit!’ Maar hij zei: ’Gooit u het maar in het floepwirksiet!’ Ik zei: ’Meneer, ik neem aan dat u het hebt over het floepcircuit!’ De regisseurs riepen: ’Wat ben jíj brutaal!’ Ik zei: ’Ik moet toch de situatie redden? Wie weet er nou wat een wirksiet is?’

Dat is, denk ik, altijd mijn sterkste kant geweest: concentratie. Daarom ben ik een goede premièrepoes; omdat ik altijd op scherp sta. Het was wel een bijzondere ervaring, een kick om het begin te hebben meegemaakt. We hadden natuurlijk geen idee, het was allemaal nog in statu nascendi, maar als de verwachting was dat televisie iets overweldigend cultureels zou worden dan moeten we nu toch constateren dat die belofte niet helemaal is ingelost.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Ik formuleer zorgvuldig. Ik begrijp ook niet waarom mensen het orgaan van de dames waar heren het meeste plezier aan beleven gebruiken als uiting van een immens gevoel van afkeuring. Voor het ijdel gebruik van Gods naam geldt hetzelfde: het heeft niets meer met het begrip zelf te maken‿ o, weet u wat me nu te binnenschiet? Iets wat die enige Herman Finkers in zijn laatste programma vertelde. ’Het eerste waar ik aan denk als ik ’s morgens wakker word,’ zei hij, ’is: ik heb zin om mijn vrouw eens flink bij de boezem te pakken.’ Toen hij later een paar dagen in een klooster was – Herman is goed katholiek, hij is er helemaal van vervuld en hij méént het ook nog – zeiden de monniken tegen hem dat het zondig was om zoiets te denken. ’U moet het eerst aan God denken,’ zeiden ze. ’Sinds die tijd’, zegt Herman, ’denk ik iedere ochtend: God, wat heb ik zin om mijn vrouw eens flink bij de boezem te pakken.’ Haha! Vindt u dat niet briljant? Kom, doe me nog eens een gebodje.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Dat is in mijn vak, met matinees, avondvoorstellingen en dergelijke onmogelijk. Nee, ik ben geen workaholic, nooit geweest. Toen mijn kind werd geboren ben ik gewoon, ouderwets, achttien jaar thuis gebleven. Ik ging wel eens om vijf uur ’s middags de deur uit om een voorleesprogramma te doen. Eerst las ik Annie Schmidt, Simon Carmiggelt en Godfried Bomans, later deden die eerste twee zelf mee. Annie begon, daarna kwam Simon die aan het eind zei: ’En nu komt Hetty Blok. Ze leest Godfried Bomans. Dan kunt u horen hoe het moet.’ Na een tijdje ging Annie Flip verzorgen, daarna hield ook Simon het voor gezien en heb ik nog een tijdje met Jules de Korte getoerd. Het was een mooie tijd, ik vond het heerlijk om mijn zoon te zien opgroeien – Victor was zo’n verrukkelijk kind, altijd zonnig, nooit zeuren – maar toen hij achttien was, zei hij: ’Mam, ik wil graag dat je weer gaat spelen.’ En dat ben ik toen weer gaan doen.”

V Eer uw vader en uw moeder

„Mijn ouders waren zeer beschaafd, maar‿ ik wil graag dat u dit even zorgvuldig opschrijft‿ ze kibbelden veel. Dat had ook weer met die familieverhoudingen te maken. Kijk, je hebt de landbouwers-Blokken en de professoren-Blokken, dat is de tak van Dieuwertje. Mijn vader was een boeren-Blok, één van negen kinderen. Zijn familie was in kostuum, zijn moeder droeg een tupmusse, zo’n enorme Zeeuwse muts. Ze was nogal veeleisend. Ze stond er op dat haar kinderen op Tweede Kerstdag bij haar in Zeeland kwamen. Mijn vader was de Eerste Kerstdag thuis, maar daarna ging hij – tot grote ergernis van mijn moeder – naar zijn familie. Bleven mammie en ik achter bij de kerstboom. De boom die overigens, tijdens een eerdere ruzie, nog eens is omgevallen. In die strubbeling haalde mijn moeder per ongeluk met haar nagel de wang van mijn vader open en enfin‿ ik was drie jaar en ik kon niets anders bedenken dan heel hard gaan staan stampvoeten. ’Het kind! Het kind!’ riepen mijn ouders en ze werden weer kalm.

Ze bleven bij elkaar, dat deed je in die jaren. Nou goed‿ ja, u hoort me een beetje haperen‿ wilt u wel vermelden dat we van elkaar hielden? Ik heb een geweldige opvoeding gehad, de beste scholen en zo, maar het was gewoon niet altijd even makkelijk. Ik mocht niet zo veel. Dat is onder meer de Zeeuwse invloed, denk ik: sober, streng, geen complimenten omdat je anders wel eens ijdel zou kunnen worden. Daar kwam bij dat ik nogal mager was. Mijn moeder noemde mij konijn en geit. Daar moet ongetwijfeld ook genegenheid achter hebben gezeten, ik heb er niet echt onder geleden, maar ik vrees dat ik in mijn jeugd wel een inferioriteitsgevoel heb opgelopen. Ik was verschrikkelijk verlegen. Onzeker over mijn uiterlijk – tot mijn zeventiende zo plat als een dubbeltje – zeer kritisch tegenover alles en iedereen. Ik had vooral veel zelfkritiek. Maar hoor eens, nu houden we er over op.”

VI Gij zult niet doodslaan

„Ik heb de oorlog meegemaakt en ik vond het toen helemaal niet erg dat verzetsmensen moffen en verraders doodschoten. Als je bedenkt wat die nazi’s allemaal deden‿ net zo lang met een man aan een touw achter de auto over het Rembrandtplein rijden tot er niks meer van hem over was, kinderen van hun moeders afpakken om ze vervolgens dood te slaan tegen een muur‿ de onmenselijkheid is onbeschrijfelijk‿ Het was een verschrikkelijke tijd. Ik heb me zó benauwd gevoeld. Wij hadden drie jaar lang een joodse onderduiker en‿ nee, misschien moeten we dit maar niet schrijven, ik wil niet de indruk wekken dat we onszelf op de borst wilden kloppen en – wel doen? Goed, vooruit... hij heette Jonas van Praag en hij was de broer van Siegfried van Praag, de schrijver. Er stond ’Van Paasen’ op zijn vrij slordige persoonsbewijs. Hij was hispanist, een echte huiskamergeleerde met een dikke buik. Op zijn 45ste zag hij er al uit als een oude man. We woonden in Utrecht en op de fraaie zolder waren twee dienstbodekamertjes. Ik sliep in het ene, hij in het andere. In de ruimte tussen die kamertjes had moeder een paar fauteuiltjes neergezet en een soort metalen piëdestal met een Clivia erop. Meneer Van Paasen zat de hele dag te vertalen. Mijn vader was bang dat hij dicht zou groeien en wilde dat hij in beweging bleef. Omdat er niet veel Duitsers in Tuindorp waren, konden mijn vader en ik om beurten ’s avonds na achten even met hem wandelen. Ik heb altijd gezegd dat ik niet bang ben geweest, maar ik weet nog hoe ik jaren later, toen ik me voor de geest haalde hoe we daar liepen, ineens schrok van een man met een militair mutsje die het raam passeerde. Kennelijk heb ik daar niet zo rustig gelopen.

Natuurlijk wist je wel welke risico’s we namen, maar je dacht er niet aan. En later, na die heerlijke bevrijding, is alles zo’n beetje weggegleden in de tijd. Mijn man, die marinier was in Indonesië, heeft veel langer last gehouden van het verleden. Hij heeft onthoofde mensen gezien, zittend in een kuil, hij heeft kameraden zien doodbloeden. Die beelden raak je niet gemakkelijk kwijt.

Ik sta er nog steeds achter: die moffen moesten weg. Ik ben ook blij dat het ons is gelukt om meneer Van Paasen uit hun klauwen te redden. Het enige waarover ik later anders ben gaan denken, is het kaal scheren van de dames. Toen vond ik dat vanzelfsprekend. Inmiddels vind ik dat wel een beetje barbaars.”

VII Gij zult niet echtbreken

„Tib en ik zijn pas getrouwd toen Victor zijn geboorte aankondigde omdat we vonden dat hij zijn vaders achternaam moest dragen. Tot mijn mans grote ergernis werd hijzelf vaak meneer Blok genoemd. Ik heb hem wel eens horen roepen: ’Als die melkboer nog één keer meneer Blok tegen me zegt, smijt ik hem de trap af’. Het moest een beter huwelijk worden dan het huwelijk van mijn ouders, maar we konden na een aantal jaren toch niet anders concluderen dan dat onze levensritmes te veel verschilden. Maar we zijn altijd zeer goede vrienden gebleven. Het is mij wel gelukt om mijn kind alles te geven wat ik zelf in mijn jeugd tekort ben gekomen.”

VIII Gij zult niet stelen

„Toen ik klein was, een jaar of acht, negen, ging ik met mijn vader zaden kopen voor in de tuin. In die winkel zag ik ergens in een mand witte bonen liggen. Waarom weet ik niet, maar ik heb er één gestolen. Op weg naar huis kreeg ik zo’n vreselijk schuldgevoel dat ik hem van ellende maar heb opgegeten. Een witte boon in ruim negentig jaar. Valt eigenlijk wel mee, toch?”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Of ik altijd waarachtig ben? Vindt u mij nu niet waarachtig dan? In het theater of daarbuiten; dat maakt dus geen verschil. Maar ik moet wel zeggen dat, zodra ik één stap op het podium zet, mijn verlegenheid verdwijnt. Het moment waarop ik die ontdekking deed, voelde als een reusachtige overwinning. Ik was zestien, een en al handen en voeten, volledig self-conscious, ik wist me met mijn ledematen geen raad. Vanaf de vierde klas van de meisjes-hbs werd vlak voor de grote vakantie toneel gespeeld en ik deed mee aan een sketch die een broer van een van de meisjes bij een feestartikelenwinkel had gekocht. Ik speelde de rol van dominee. Ik zat in een Thonetstoel. Mijn haar was achterover gekamd en werd door twee schuifspeldjes op z’n plaats gehouden. ’Ik verlang schoonheid!’, moest ik roepen, ’vormenweelde!’ En terwijl ik een gebaar maakte, kwam ik met een schuifspeld in een gaatje van de rugleuning vast te zitten. Toen kón ik niet anders dan vanuit die beperking, die controle so to speak, optreden. Niets laten merken, je speelt een man tenslotte. En ik wist: hier ben ik thuis. Geen seconde verlegenheid. Iedereen heeft enorm gelachen. Toen ik later naar Utrecht ging verhuizen, zei de leraar biologie tegen mij: ’Hetty, er is aan jou voor Arnhem een actrice verloren gegaan.’ Ik heb een Engelse vriend, een choreograaf, die zegt: ’In one minute you have them in the palm of your hand.’ Hoe dat komt, weet ik ook niet.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Doordat ik als een komeet omhoogschoot, zijn mensen in die wereld – nèt zo getalenteerd – wel eens jaloers op mij geweest. Dat was een akelige ervaring die ik hier dan ook liever niet verder wil ophalen. Natuurlijk ben ik zelf ook wel eens jaloers geweest. Op de jurk of op de ketting van een ander. Eh‿ en ook weleens op de genegenheid van een ander, een heer die al in iemands bezit was terwijl ik zelf samenwoonde met Tib, mijn aanstaande echtgenoot.

Maar wat betreft de jalousie de métier: die heb ik nooit gekend. Annie? Maar waarom zou ik jaloers moeten zijn op Annie Schmidt? Ik vond het een voorrecht om haar werk te mogen vertolken. Annies kinderpoëzie is uniek in de wereld. Lewis Carroll, eat you heart out! Ik bedoel: Jabberwocky, The Walrus en The Carpenter, dat is toch gefröbel vergeleken bij wat Annie allemaal heeft gemaakt? En de superieure humor, de lichtvoetigheid, de esprit! Een genie. Dus, nee, jaloezie? Ken ik niet. Ik ben tevreden met wat ik heb gekregen. Gevoel voor taal, gevoel voor muziek. Het is een combinatie van talent en mazzel. De tegenwerking heeft ook geholpen, meent u? Ja. Misschien is dat wel waar. Ik moest dat inferioriteitsgevoel overwinnen. Ik ben er inmiddels vanaf. Ik heb mezelf bewezen. Maar ik ben daar nooit zo concreet mee bezig geweest. We wisten, bijvoorbeeld met ’Ja zuster, nee zuster’, wel dat we succesvol waren – Annie had acht afleveringen geschreven, maar heeft er toen toch nog twaalf bijgemaakt – maar het was vooral een kwestie van in de handen spugen en aan de slag. Het was me nooit om de roem te doen, ik vond het gewoon heerlijk om te werken. Ik ben ook zo lang mogelijk doorgegaan.

Ik vind het leven helemaal niet vervelend, ik loop alleen bedonderd. En het is wel eens moeilijk om ’s morgens mijn bed uit te komen, maar ik ga dan ook ’s avonds pas laat de koets in. Het kost me meestal nog een half uur, drie kwartier voordat ik klaar ben: alles afsluiten, tanden poetsen, is de deur nou wel op het nachtslot?

Ik hou er rekening mee dat het binnenkort afgelopen kan zijn. En dat is goed. Waarom zou je nou verdorie alles maar willen verlengen of naar een eeuwig leven verlangen? De dood is goed. Als je negentig bent, bedoel ik. Zo, meneer Visser, en nu is ’t genoeg. Half zes. Tijd voor mijn long drink. Doet u mee?”

'Ik vind het pantheïsme wel een aardige gedachte: in alles zit iets goddelijks.' (FOTO MARK KOHN)Beeld mark kohn
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden