HETGEEN TE BEWIJZEN WAS

Het is ergerlijk. Degene die de hele wereld geschapen heeft zou eigenlijk vanaf elke plek in die wereld zichtbaar moeten zijn. Alomtegenwoordig, almachtig, en dan toch lucht voor ons? Bij het feit dat een goddelijk wezen niet met gewone zintuigen kan worden waargenomen, hebben de meeste religies zich lang geleden neergelegd. Voor contact met God of goden is een mens aangewezen op eerder geopenbaarde geschriften, of op de - al of niet bewust ingegane - trance van een monnik, een sjamaan, de gelovige zelf.

BAS DEN HOND

Maar al zie je hem niet, het bestaan van God zou toch beter gefundeerd moeten kunnen worden dan alleen door tussenkomst van tot dwalen geneigde mensen, hebben veel theologen en filosofen bedacht. Zijn bestaan is ofwel de reden dat de wereld bestaat (als Hij de schepper is), ofwel de reden dat die er uitziet zoals hij er uitziet. Zijn bestaan doordrenkt elk stukje ervan: dat moet toch aan te tonen zijn!

Er zijn vele wegen die naar het godsbewijs leiden, en een van de oudste vertrekt uit Canterbury. De heilige Anselmus publiceerde in 1077 een geschrift waarin hij als eerste het ontologische godsbewijs voorstelt.

Dat gaat zo: God is - per definitie - het hoogste wezen dat voorstelbaar is. Iets hogers kan er eenvoudig niet zijn. En God is perfect, hij heeft geen slechte eigenschappen, geen enkele goede eigenschap is hem vreemd.

Wel, bestaan is zo'n eigenschap. Een stoel in je gedachten is mooi, maar een stoel in het echt is beter. Een almachtig en volmaakt wezen dat je je alleen maar voorstelt moet het in perfectie natuurlijk afleggen tegen een almachtig en volmaakt wezen dat wèl bestaat. En omdat God perfect is, zal hij dus ook deze eigenschap hebben, en bestaan.

Anselmus was een scholasticus en zijn godsbewijs past goed in die theologische stroming uit de middeleeuwen: het redeneert en trekt conclusies zonder dat daarbij steun wordt gezocht in de wereld om ons heen. De waarheid heeft dat niet nodig.

Die zuiverheid maakt het een mooi bewijs. Het heeft belangrijke verdedigers gehad, zoals Descartes. Maar ook een formidabele tegenstander: Kant.

Sinds Kant is de tijd van dit godsbewijs voorbij. De fout van Anselmus en zijn navolgers is, aldus deze filosoof, dat ze de eigenschap 'bestaan' op gelijke voet behandelen met een eigenschap als 'groen zijn', of 'goed zijn'. Natuurlijk is een perfecte God goed, en als groen de allerbeste kleur zou zijn, dan was Hij groen. Almachtig, goedertieren, allerlei eigenschappen kunnen hem worden toegedicht. Bij elke goede eigenschap wordt het beeld dat we van hem hebben weer wat verder ingekleurd.

Wat wordt er ingekleurd als we ook nog zeggen 'Hij bestaat'? Alles tegelijk! Door die uitspraak weet je niet een beetje meer over hem, maar zeg je dat alle eerdere uitspraken ook werkelijk iets betekenen, dat ze niet over een denkbeeldig wezen gaan, maar over een werkelijk bestaande godheid. Omdat 'bestaan' niet een detail toevoegt, maar het hele beeld verandert, mag je het niet beschouwen als het zoveelste dat er aan het Perfecte Wezen te bewonderen valt.

Een schijnbaar sluitend bewijs blijkt een achilleshiel te hebben in de taal, die ons zaken van filosofisch geheel verschillend gehalte op dezelfde manier laat verbuigen en vervoegen. Het ontologische godsbewijs is niet het enige dat dit is overkomen, ook andere bekende godsbewijzen blijken, als je ze nauwkeurig beschouwt, door menselijke fouten onderuit te gaan. De schepping is een onafzienbaar rijk geheel, maar het bewijs dat alles geschapen is, lijkt er geen deel van uit te maken. Het is godgeklaagd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden