Het zwijn, de geit en het schaap door Jean de la Fontaine

Een geit, een schaap, een zwijn, dit laatste dik en vet,

waren in éen kar op de kermis aangekomen. Zij kwamen daar, wel te verstaan, niet voor de pret: men wilde ze verkoopen, zoo ik heb vernomen. Schouwburgbezoek lag in het plan voor hen niet van den karreman. Het zwijn schreeuwde, als een zwijn dat kan, of door wel honderd slagers het werd nagezeten. Het maakte een leven, dat hooren en zien verging. De andere dieren bracht dit in verwondering, daar hun, van inborst zooveel zachter, bij hun weten niets stond te duchten van gevaar. De man zei tot het varken: Waarom dit misbaar? Je maakt ons doof! Waarom zoo luidkeels je te weren? Van deze nettere personen kon-je leeren, je te gedragen, in 't bijzonder met den bek. Zie eens dit schaap: hoorde je 't ook maar één kreet slaken? Het is een wijze.” “'t Is een gek,” antwoordde 't zwijn, “en wist het iets af van zijn zaken, dan schreeuwde het, als ik, zoo luide en lang het kon. En 't andre nette dier begon ons op zijn kopstem te vergasten. Zij denken, dat men hen alleen maar wil ontlasten, de geit van al haar melk, het schaap van al zijn wol. En daarop is nog kans, misschien, maar ik, die slechts tot voedsel dien, sta voor mijn dood, dat houd ik vol. Nooit weer zal ik mijn woning zien!”

Het varken redeneerde als een scherpzinnig wezen. Wat schoot het daarmede op? Bij zekerheid van kwaad hebben vrees of beklag nooit iemand iets gebaat. De minst vooruitziende is de wijste nog in dezen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden