'Het zijn rare tijden om Joods te zijn'

Portret van Michael Chabon.Beeld Patrick Post

Michael Chabon schreef een autobiografische roman vol feiten én fictie. Zijn Joodse achtergrond speelt hoe dan ook weer een prominente rol.

Wanneer Michael Chabon hoort dat Arnon Grunberg in hetzelfde hotel als hij verblijft, wil hij de Nederlander meteen ontmoeten. Hij had Grunberg namelijk net gemist toen hij vorig jaar ‘Palestina’ bereisde voor een (nog te verschijnen) essaybundel waaraan ook Grunberg bijdraagt. Hoewel Chabon in Nederland is om over zijn nieuwe, net vertaalde roman ‘Maangloed’ te praten, heeft hij het eerst over Israël. Hij was er vaker geweest, maar voor het eerst zag hij nu Ramallah en Hebron, en sprak hij kolonisten.

Chabon zucht diep. “Hebron… hoofdstad van de haat. Het versterkte mijn walging van de bezetting. Kijk, Ameriken met een Joodse achtergrond die, zoals ik, sympathie voor Israël hebben, hebben zich altijd getroost met twee gedachtes. Een: dat Israël nu eenmaal doet wat het doet omdat het zichzelf moet beschermen. En twee: dat de kolonisten gestoorde, fanatiek religieuze zeloten zijn. Die illusies zijn in Hebron volledig doorgeprikt. Er zitten zeker gekken tussen, maar de meeste kolonisten zijn doodnormale Israëliërs op zoek naar goedkope huizen. Daarvoor hebben ze de steun van de overheid nodig. Niet alleen van premier Netanyahu, maar van elke Israëlische regering. Het nederzettingenbeleid verbetert Israëls veiligheid niet. Integendeel. Alles waarmee ik de afgelopen jaren Israëls gedrag heb goedgepraat, ging in rook op toen ik het met eigen ogen zag.”

Later tijdens het gesprek citeert hij zichzelf: “Het zijn vreemde tijden om Joods te zijn. Maar het zijn eigenlijk altijd vreemde tijden om Joods te zijn.”

De Joodse achtergrond van Chabon is een constante in het oeuvre van de auteur. In zijn detectiveroman ‘De Jiddische politiebond’ verplaatste hij Israël naar Alaska. De tristesse van de diaspora is altijd aanwezig, maar steeds met een zelfspottende knipoog beschreven. Daarbij maken de personages van Chabon nogal wat mee. Het is niet onterecht dat zijn boeken weleens ‘strips in prozavorm’ zijn genoemd.

Ook in zijn vlot geschreven ‘Maangloed’ gebeurt eigenlijk meer dan in een mensenleven past: de naamloze hoofdpersoon jaagt als spion tijdens de Tweede Wereldoorlog achter raketgeleerde Wernher von Braun aan, zit een tijdje in de gevangenis, moet zijn kantoorbaantje afstaan aan de vermeende Sovjet-spion Alger Hiss, trouwt met een Frans-Joodse holocaustoverlevende die aan waanbeelden lijdt, en vindt uiteindelijk fortuin als uitvinder van speelgoedraketten. En dan is er nog iets bijzonders aan deze roman: die is opgezet als een autobiografie waarin verteller ‘Michael Chabon’ het levensverhaal van een fictieve grootvader uit de doeken doet. De noot vooraf, in het boek: “Ik heb me aan de feiten gehouden, behalve als de feiten weigerden zich te conformeren aan herinnering, narratief doel of de waarheid zoals ik die graag begrijp.”

Wanneer kwam u op het idee om deze roman te schrijven?

“Eigenlijk pas op de dag dat ik begon met schrijven. Ik wilde die dag aan een andere roman beginnen. Ik werk nooit met schema’s of diagrammen, maar weet normaliter wel waar ik naartoe ga, welke personages erin voorkomen. Dit keer niet. Ik ging zitten en er schoot me plots een familieverhaal te binnen. Zo’n anekdote die vaak op verjaardagen wordt verteld. Over een oudoom, mijn opa’s broer, die werd ontslagen bij een bedrijf dat kantoorartikelen verkocht om plek te maken op de loonlijst voor Alger Hiss; die beruchte overheidsfunctionaris was in 1954 vrijgekomen na veroordeeld te zijn voor spionage voor de communisten.”

De beginscène van uw boek. Dat is dus echt gebeurd.

“Nou, zo is het mij verteld. Het is me altijd bijgebleven, omdat mijn familieverleden hier de Amerikaanse geschiedenis kruist. De schokgolf van de Koude Oorlog en het tijdperk-McCarthy trok door mijn familiegeschiedenis.

“Enfin, ik begon die anekdote uit te schrijven. Ik veranderde al snel ‘mijn oudoom’ in ‘mijn grootvader’, zodat het meer míjn verhaal werd. Op dat moment betrad ik het rijk der fictie. En ik ging verder: dat hij bij dat ontslag alle zelfbeheersing verliest, zijn baas aanvliegt, de gevangenis in moet. Dat is nooit gebeurd. Dat personage - mijn grootvader - werd een fictieve figuur.

“Ik belde mijn achternicht, maar ze kende dat verhaal niet. Dus: waar had ik het dán vandaan? Mijn moeder bevestigde het weer wel. Die had het van mijn opa. Dacht ze. Ik realiseerde me dat ik nooit achter de waarheid kon komen.”

Besloot u er toen maar een autobiografie van te maken?

“Nee, maar ik wist toen wel wat het thema moest worden. Hoe waarheid wordt geconstrueerd in familieverhalen. Hoe herinneringen zich verhouden tot de waarheid.”

Nu krijgt u vast vaak de vraag wat allemaal wél echt is gebeurd, in dit boek.

“Ja, het is dé vraag, nietwaar?”

Waarom willen mensen dat weten, denkt u?

“Ik heb geen idee. Al sinds mijn debuutroman vragen ze me dat. Ik heb nooit kunnen bedenken wat dan het teleurstellendste antwoord zou zijn. Want: als alles waar is, betekent het dat ik een slechte schrijver ben, want niks zelf kan verzinnen. En als alles verzonnen is, maakt dat het verhaal minder interessant. Want op de een of andere manier vinden mensen waargebeurde verhalen interessanter.”

Lezers verlangen naar authenticiteit.

“Ja, en dat is een naïeve manier om een boek te lezen. Die ik zelf ook ervaar. Daar wilde ik de lezer mee plagen, door de opzet van dit boek. ‘Maangloed’ speelt een spelletje met hoe wij literatuur ervaren. Want die hang naar authenticiteit is natuurlijk nonsens. Het is een roman. Maar belangrijker: echte authenticiteit bestaat niet. Ook niet in non-fictie. Het is onvermijdelijk dat je door je herinneringen wordt misleid, zelfs al heb je de beste bedoelingen.

“Dus dat idee van authenticiteit irriteert mij, als fictieschrijver. En vooral dat de veronderstelde waarheid in een boek waardevoller is voor het publiek. Zie mijn boek daarom gerust als commentaar op de opkomst van de literaire non-fictie, de afgelopen jaren.”

Michael Chabon krijgt vaak het verwijt dat zijn romans overdreven nostalgische elementen bevatten. Inderdaad flirten zijn boeken vaak met een verloren tijd, zoals de gouden eeuw van stripboeken (‘Kavalier & Clay’) of die mooie tijd dat muziekliefhebbers terecht konden in stoffige platenzaakjes gerund door liefhebbers (‘Telegraph Avenue’). Ook ‘Maangloed’ broeit van verlangen naar weleer: de wens om naar de maan te gaan van de hoofdpersoon heeft als achtergrond het Amerikaanse Apollo-programma, van toen er nog een maan te ontdekken was. Voor The New Yorker schreef Chabon onlangs een essay over nostalgie, over dat we zijn hang naar het verleden beslist niet moeten verwarren met het idealiseren ervan. “Want dat soort nostalgie - de overtuiging dat vroeger alles beter was, toen er nog geen buitenlanders onze banen inpikten en vrouwen hun plek nog kenden - verdient minachting. Als je denkt dat vroeger alles beter was, zegt dat alleen maar iets over je onwetendheid. Want vermoedelijk is het totaal van menselijke misère tegenwoordig een stuk kleiner, ook al lijkt dat niet altijd zo.

“Dat is ook niet het soort nostalgie waarin ik geïnteresseerd ben. Waar ik op doel is de emotie van een intens, vluchtige verbinding met het verleden in het heden.”

De scheidslijn tussen verbinden-met en romantiseren-van is een dunne.

“Het is bijna onmogelijk om je verbonden te voelen met iets wat weg is. Maar het is mogelijk. Het gaat niet om verlangen, maar echt om verbinding. Niet om vasthouden, want het is vluchtig.”

Chabon vertelt over ‘Guardians of the Galaxy’, een superheldenfilm die hij met zijn zoontje bezocht, met striphelden waarop de schrijver in zijn jeugd zo gek was. “Die geeft me het gevoel alsof ik weer in 1974 in de stripwinkel sta. Nee, ik wil niet terug, ik wil nooit meer elf jaar zijn. Maar zo’n gevoel van instant-tijdreizen is magisch. En dat probeer ik met mijn boeken te bereiken. Dat vind ik belangrijker dan een goede plot. Een goed boek laat je even ontstappen uit de gevangenis van je hoofd.”

We komen te spreken over de empathie die romans kunnen kweken. Vanaf daar is het een kleine stap naar de door Chabon verfoeide president Trump en diens Israëlbeleid, waar hij alleen maar met machteloos onbegrip over kan praten. Het zijn, zegt hij, rare tijden om Joods te zijn. “Als vrijzinnige Jood die is opgevoed door vrijzinnige Joden voel ik het als mijn verantwoordelijkheid me te laten horen en mensen te helpen die hulp nodig hebben. Immigranten. Vluchtelingen. Moslims.”

U noemde de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust eens de grootste literaire inspiratiebron voor twintigste-eeuwse romanciers. Ziet u ook de vaak geopperde parallellen met de opkomst van het populisme in de jaren dertig?

“We noemen ze populisten, maar het zijn gewoon racisten. En de parallellen zijn duidelijk. Maar je moet er voorzichtig mee zijn. Geschiedenis herhaalt zich nooit precies, daarom waag ik me nooit aan voorspellingen: je zit er toch altijd naast. Maar wat we wél kunnen doen is letten op signalen die duiden op een zeker gedrag. Het inreisverbod voor moslims. Is dat hetzelfde als de Duitse rassenwetten? Duidelijk niet. Maar het valt wel in een categorie van dingen die kúnnen leiden tot dergelijke wetgeving.

“Dus, hoewel het idioot is om te zeggen dat Trump Hitler is, is het ook idioot om de parallellen te negeren. Ik acht het zeer waarschijnlijk dat er zoiets als een Rijksdagbrand zal gebeuren. Een calamiteit, een terroristische aanslag, waarmee falend politiek beleid kan worden gemaskeerd en wat verregaande gevolgen heeft voor burgerrechten in mijn land.”

In ‘Maangloed’ is de fictieve grootvader spion, onderdeel van Operatie Paperclip, waarbij de geallieerden achter vijandelijke linies zo veel mogelijk Duitse wetenschappers rekruteerden. Doelwit: Wernher von Braun, uitvinder van de V2-raket, SS-Sturmbannführer, de man die in 1969 voor de VS voor het eerst een mens op de maan zou zetten.

Als uw grootvader erachter komt dat de door hem bewonderde wetenschapper moet hebben geweten van de doods- kampen, verliest hij zo’n beetje alle geloof in de menselijkheid. Wat vindt u zelf van Operatie Paperclip?

“Voordat ik aan dit boek begon wist ik niet dat Operatie Paperclip eigenlijk een ernstige overtreding van internationale wetgeving en mensenrechten was. Maar het is typisch. Het is menselijk gedrag. De mens is goed én slecht. Bij de meeste mensen overwinnen de betere impulsen. Maar bij deze operatie was die balans zoek. Wij, de geallieerden, waren na de Tweede Wereldoorlog zo trots op de Neurenbergprocessen en de Geneefse Conventie. Maar op hetzelfde moment gunden we vele oorlogscriminelen een nieuw leven. Von Braun en vele anderen zijn nooit ter verantwoording geroepen. Sterker, ze zijn flink beloond voor hun werk.

“Dat is dus ook gebeurd. Idealistische aspiraties zoals de Geneefse Conventie gaan altijd hand in hand met verschrikkelijke bedriegerij. Dat is altijd zo geweest.”

En dat blijft ook zo?

“Dat blijft ook zo. Die voorspelling durf ik wel aan.” 

Michael Chabon

Michael Chabon (53) schreef na zijn debuut ‘De geheimen van Pittsburgh’ een fantasyboek voor jongeren, een middeleeuws feuilleton en ‘De wonderlijke avonturen van Kavalier & Clay’, waarmee hij de Pulitzer Prize won. Zijn jongste roman is ‘Maangloed’. Chabon woont in San Francisco met zijn vrouw, schrijver Ayelet Waldman, en hun vier kinderen.

Michael Chabon
Maangloed
 (Moonglow)
Vert. Gerda Baardman, Jan de Nijs en Tjadine Stheeman
Ambos|Anthos;
480 blz; € 24,99

Michael Chabon, Maangloed.
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden