Het zelfportret als spiegel

Waarom maken kunstenaars zelfportretten en waarom kijken we er zo graag naar? Het Mauritshuis in Den Haag en Museum Arnhem belichten de betekenis van de 'selfie' door de eeuwen heen.

Het borsthaar dat zichtbaar is door het halfopen hemd, de nonchalante zwarte krullen, de ongeschoren kaken, het roze accentje op de onderlip. Zo naturel en informeel als Carel Fabritius zichzelf portretteerde op 25-jarige leeftijd, deden schilders uit de zeventiende eeuw het zelden. Op de tentoonstelling van Hollandse zelfportretten uit de Gouden Eeuw in het Mauritshuis in Den Haag wemelt het van de gecoiffeerde krullen en baarden, witte kragen met kant, schoenen met strikken en fluwelen jassen. Geen borsthaar te bekennen. Logisch, want in die tijd was een zelfportret vooral bedoeld om potentiële klanten te laten zien wat de kunstenaar in zijn mars had. Het was een representatief visitekaartje.

Waarom beeldde Fabritius zich zo af? Schilderde hij dit portret voor zijn familie? Wat dromerig kijkt hij je aan. Denkt hij aan zijn vrouw die in het kraambed is gestorven? Of peinst hij over het vogeltje dat hij wil schilderen, een puttertje? Nee, dat laatste kan natuurlijk niet. Dit zelfportret dateert uit 1647/1648. Zijn wereldberoemd geworden Puttertje schilderde hij pas zes jaar later, niet lang voor zijn dood. Een ontploffing in het Delftse kruithuis maakte in 1654 een eind aan zijn leven; 32 was hij nog maar.

Onbedwingbaar is de neiging om oog in oog met de jonge Fabritius te fantaseren over zijn zieleroerselen. En je eigen gedachten en gevoelens op hem te projecteren. Dat geldt voor veel meer portretten op deze tentoonstelling. Kijk naar het zelfportret van Jan Miense Molenaer, temidden van zijn musicerende broers en zussen, en je ziet in hem een warm familiemens. En wat een bruisende, zelfbewuste dame moet Molenaers echtgenote zijn geweest: de schilderes Judith Leyster. Met een glimlach draait ze zich om van de ezel, de lippen half geopend, een palet en bos penselen in de hand. Ze draagt een met kant afgezette kraag en manchetten. Niet erg praktisch om in te schilderen, maar ze wil kennelijk uitstralen hoe modieus en succesvol ze is.

Ook het beroemde zelfportret van Rembrandt uit zijn sterfjaar hangt er. Diepe rimpels, slappe onderkin, hangende wangen. Is hij levensmoe? De blik in zijn ogen duidt er niet op.

Het is verleidelijk om in de 27 zelfportretten egodocumenten te zien, die iets onthullen over de persoonlijkheid van de kunstenaars. Zeker als je weet wat zich allemaal heeft afgespeeld in hun leven. Maar met die bedoeling zijn ze niet gemaakt. Het woord 'zelfportret' bestond nog niet eens in de zeventiende eeuw. 'Zijn eigen beeltenis & gedaan door hemzelf': zo werd dit genre omschreven. Voor de kunstenaar was het zelfportret in de eerste plaats een medium om potentiële klanten te laten zien hoe goed hij personen kon afbeelden. Daarnaast waren zelfportretten bedoeld voor de eigen familiekring. Of het was oefenmateriaal. Bij gebrek aan een model bestudeerden schilders zichzelf in een spiegel.

Gespiegeld beeld

Grote spiegels staan er ook in de tentoonstellingszaal, met duizelingwekkende effecten. Uitnodigend ook voor bezoekers om zichzelf en elkaar te fotograferen voor de spiegels, naast de beroemde schilders die erin worden weerspiegeld. De grap van die spiegels is ook dat je kunt zien hoe de kunstenaars er werkelijk uitzagen. Hun zelfportretten tonen hoe ze zichzelf in de spiegel zagen, maar dat geschilderde spiegelbeeld wordt ontspiegeld in de spiegelwanden. De krullende haartjes die Fabritius links op zijn voorhoofd in de natte verf heeft gekrast, sprongen in het echt rechts op zijn voorhoofd op.

Een prachtige tentoonstelling, maar wat onbevredigend, omdat het een momentopname is in de geschiedenis van het zelfportret. Hoe ging het verder, vraag je je af. Wat had de ontdekking van de fotografie voor gevolgen voor het zelfportret? Of de ontwikkelingen in de psychologie? En heeft de huidige stroom van selfies invloed op hoe kunstenaars omgaan met het zelfportret?

Voor de follow-up zorgt Museum Arnhem. Daar zijn meer dan honderd werken te zien uit de periode 1900 tot nu. Over de combinatie tussen beide musea lijkt goed nagedacht, maar tot voor een half jaar wisten ze nog niets van elkaars plannen.

Met schilderijen, tekeningen, foto's, beelden en videowerken van 92 verschillende kunstenaars had de tentoonstelling in Arnhem een ratjetoe kunnen worden. Conservator Mirjam Westen rangschikte ze zo, dat de kijker een goed beeld krijgt van de ontwikkelingen in de afgelopen eeuw. Tot 1900 bleef het zelfportret vooral een visitekaartje van de kunstenaar. De ontdekking van de fotografie leidde er niet toe dat het fenomeen uit de gratie raakte, integendeel. Wel krijgt het meer lagen. Onder invloed van Freud zien kunstenaars het gelaat als spiegel van de ziel. Ook spelen ze met hun identiteit door een masker te dragen (Wouter van Riessen) of in de huid van een ander te kruipen, zoals Carel Willink die zichzelf afbeeldt als een prediker.

Zelfbewustzijn

Speciale aandacht krijgen vrouwelijke kunstenaars, die na de openstelling van de academies in West-Europa voor vrouwen, in hun zelfportet uiting geven aan hun groeiende zelfbewustzijn. Sommigen doen dat heel uitdagend, zoals Katharina Eleonore Behrend, die begin 1900 naakt poseert voor de camera. Andere kunstenaars laten juist hun kwetsbaarheid zien, zoals Jan Mankes, die je indringend aankijkt, met een bleek en uitgeteerd gelaat. Hij overleed op 31-jarige leeftijd aan tuberculose.

Ook weerspiegelt het zelfportret steeds vaker de tijdgeest. Het surrealisme zie je terug in de zelfportretten van Hendrik Valk, die slechts een deel van zijn hoofd afbeeldt. Anderen referen aan kunstenaars die ze bewonderen, zoals Jan Toorop die geïnspireerd door de schilderijen met maskers van James Ensor, zichzelf portretteert met een feestneus.

Het zelfportret wordt ook ingezet om maatschappelijke kwesties aan de orde te stellen. Erwin Blumenfeld fotografeert zichzelf in 1933 met een hakenkruis op het voorhoofd en een bloedend oog. 'Met de hartelijkste groeten uit het gedachten concentratiekamp' schrijft hij erbij. Cor van Teesseling tekent als gevangene in de Tweede Wereldoorlog meer dan 150 zelfportretten met behulp van een spiegeltje. Vier ervan worden getoond in Arnhem. Ze stralen eenzaamheid, machteloosheid, onzekerheid en het verlangen te blijven leven uit. Zelf vergelijkt hij zijn gezicht met een van dag tot dag veranderend landschap. Eind 1942 wordt hij gefusilleerd.

De zelfportretten van abstracte en conceptuele kunstenaars zijn een verhaal apart. Caspar Berger maakt loden afgietsels van zijn botten en schedel. Marinus Boezem gaat nog een stapje verder: alleen de sporen van de kunstenaar - zijn schoenen, de stoel waarop hij heeft gezeten en een doek met de letters BOEZ - zijn nog zichtbaar in zijn 'zelfportret'.

Smartphone

Na de spiegel van de zeventiende-eeuwse schilders gaf de fotocamera alleen maar nieuwe impulsen aan het zelfportret. Dat geldt nu waarschijnlijk ook voor de smartphone, al komt de impact daarvan niet echt aan de orde, afgezien van de onvermijdelijke selfiezuil. Conclusie na deze twee tentoonstellingen: het zelfportret is een ijzersterk genre. Het prikkelt de verbeelding, maar is ook een spiegel. Uiteindelijk zegt het zelfportret toch vooral iets over onszelf, de kijkers.

HHHHH Hollandse Zelfportretten. Selfies uit de Gouden Eeuw, t/m 3 jan. in het Mauritshuis, Den Haag.

HHHHH Spiegeloog, het zelfportret in de Nederlandse kunst 1900-2015, t/m 24 jan. in Museum Arnhem.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden