Het zegent

Ik hoorde het weervrouw Marion de Hond zeggen. Ze zat liever in de Nederlandse kou dan aan het strand in Turkije of Griekenland. Een ware patriot. Ik kon alleen maar ja knikken. Haar opmerking was kennelijk bedoeld als troost want in Nederland ging het veertien graden worden, flink regenen, en bereikte de zomer een vroeg dieptepunt. In Griekenland, Turkije en Italië was het daarentegen vijfenveertig graden. Ik moest er niet aan denken. We kunnen ons nu eenmaal beter wapenen tegen de kou dan tegen de hitte. Als het gaat vriezen trek je een trui aan, of twee, en als het nog erger wordt een dierenvacht, maar als het snoeiheet wordt trek je iets uit, en nog iets en dan is het afgelopen, naakter dan naakt kun je niet zijn. Koelte en kilte bevorderen bovendien de cultuur. Wie het koud heeft gaat bij de kachel een boek lezen of hij gaat, omdat het buiten al te onaangenaam is, naar een museum. Wie het warm heeft gaat naar het strand en laat zich, al nietsdoend, bruin worden. In Engeland en Nederland, de twee ijverigste koloniale machten ooit die hele werelden ontdekten en exploiteerden, regende het thuis nogal eens; dan moet je er wel op uit. De meeste derde wereldlanden liggen in de tropen of daaromtrent. Warm maakt arm. Voorkeur voor koelte lijkt zelfs in de temperamentenleer te zijn doorgedrongen. Iemand met een koel karakter dwingt respect af, een gematigd karakter lijkt verreweg het verstandigste, maar een verhit, laat staan een oververhit karakter, dat moet je niet hebben. We kunnen naar de maan, maar niet naar de zon. Genoeg gepleit. Van de week begon ik mij opeens zorgen te maken over de toekomst van Nederland als subtropische streek. Want daar schijnen we, ondanks het huidige lagedrukgebied (of juist dankzij, ik snap niks van het weer) op af te stevenen. Groene weiden, malse regen, waer bestu bleven, prevelde ik, toegegeven ietwat voorbarig, voor me uit. We zijn van oudsher een koud en nattig volkje en hebben daar letterlijk wel bij gevaren, schamen ons er ook niet voor: ‘O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen’. Onze huidige drang naar stranden heeft te maken met een overmaat aan vrije tijd, die we hebben verdiend door eerst langdurig in gematigde temperaturen te werken. Zouden we het bij alleen maar stralende zon en zo nu en dan een moessonregentje wel volhouden? vroeg ik mij af. Niet de stijgende waterspiegel maar de dreigende warmte benauwt me. Misschien komt het omdat ik in mijn jeugd te veel verhaaltjes van W.G. van de Hulst heb gelezen. Het is daar weliswaar vaak mooi weer maar áls het koud is dan heb je ook wat. ‘Het was koud, bitterkoud, drie paar klompjes stonden in de sneeuw’ (ik citeer uit het hoofd want Voetstapjes in de sneeuw is mij ooit ontnomen). Nooit is het er snikheet. Of anders Pim wel, in het eerste boekje van Pim en Mien, Wat een bui: ‘zijn goed is nat en zijn haar ook. En daar doet hij ook nog zijn schoen in de goot. Die pim! Die pim!’. En tenslotte zingen we ‘Het regent, het zegent’. Ik hoop maar dat zulke vaderlandse oerteksten in de toekomst niet geannoteerd hoeven te worden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden