Het wordt al licht als de kip op is en de minibar leeg

Altijd is er een eerste moment, een eerste trilling, een eerste opwinding. Teweeg gebracht door een sonnet, een brug, een symfonie, een alinea, een levenslied, filmfragment of koningsdrama. In de zomermaanden laat Trouw aficionades aan het woord, die over ontstaan en ontwikkeling van hun (vervlogen) liefde berichten. Vandaag aflevering 4: Kip & jazz.

DIEUWKE VAN OOIJ

Mijn moeder draaide dertig jaar geleden Coltrane's muziek en ik sliep als een roos. Dat heb ik pas onlangs ontdekt. Toen ik een cd kocht van John Coltrane. Toen ik het nummer 'Say it' hoorde, zag ik mijn bed voor me, als een schip hoog ingeklemd tussen twee muren. Mijn smalle kamertje vond ik een portiersloge omdat het direct naast de voordeur was. En een portier is de eerste die Kwaad van Buitenaf in zijn hokje krijgt. Maar als de slepende saxofoon van Coltrane uit de woonkamer klonk, was alles in orde. Een goede saxofonist vertelt verhalen met zijn instrument.

Jarenlang verloor ik de muziek uit het oor. Waarschijnlijk zocht ik een eigen smaak. David Bowie? Brandenburgse concerten? Het is niet meer na te gaan, wat me het beste beviel.

Toen ik hoog in de lucht in mijn schip lag en bij Coltrane in slaap viel, speelde de moeder van David Murray piano in de kerk en thuis voor haar zoontje dat vier jaar ouder is dan ik. Misschien speelde hij al zelf in de kerk in Oakland want met negen jaar trad hij voor het eerst op. Om moeder en de dominee met scherpe uithalen te ondersteunen. Jazzmuziek was verboden want direct van de duivel afkomstig.

Bij ons thuis lag dat anders. Mijn moeder had niet alleen de platen, we kregen ze ook over de vloer, de mensen die zulke 'duivelse' muziek maakten. Ik herinner me dat er eens een kleine jamsessie plaats vond in de serre. Maar misschien is zelfs dat al teveel gezegd. G.R. Montrose speelde in ieder geval tenorsax bij de open tuindeuren. De bejaarde buurman kwam vragen of de grammofoon wat zachter kon. Ik heb Montrose als een oudere, zwarte man in de herinnering. Een paar jaar geleden vertelde David Murray dat Montrose een blanke is. Zo onbetrouwbaar is het geheugen. Zelfs de huidskleur verandert. Naar wens.

De volstrekt onbekende Amerikaanse popmusicus Ernie Vann kwam vaker bij ons thuis en rookte van 's morgens tot 's avonds hash aan de keukentafel. In mijn kindergeheugen, althans. Hij had lang, zwart, vettig krulletjeshaar en was -weer in mijn verdraaide herinnering- een jaar of veertig. Op een avond nodigde hij ons uit voor een optreden. Hij speelde gitaar en zong zelfgeschreven liedjes, die avond opgedragen aan mij en mijn zusje. Weken lang had ik concentratiestoornissen op school. Ik droomde van Ernies gouden sportauto en zijn gitaar.

Muziek herinner ik me. Maar was bij ons thuis beeldende kunst en architectuur niet veel belangrijker? Ik weet dat er zo'n wit reliëf van Jan Schoonhoven uit de Nulgroep aan de muur hing maar dat maakte geen indruk. We verlangden vooral naar de oud-Hollandse truttigheid bij vriendjes en vriendinnetjes: met cola en zwart-op-wit-ballen op het pluche bankstel. En dan waren er nog de zomervakanties in Frankrijk met een verplichte rondreis langs stenen bezienswaardigheden en die eeuwige musea. Daar stak de muziek zwak tegen af. Toch brengt die de herkenning en het nestgevoel. Niet de bezoekjes aan het Stedelijk Museum in Amsterdam. Niet de architectuur. Die indrukken beklijven pas veel later.

Mijn moeder leerde de muziek van David Murray kennen. Zij luisterde naar zijn platen toen ik het huis uit was. Hij werd toen bestempeld als een veelbelovende opvolger van Coltrane. Zelf zei hij dat hij ook nog beïnvloed was door Charlie Parker, Sonny Rollins, Archie Shepp, Coleman Hawkins en Ben Webster.

Toen mijn moeder New York bezocht, ging ze naar een optreden van hem, in het bruine jazzcafé Sweet Basil in Greenwich Village. Het trio was die avond blijkbaar in vorm want mijn moeder mijmerde dat zoiets toch ook in Nederland mogelijk moest zijn. Albert vatte haar wens al te letterlijk op en stapte in de pauze het podium op. 'I am Albert Waalkens from Finsterwolde, would you come and play at my place?' David Murray schoof de Groninger door naar zijn manager. Om er van af te zijn. Maar de reusachtige Kunle Mwanga vond de kleine man wel grappig en beloofde hem een voorstel per fax te doen. Voor een concert 'at your place'.

De manager stuurde echt een fax. Geheel tegen mijn verwachting stuurde New York een voorstel. Als we publiek zouden uitnodigen dat moest betalen en als we goede hotelkamers konden huren in Groningen, dan was er nog wel een gat in de agenda. Ze moesten namelijk op vrijdag vijf juni 1987 in Keulen spelen en op de maandag daarna in Parijs. Wat dachten we van zaterdagmiddag?

Het was uiterst ongeloofwaardig dat deze Newyorkers met enige naamsbekendheid op weg van Keulen naar Parijs een tussenstop zouden maken in Finsterwolde. We huurden een geluidsinstallatie en een drumstel en we bouwden een podium in de galerie. We plakten affiches in Groningen en verkochten een uur voor het begin van het concert kaartjes. Een professor uit Groningen sleepte nog wat extra geld binnen door in de woonkamer koffie en drankjes te verkopen. En de mensen stroomden toe. Alle 150 klapstoelen waren snel bezet.

Nu de musici nog.

Op het station van Leer in Duitsland rolde de ene na de andere trein binnen maar van een tenorsaxofoon, een bas en een stel bekkens geen spoor. Het publiek zat inmiddels in de tuin. Het verlossende telefoontje kwam een uur nadat ze zouden beginnen. Mijn moeder en Albert plukten ze uit het boemeltje. De slaapkamer verkozen ze als kleedkamer. Op verzoek kregen ze een fles cognac die in één teug werd geleegd. Want voor zo'n optreden op het Groninger platteland hadden ze een kleine verdoving nodig.

Bassist Fred Hopkins had voor de gelegenheid een zalmkleurig rucheshemd aan. De oudere drummer Steve Mc Call, die inmiddels niet meer leeft, hing scheef op zijn drumkruk en lachte betoverend de tuin in. David droeg een verfrommeld donkerblauw colbert. Ze deden hun muzikale plicht, meer niet. De cultuurschok van het kleine stationnetje en de woonkamerstemming was te groot. Het publiek was redelijk enthousiast. En ineens kregen ook de noten, de musici en de instrumenten een duwtje. Of het was omdat de architectuur van Gunnar Daan, waarin zich dit afspeelde, de perfecte akoestiek had of omdat de zon breeduit door de openslaande tuindeuren scheen, weet ik niet. Maar het trio ging aan de haal met de 150 klapstoeltjes. Er werd niet geapplaudiseerd, er werd gerammeld, gestampt en gejoeld. Het zakelijke gebouw, in de vorm van twee taartpunten rug aan rug, verschoot van kleur. De vonk sloeg over. Saxofoon klinkt het beste in een huis zonder zijkanten.

Het drietal op het van houten kratten gebouwde podium, wilde niet meer ophouden. De jazzliefhebbers van Parijs en de rest van Europa konden wel even wachten. Nu was Finsterwolde aan de beurt.

Na afloop van het concert zagen de drie Newyorkers er al heel anders uit. Ze ploften direct van de houten kratten, door de openslaande deuren, de tuin in. En daar heb je uitzicht tot ver achter de horizon. De theatrale Hopkins was zo ontroerd dat hij wilde blijven. Een baan op de boerderij leek hem ineens het hoogst bereikbare. David schrokte van de zelfgemaakte mayonaise, de zouten haring, de makreel, het roggebrood, de boerenkaas en de salades. De manager vroeg of ze de volgende dag weer mochten spelen. Dat deden ze. En weer voor een volle zaal. Twee jaar later kwamen ze terug.

Kunstrecensent Renze de Vries schreef in het Nieuwsblad van het Noorden over Davids saxofoongeluid in Finsterwolde: “Gevoilleerd, zacht-ademend, likt het aan de herinnering. Het geluid wordt een stem die, nog wat wollig en hees van de slaap aan je oor fluistert: hallo. Het mooiste saxofoongeluid ter wereld.” Inmiddels weet ik: als het goed gaat, loopt er een straaltje zweet langs zijn kleine, bruine oor.

Zo kwam het dat David ons bezocht als hij in Europa was. Voor een groot bord met stamppot van rauwe andijvie bijvoorbeeld, bij mijn moeder in de tuin. Daarbij hoorde, zo wist hij al na de eerste keer, een 'kuiltje jus'. En alle musici die hij meenam in de tuin, verzekerden ons dat je met zo'n kuiltje jus beter speelt. Wij gingen natuurlijk 's avonds mee om te luisteren of we de gesmolten boter tussen de noten hoorden. Zo keek een keer een buurman over zijn balkonrand en constateerde blij dat het hem beviel dat muzikale gerammel met bestek en die luide stemmen die niet spraken maar zongen.

Eenmaal in Berlijn - Murray had inmiddels 61 cd's op zijn naam staan - bezocht ik David vaak als hij in Duitsland speelde. In Mainz bijvoorbeeld, in het Kultur Zentrum. Waar David met de dichter Ishmael Reed en de groep 'Conjure', gedichten in jazzrock versmolt. Dagboekaantekening, geschreven op zeven juli 1992 tussen de coulissen:

“Je weet niet wat je hoort. Ze zijn nog niet begonnen of het podium danst en swingt. De musici -Afrikanen, Amerikanen, Puerto Ricanen en wat al niet- laten me achter het podium meegenieten door hard in mijn hand te knijpen. Ze lachen, ze swingen, ze zweten. Ze geven zich voor honderd procent omdat ze niets meer te verliezen hebben: ze mogen morgen naar huis. David speelt hier een ondergeschikte rol en doet dat zoals Ruud Gullit zich soms ten dienste stelt van het Nederlands Elftal: er zijn als het nodig is en dan ineens in enkele secondes respect afdwingen bij het publiek. De zanger is in alles een zangeres. Hij heeft een vrouwenstem, leunt bevallig met één bil op een barkruk en charmeert. Hij is al oud en strompelt na een prachtige area het podium af. Ik help hem bij het afstapje.”

En over het eeuwige ritueel na het optreden:

“Bij het hotel kopen we twee vette gegrillde kippen bij een loket van Wiener Wald. Mainz is al lang naar bed. We eten op beestachtige wijze: kluiven, likken, gekraak van botten. Op de achtergrond staat de hotel-tv keihard aan. We praten met volle monden, een bakje saus valt omgekeerd op het smoezelige tapijt. We lachen en keuvelen alsof we elkaar iedere dag zien. Het wordt al licht als de kip op is en de minibar leeg. En dan direct door naar het vliegveld van Frankfurt: terug naar Berlijn en New Jersey.”

Over de muziek van David valt veel te zeggen, vooral als je erbij zingt. Maar hoe beschrijf je de tranentrekkerij in 'Ballad for the Blackman'? Of het swingende, razendsnel pirouetterende 'Ming Samba'? Ik kan het niet in woorden uitdrukken. Zijn stijl combineert de traditionele, melodieuze jazz met de niet-melodieuze improvisaties. Maar dat klinkt teveel naar encyclopedie. Andersom kan de saxofonist spreken met zijn instrument. Door de zucht van de onbereikbaar lage tonen heen, galmt een geruststellende boodschap. In de dubbeltonen, die Murray als geen ander produceert, snerpen blijdschap, woede of melancholie.

We verloren elkaar intussen uit het oog. Maar in mijn portemonnee zitten nog altijd twee gebruikte rietjes uit het mondstuk van een saxofoon. En een stukje steen uit het tuinpad in Finsterwolde.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden