Het wit dat tandeloos maakt

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Twee weken geleden pleitte dichter Erik Jan Harmens in Letter & Geest hartstochtelijk voor poëzie „die op geen enkele manier vrijblijvend is”. Ook anderen verlangen de laatste jaren naar ’gevaarlijke’ en ’ontregelende’ poëzie. Dichter Menno Wigman vindt hun wens sympathiek. Maar hoe bedreigend kunnen gedichten zijn? „Ik fiets ’s nachts weleens langs het huis van zo’n criticus en ik kan u verzekeren: nog nooit zag ik hem ziek van ontregeling een dichtbundel van zich afwerpen.”

’Soms heb je geen zin om gedichten helemaal te lezen”, beweerde Hugo Claus eens. Een moedige uitspraak – lijkt het. In werkelijkheid lezen de meeste mensen gedichten niet helemaal, ze lezen ze helemaal niet.

Ook mij begint poëzie langzaam de keel uit te hangen. Ik moet honderdduizenden gedichten gelezen hebben, maar als ik tegenwoordig weer eens een ijl dichtwerkje ter hand neem, word ik overvallen door, zoals Lodewijk van Deyssel het noemde, een „ontzachlijke vermoeyenis”.

Hoe dat komt? Gedichten zijn altijd geschreven als gedichten, ze zijn een gedicht of ze zijn een commentaar op een gedicht, maar ze kunnen met geen mogelijkheid de pagina uitbreken, een ruit inslaan of je leven overhoop gooien. Het probleem met poëzie is dat alles altijd en eeuwig omkaderd blijft door het wit van de bladspiegel, het wit dat elke woede bij voorbaat tandeloos maakt, het wit dat zoveel diepzinnigheid veronderstelt dat het je maar al te vaak onverschillig laat.

Moet een gedicht eigenlijk wel een ruit inslaan? De laatste jaren wordt er, door sommige critici en juryleden, eindeloos gesproken over ’gevaarlijke poëzie’. Poëzie moet rauw zijn, ballen hebben, stinken, bijten, klotsen, balken en tot de sterren janken. Wat ze vooral willen, die critici, is 24 uur per etmaal ontregeld worden.

Nu fiets ik ’s nachts weleens langs het huis van zo’n criticus en ik kan u verzekeren: nog nooit zag ik na middernacht licht bij hem branden, nog nooit heb ik hem met roodgele ogen een paar levensbedreigende dichtregels voor zich uit zien balken, of zag ik hem ziek van ontregeling een dichtbundel van zich afwerpen.

Ik overdrijf. Zij doen dat ook. Natuurlijk willen die doorgaans keurig betaalde critici niet zélf ontregeld worden, daar zijn ze veel te snugger voor. Het is de onervaren lezer die ontregeld moet worden, de slaapmuts die er in al zijn imbeciliteit vanuit ging dat een gedicht een al dan niet rijmend, zorgvuldig geconstrueerd geheel is. Het allerhoogste is wel het doorkruisen van de – vergeef me dit tergend modieuze woord – ’leesstrategie’.

Maar de meeste mensen hebben helemaal geen leesstrategie. Als ze al eens een dichtbundel zien liggen, is er geen hersencel in hun hoofd die overweegt die op te pakken. (Trouwens, gisteravond in de trein viel me te binnen dat ik nog nooit een medereiziger een dichtbundel heb zien lezen. Mocht u ooit, in wat voor publieke ruimte ook, iemand met een poëziewerkje hebben aangetroffen, ik hoor het graag.)

En toch wil ik het over gevaarlijke poëzie hebben, zou ikzelf het liefst gedichten schrijven die zich als een stiletto in het hart van de lezer omdraaien. Niemand die het ooit is opgevallen, maar er huist veel agressie in dichters – misschien alleen al omdat ze nooit gehoord worden.

Onlangs verscheen de bloemlezing ’Ik ben een bijl’. Schitterende titel. Schitterend omslag. In de inleiding van Erik Jan Harmens (ook gepubliceerd in dit katern) wordt veel geschreeuwd. Gevaarlijk dit, geëngageerd dat. Natuurlijk wil Harmens poëzie die op geen enkele manier vrijblijvend is. Natuurlijk heeft hij zich in de loop der jaren door veel strontvervelende dichtbundels moeten werken. Natuurlijk wil hij poëzie die alleen nu geschreven kan zijn, die de wereld in lichterlaaie zet en zelfs „verboden zou kunnen worden”.

Zoals te verwachten wordt er vooral laatdunkend en meewarig op Harmens’ oproep tot agressieve poëzie gereageerd. Maar wat is er mis met een dichter die eens goed zijn woede lucht? Elke dichter heeft het volste recht zich op de wereld te willen wreken. ’Ik ben een bijl’ bevat dan ook behoorlijk wat sterke, aangrijpende en aangenaam onbehouwen gedichten. Maar zoals dat gaat met poëzie: nergens voel ik me aangevallen, beledigd, bedreigd. Het is er gewoon het medium niet voor.

Eigenlijk ken ik maar één overtuigend voorbeeld van agressieve poëzie. Al meer dan vijftien jaar ben ik in de ban van een dichter die ik voor geen goud ontmoet zou willen hebben. Hij heeft me nog nooit uit mijn slaap gehouden, zo kleinzerig ben ik niet, maar zijn beelden achtervolgen me als een nachtmerrie uit mijn kindertijd. In 1912 kwam hij met een bundel die ik nog altijd tot een van de sterkste debuten van de twintigste eeuw reken. Daarin staan maar negen gedichten. Die bundel begint zo:

Wie is die dichter die een verdronken kadaver op zijn tafel krijgt? Zou hij in een lijkenhuis werken? En zou hij bij het dichtnaaien van een dode daadwerkelijk een aster in die borstkas hebben gelegd? Het lijkt haast nobel, een wat onbeholpen maar in elk geval barmhartig gebaar. „Rust zacht”, zegt de dichter er nog bij. Maar hij richt zijn woorden niet tot de overledene, hij richt ze tot een bloem – en hoopt dat die bloem ook nog eens dronken wordt van het vocht van de dode die daar op zijn ontleedtafel ligt.

Je vraagt je af of het geen zieke droom is, een scheve fantasie van een overwerkte aflegger of nog altijd bij zijn moeder wonende bloemenkoopman. Gedicht nummer twee speelt zich opnieuw in het mortuarium af. Ook nu wordt er gedronken. Ratten drinken het koude bloed van een verdronken meisje dat in een rietkraag werd gevonden. Shakespeare schreef over Ophelia die niet, zoals Hamlet haar toebeet, naar een nunnery ging maar bloemetjes vlechtend en verwarde liedjes neuriënd in het water gleed – Arthur Rimbaud zag haar als een grote lelie op het donkere water drijven en Georg Heym meende een lange witte aal over haar borst te zien glijden.

Hier nog een versie. Als je goed kijkt staan er heel wat hoogromantische woorden als ’mooi’, ’jeugd’, ’mond’, ’meisje’ en ’borst’ en ’prieel’ in dit gedicht, maar noem het maar eens romantisch:

Richtte de dichter zich in ’Kleine aster’ niet tot de overledene maar tot de aster in diens borstkas, hier lijkt hij vooral begaan met de jonge ratten die niet meer beschut worden door de romp van het meisje. Het effect is zonder meer gruwelijk. En toch is dit in mijn ogen een van de mooiste gedichten die er de afgelopen eeuw geschreven zijn.

De laatste tijd schrijven de kranten dat er voor miljoenen aan goud uit crematoria verdwijnen. Niet iets waarvan mijn dichter zou opkijken. In ’Kringloop’, het derde gedicht, beschrijft hij hoe „de eenzame kies van een hoer, / die onbekend gestorven was” een gouden vulling verbergt. De rest van haar gebit blijkt „als bij stille afspraak” verdwenen. Onbeschaamd slaat een lijkbezorger die kies er uit, brengt hem naar de bank van lening en gaat van dat geld uit dansen. „Want, zo sprak hij, / alleen aarde moet weer aarde worden.”

Wat voor cynische hond schreef deze berichten uit het voorgeborchte? Ging het, zoals sommige kranten zich afvroegen, om een gestoorde ziekenverzorger? Hadden we hier te maken met een ’absintgenie’?

Een monster zou ik hem niet willen noemen, maar Gottfried Benn (1886-1956) heeft heel wat trekken van een Duitser zoals we die liever niet zien: streng, gezet, formeel en zich in zijn vrije tijd verlustigend in de duistere krochten van de ziel. Overdag volgde hij een cursus anatomie in een ziekenhuis in het Berlijnse stadsdeel Moabit. Vijfentwintig was hij, en de lijken van de vaak naamloze of verloederde Berlijners die hij onder zijn scalpel kreeg, grepen hem zo aan dat hij op een avond binnen een uur „als uit het niets” vijf gedichten schreef waarin „de kroon op de schepping, het zwijn, de mens” niet veel meer dan een pak muesli bleek. „Toen de schemertoestand ophield”, schreef Benn later, „was ik leeg, hongerig, duizelig en kroop ik moeizaam te voorschijn uit het grote verval.”

De dagen daarop schreef hij er snel vier gedichten bij en binnen een week verscheen ’Morgue und andere Gedichte’.

Met die negen gedichten had Benn een bomaanslag op de Duitse poëzie gepleegd. Al snel was hij even beroemd als berucht. Toen de autoriteiten zich over deze snijzaalpoëzie bogen besloot men de bundel in beslag te nemen – niet erg doortastend, want de 500 exemplaren waren inmiddels zo goed als uitverkocht.

Het vreemde is, achteraf bezien, dat ’Morgue’ als een vlugschrift was gedrukt en inderdaad de explosieve kracht van een pamflet bleek te hebben. Dit was poëzie die ertoe deed – en er nog altijd toe doet, want ’Kleine aster’ en ’Mooie jeugd’ zijn tot op de dag van vandaag in alle gezaghebbende Duitse bloemlezingen terug te vinden.

Lang geleden maakte ik een vertaling van ’Morgue’ en stuurde die samen met zo’n vijftien latere gedichten op naar zeven uitgeverijen. Met de precisie van een boemerang kwam alles weer terug. Mokkend en wrokkend dacht ik dat deze poëzie te agressief voor ze was, dat ze dit bijna handenklappende nihilisme gewoon niet aandurfden. Onzin, denk ik nu. Gevaarlijke poëzie, werkelijk ontregelende poëzie bestaat niet.

En toch – toch zou onze poëzie heel wat opwindender zijn als elke dichter bij het schrijven van een nieuw gedicht die onverbiddelijke toon van Benn in zijn achterhoofd had. Het gaat me niet om de horror, het gaat me om de inzet, de wanhoop, de schoonheid en de onvergelijkbare brutaliteit van deze poëzie.

Nog één gedicht uit de bundel. Er zijn hooggeleerde poëzievorsers die beweren dat het ’eigenlijk’ een liefdesgedicht is. Ik weet het niet. Ik weet wel dat het een van de onthutsendste gedichten is die ik ooit las. Gevaarlijk of niet, dit is de poëzie voorbij:

(Trouw) Beeld
(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden