Het Wilde Westen van Tunesië

Spontane stakingen, opstootjes en wegblokkades zijn in Tunesië aan de orde van de dag. 'In de visie van de werkloze is er niets veranderd.'

Het monumentale gebouw staat nog overeind, maar daar is alles mee gezegd. Muren zijn geblakerd, kozijnen verkoold. De stoffige gangen liggen bezaaid met halfverbrande paperassen. Tot voor kort was dit het archief van de Compagnie des Phosphates de Gafsa (CPG), de in 1896 door de Fransen opgerichte fosfaatwinningsgroep en sinds 1994 onderdeel van Groupe Chimique de Tunisie, de industriële trots van Tunesië.

Het archief was gevestigd in het mijnstadje Moulares en onlangs viel het ten prooi aan de woede van de bevolking. Aanleiding was de bekendmaking van de eerste resultaten van het concours dat de CPG een paar weken eerder had georganiseerd. Het overheidsbedrijf had zo'n drieduizend banen in de mijnen te vergeven; ongeveer 35.000 mensen hadden zich gemeld. Vrijwel direct circuleerden er geruchten van fraude en diezelfde avond gingen de archieven in vlammen op. De aanpalende fosfaatwasserij bleef gespaard, vooral dankzij ingrijpen van het leger.

"We hebben begrip voor de uitzichtloze situatie van onze stadgenoten", zegt voorman Abdelhaj Saoed op het fabrieksterrein. Bij een vuurton houdt hij met een paar collega's een oogje in het zeil. "Maar we zijn het niet eens met de manier waarop ze hun woede uiten, straks slopen ze de wasserij en verliezen wij zelf ook nog onze baan."

Moulares is een van de stadjes in het zogeheten mijnbassin rond Gafsa, de vierde stad van Tunesië, in het zuidwesten van het land, niet ver van de Algerijnse grens. De ligging van de stad veroordeelt de bewoners tot een wat vegetatief bestaan. Gafsa ligt niet zuidelijk genoeg om woestijntoeristen te lokken (die reizen door naar de oase van Tozeur) en niet westelijk genoeg om zich in de aandacht van de industriëlen aan de kust te kunnen verheugen.

De enige troef die Gafsa heeft, zijn de fosfaatmijnen die Tunesië tot de vijfde producent van de wereld maken. Het grijze goud dient als een belangrijke grondstof voor kunstmest en is een kurk waar de Tunesische economie op drijft. Normaal gesproken dan, want 2011 was geen goed jaar voor de Tunesische fosfaatindustrie. Stakingen, vernielingen en blokkades zorgden ervoor dat de CPG, de belangrijkste werkgever in de regio, het jaar bijna met verlies afsloot.

Ook in Mhdilla, zo'n 70 kilometer verderop, waren zware ongeregeldheden na de bekendmaking van de uitslag van het concours. Hier moest een administratiegebouw van de CPG het ontgelden. Ook het politiebureau, het arbeidsbureau en het gemeentehuis gingen in vlammen op.

"Het is alsof we op een schat wonen, maar er niet aan mogen komen", zo verwoordt Rachid Jadlaoui zijn frustratie. "De fosfaten worden hier gewonnen, maar het geld wordt aan de kust verdiend, in Sfax en Gabès, waar de verwerkingsindustrie zit."

Ook Jadlaoui, een 45-jarige vader van twee kinderen dong mee naar een van de banen bij de CPG. Tevergeefs. Of hij deelnam aan de brandstichting wil hij niet zeggen. Wel dat hij eerder op de ochtend met een aantal stadgenoten meedeed aan een wegblokkade, in een poging het fosfaattransport richting de kust te hinderen.

"Wij hebben geen probleem met de regering", zegt Jadlaoui. "Wij willen alleen dat de fosfaatfabriek ons werk geeft. En als dat niet kan, dan eisen we dat de directie van de miljoenen die ze verdient, investeert in de regio."

"Helaas voor ons zijn wij de enige grote werkgever in de regio", zucht de regiodirecteur van de CPG, Miloudi Bouzidi, in zijn kantoortje in Metlaoui, een stadje zo'n 30 kilometer verderop. "Alle hoop is op ons gericht, maar we zijn een commercieel bedrijf, we kunnen moeilijk iedereen aannemen." Hij erkent wel dat er fouten zijn gemaakt met het concours. "De directie wilde een geste naar de bevolking maken en heeft een paar duizend arbeidsplaatsen gecreëerd. Het idee was de banen te vergeven aan degenen die er het meeste om verlegen zaten, niet aan de best gekwalificeerden. Maar het ontbrak ons aan instrumenten om na te gaan wie dat waren. En daarbij: je kunt wel mensen selecteren omdat ze jong zijn, maar daarmee wek je direct de woede van ouderen die al vijftien jaar werkloos zijn."

In overleg met de gouverneur is besloten het concours over te doen, maar nu met hulp van selecteurs van de vakbonden en de overheid. De woede onder de bevolking begrijpt Bouzidi wel. "In de visie van de werkloze is er in het afgelopen jaar niets veranderd. De behoefte aan werk was een van de drijfveren van de revolutie, maar het is er nog altijd niet."

Dat klopt, want democratische vrijheden, zoals de vrijheid van expressie, hebben Tunesiërs tot dusver geen banen opgeleverd. Sterker nog, sinds de revolutie die begin 2011 uitmondde in de vlucht van president Zine El-Abidine Ben Ali, steeg de werkloosheid van 600.000 naar 850.000 personen, een stijging van 14 naar bijna 20 procent. In de armere regio's, daar waar de revolutie begon en razendsnel om zich heen greep, schommelt dat percentage tussen de 40 en de 50 procent.

"Werkloosheid is het topje van de ijsberg", zegt Mohammed Miraoui, regionaal secretaris van de vakbond UGTT in zijn kantoor in Gafsa. "Medische voorzieningen, goede wegen, ja, aan eigenlijk alle overheidsvoorzieningen schort het. Er bestaat een diepgeworteld wantrouwen jegens de autoriteiten in Tunis. De revolutie heeft daar tot dusver weinig verandering in gebracht."

De onrust beperkt zich dan ook allerminst tot het mijnbassin. In het hele Tunesische achterland gist het. In Makthar, een stadje in het provincie Siliana, besloot de bevolking tot een algemene staking uit woede over het gebrek aan werk, zorgvoorzieningen, water en gas. Toen jongeren bomen in het centrum omkapten en toegangswegen blokkeerden, kreeg de staking het karakter van een opstand.

Een soortgelijke actie vond plaats in Sidi Makhlouf, in de zuidoostelijke provincie Medenine. Ook hier eisten de demonstranten werk, zorgvoorzieningen en infrastructurele verbeteringen. Toen onderhandelingen met de gouverneur mislukten, werd hij gegijzeld in zijn kantoor. In Jendouba, in het noordwesten van Tunesië, barricadeerden jongeren de toevoerwegen, net als in Nefza in de naburige provincie Beja, waar woedende bewoners een brandweerwagen met brandweermannen gijzelden om hun eis tot een eigen brandweerkazerne kracht bij te zetten. En dat is nog maar een kleine greep: spontane stakingen, opstootjes, vernielingen en wegblokkades zijn aan de orde van de dag.

Handhaving van de openbare orde is in het Tunesische achterland nog vaak gebrekkig. Op veel plaatsen heeft de politie - de pijler waar het oude regime op steunde - zich sinds de val van Ben Ali niet meer laten zien. Het (kleine) leger heeft weliswaar een aantal taken overgenomen, maar is voor politietaken nauwelijks toegerust. Nu heerst er een quasi-anarchistische situatie, met directe gevolgen voor de economie.

Nabij Sidi Bouzid, de stad waar Mohammed Bouazizi op 17 december 2010 met zijn zelfverbranding de start voor de revolutie gaf, sloot de Duitse bouwmaterialenfabrikant Knauf na aanhoudende stakingen de deuren. In Gafsa schortte het Japanse bedrijf Yakazi, een van de grootste kabelaars ter wereld, prompt twee fabrieken toen werknemers hun looneisen op tafel legden en dreigden met een staking. Op 10 februari sloot de Duitse autofabrikant Leoni een fabriek in de noordelijke stad Mateur waardoor 2.700 mensen hun baan verloren. Ook hier voerde de directe het argument van stakingen aan.

De nieuwe Tunesische president Moncef Marzoeki stuurde inmiddels een noodkreet de wereld in. Hij waarschuwde voor een 'collectieve zelfmoord' als de ingezakte economie nog verder in het slop zou zaken. Buitenlandse investeringen liepen vorig jaar met 30 procent terug; de voor de Tunesische economie zo belangrijke toerismesector kromp met 83 procent. "Ik smeek jullie om niet het schip tot zinken te brengen dat ons allemaal vervoert", zo richtte Marzoeki zich tot de betogers. Hij riep op tot een 'wapenstilstand' tussen werkgevers en werknemers en waarschuwde voor het gevaar van een contra-revolutie of een nieuwe revolutie in het achterland die het land onbestuurbaar zou kunnen maken.

Daarmee legde de president een direct verband tussen de kritieke economische situatie en het welslagen van de democratische transitie in Tunesië. Niet ten onrechte, meent de vooraanstaande econoom Mahmoud Ben Romdane. "De verwachtingen onder de bevolking zijn hooggespannen, té hooggespannen wellicht, maar ook de regering treft blaam." Volgens Ben Romdane, tevens bestuurslid van de oppositiepartij Ettajdid, heeft de huidige regering (gevormd door het islamitische Ennahda en de twee centrumlinkse partijen CPR en Ettakatol) het onheil over zichzelf afgeroepen door na de verkiezingen in oktober eerst twee maanden op haar gemak coalitiebesprekingen te voeren. "Dat heeft veel kwaad bloed gezet onder de bevolking. De vorige interimregering zei steeds: wees geduldig tot de verkiezingen, vanaf dan worden jullie problemen serieus aangepakt. Maar het is nu februari en er is nòg geen plan van aanpak."

Maar zelfs voor welwillende bestuurders is het vaak onbegonnen werk, merkte Moncef Heni, de nieuwe gouverneur van Gafsa. Hij voerde overleg met de directie van Yakazi en haalde die over de sluiting van de fabriek te heroverwegen. Hij onderhandelt ook met de Italiaanse kledingfabrikant Benneton over de opening van acht ateliers. Dankzij een forse toename van het budget was hij in staat zo'n 8.000 mensen een jaarcontract te geven (een verkapte uitkering, want echt werk is er niet).

"Onlangs bestormde een woedende menigte het provinciehuis", aldus Heni in zijn met straalkachels verwarmde kantoor. Hij wijst op de ontzette deur naar de binnenplaats. "Alles is overhoop gehaald", zegt hij, terwijl hij zwaait met een lade uit zijn massieve bureau. "Een paar dagen later moest ook mijn ambtswoning eraan geloven." Vrouw en kinderen heeft hij uit veiligheidsoverwegingen ondergebracht in de hoofdstad. "Het is echt een race tegen de klok. De mensen willen verbetering van hun leefsituatie en wel onmiddellijk. Dat is begrijpelijk, maar ik kan niet in een handomdraai een fabriek neerzetten. Protesten zoals in de afgelopen weken, zijn alleen maar contraproductief."

Door decennia van verwaarlozing zit het wantrouwen jegens de autoriteiten diep bij de bevolking in de Tunesische regio. Tel daarbij de kritieke economische situatie op, de verwachtingen die de revolutie bij de bevolking heeft gewekt en het weinig doortastende optreden van de regering en je hebt een explosieve situatie.

Een toveroplossing bestaat niet, zegt Romdane. "Het belangrijkste is de neerwaartse spiraal te doorbreken en het vertrouwen tussen de bevolking en de autoriteiten te herstellen." Volgens Romdane slaan de nieuwe leiders daarbij keer op keer de plank mis. "Marzoeki ontwaart de hand van extreemlinks achter de protesten; premier Hamadi Jebali plaatst ze op één lijn met radicale salafisten. Ik zou zeggen: neem de betogers serieus, het water staat de mensen aan de lippen."

Maak een krachtig gebaar, zegt ook Bouzidi van de fosfaatfabriek. "Een fabriek neerzetten kan inderdaad niet in een dag. Maar leg op zijn minst de eerste steen, zodat de bevolking kan zien dat het dit keer niet bij loze woorden blijft." Dat zegt hij ook uit eigenbelang. Aan het eind van de maand presenteert de CPG de herziene uitslag van het gewraakte concours. "Zelfs als de selectie onberispelijk zal zijn, betekent dat nog steeds dat we tienduizenden mensen zullen teleurstellen. Als er tegen die tijd geen alternatief is waar zij hoop uit kunnen putten, sta ik niet voor de gevolgen in."

Afgelopen donderdag namen de bewoners van Gafsa daarop alvast een voorschot. Opnieuw bestormden zij het provinciehuis en gooiden met stenen de ramen in.

Komt McDonald's?
Hoe zorgwekkend de economische toestand in Tunesië ook is, mogelijk hebben de veranderingen in het land al wel een positief effect op buitenlandse bedrijven.

Zo gonst het op Tunesische websites al dagen van geruchten dat de Amerikaanse hamburgerketen McDonald's de Tunesische markt wil betreden. Dat is goed nieuws, niet zozeer omdat de Tunesiërs zich nu eindelijk aan Amerikaans fastfood kunnen laven, maar omdat het erop duidt dat de Tunesische markt transparanter is geworden.

Onder het oude regime waren buitenlandse bedrijven verplicht samen te werken met de corrupte schoonfamilie van de vorig jaar verjaagde president Ben Ali.

Zo vertrok Pepsi destijds al na een jaar uit irritatie over de intimidatiepraktijken. McDonald's beriep zich voorheen op zijn strikte anticorruptiebeleid en weigerde categorisch onder het oude regime zaken te doen in Tunesië. Overigens is dat beleid niet in de laatste plaats ingegeven door strenge Amerikaanse anticorruptiewetgeving die het mogelijk maakt om Amerikaanse bedrijven te vervolgen als ze in het buitenland steekpenningen betalen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden