Het ’wereldje’ in gegaan, zelf geld gevonden, en het avontuur kon beginnen

Tuberculose-onderzoekster Alma Tostmann is eventjes terug op Nederlandse bodem, na een maandenlang verblijf in Tanzania. Het weerzien met haar familie duurt maar kort, want over een dag vliegt ze naar Canada voor een wetenschappelijk congres. Daarna spoedt ze zich terug naar de tropen om haar proefschrift af te maken.

Het is goed toeven in Tanzania, zegt de 27-jarige promovenda in de tuin van haar ouderlijk huis. Altijd mooi weer en een prachtige natuur. Armoedig is het er allerminst. „Ik woon in een mooi stenen huis met elektriciteit en stromend water in de stad Moshi, in het rijkere deel. We hebben ruime kamers en een gigantische tuin. Elke ochtend ontbijt ik op de veranda, met uitzicht op de Kilimanjaro.”

Rondom het ziekenhuisterrein waar ze woont staan al wel een paar eenvoudige lemen hutjes. Verder weg van de stad slaat de armoede pas echt toe. Daar, in de binnenlanden, wonen de meeste van Tostmanns patiënten. Ze lijden aan tuberculose oftewel tbc, de infectieziekte waarop de onderzoekster volgend jaar hoopt te promoveren.

Tostmann werkt officieel op de afdeling longziekten van het UMC St Radboud in Nijmegen. Ze koos bewust voor een leven in de medische wetenschap. Achteraf bezien zat het er al vroeg in. „Als kind zat ik al aan de tv gekluisterd bij operaties. Mijn broertje kon niet naar die vieze bloederige dingen kijken, maar zelf was ik er niet bij weg te slaan.”

Op de middelbare school waren natuurkunde, biologie en scheikunde bovendien haar lievelingsvakken. Alles wees kortom dezelfde kant uit. Even overwoog de scholiere nog om geneeskunde te studeren en arts te worden. Maar de opleiding tot biomedisch wetenschapper leek haar uitdagender. „Dan kun je slimmer met ziektes aan de slag.” En dus werd het Biomedische wetenschappen in Nijmegen.

Tijdens haar studie merkte ze dat ze geen zin had om de zoveelste cholesterolpil of bloeddrukverlager te ontwikkelen. Liever wilde ze iets doen aan de gezondheidsproblematiek in ontwikkelingslanden. „Als kind vond ik de verschillen tussen rijk en arm al oneerlijk. Daar komt bij dat ik Afrika altijd al interessant vond. Die belangstelling heb ik heel mooi kunnen combineren met het biomedisch onderzoek door me al tijdens mijn studie te richten op tropische infectieziekten.”

In de medische wetenschap vind je vrij eenvoudig een baan, vertelt de promovenda. Maar zijzelf stelde zeer specifieke eisen: veldwerk in de tropen. Daarvoor liggen de subsidies niet voor het oprapen.

Onderzoek naar tropische ziekten komt er volgens Tostmann sowieso bekaaid af. „Van al het geld dat naar medisch onderzoek gaat, wordt zo’n beetje 80 procent besteed aan ziektes waar maar 10 procent van de wereldbevolking aan lijdt.” Dat is op zich verklaarbaar: de farmaceutische industrie wil nu eenmaal geld verdienen, en in ontwikkelingslanden valt niets te halen.

Maar de onderzoekster legt zich niet bij die economische logica neer. Dat betekent wel dat zij flink wat moeite moest doen om een promotieplaats te bemachtigen. „Ik heb eerst een aantal losse banen op de Nijmeegse universiteit gehad. Ik ben bijvoorbeeld management-assistente geweest bij Infectieziekten. Zo zat ik alvast een beetje in het wereldje. Op een bepaald moment ontmoette ik mijn huidige begeleider. Die had een onderzoeksplan, maar geen geld. Dat geld heb ik er zelf bij gevonden via het KNCV Tuberculosefonds en een door de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO) gesponsord onderzoeksproject in ons ziekenhuis.”

Toen kon het wetenschappelijk avontuur beginnen. De promovenda richt zich op bijwerkingen van medicijnen tegen tuberculose. Patiënten moeten vier soorten pillen tegelijk slikken, maanden achtereen. De lever kan daardoor beschadigd raken. Als de patiënt in zo’n geval niet snel met de behandeling stopt, kan hij eraan overlijden.

Tostmann probeert nu te voorspellen welke patiënten de grootste kans op bijwerkingen hebben. Tegelijkertijd ontrafelt ze in het lab het biologische mechanisme achter de bijwerkingen, zodat ze er een middel tegen kan ontwikkelen.

Binnenkort voegt Tostmann aan al dit werk nog een nieuwe onderzoekslijn toe: ze gaat kijken naar patiënten met zowel tbc als suikerziekte. Deze uitbreiding kan dankzij de Unesco-L’Oréal-beurs die de promovenda onlangs won. Voor deze beurs, toegekend aan vijftien vrouwelijke wetenschappers, is zij geselecteerd uit een wereldwijd aanbod van ruim duizend gegadigden.

De onderzoekster had er geen moeite mee dat het geld (40.000 dollar) van L’Oréal komt. „Geld is geld”, zegt zij. „En het is voor een goed doel, namelijk mijn onderzoek! L’Oréal staat er verder volledig los van. Daar ging Unesco over.”

De uitreiking vond plaats op 6 maart in Parijs. „Het was een feestelijke bijeenkomst waar veel werd gesproken over women power en over vrouwen die het moeilijk hebben in de wetenschap”, zegt Tostmann. „Bij mijzelf leeft dat thema niet zo. In een land als Iran hebben vrouwen het vast moeilijk. Maar in Nederland kunnen ze volgens mij best hogerop komen. Als ze maar wíllen.”

In de praktijk zijn het natuurlijk wel de vrouwen die de kinderen krijgen, relativeert zij. „Dat gebeurt vaak nadat ze gepromoveerd zijn, precies in de jaren die wetenschappelijk het productiefst zijn. Als een vrouw vervolgens haar aandacht over werk en gezin wil verdelen, en ze wordt daarop afgerekend, kan dat verlammend zijn. Maar het hangt er denk ik helemaal vanaf hoe een vrouw daar zelf mee omgaat. Een vrouw die parttime werkt, deelt haar tijd waarschijnlijk mega-efficiënt in. Dan is ze niet minder waard dan een onderzoeker die fulltime werkt en die er allerlei commissies en bestuurstaken naast doet.”

Veel nadelen ziet de promovenda niet aan haar verre werk in de wetenschap. Haar vriend hoeft ze in elk geval niet te missen, want die zit in het malaria-onderzoek en reist gewoon met haar mee. Hooguit zou Tostmann op den duur genoeg krijgen van het gebedel om onderzoeksgeld en van het geleur met artikelen bij wetenschappelijke tijdschriften. Verder betreurt zij het dat veel onderzoekers na hun promotie jarenlang op tijdelijke contracten werken. „Daar word je op den duur een beetje gek van denk ik. Maar zover ben ik nog niet.”

Na haar promotie wil Tostmann een paar jaar in Groot-Brittannië werken aan de befaamde London School of Hygiene and Tropical Medicine. Daar zitten alle grote namen uit haar onderzoeksveld. „In Afrika mis ik de wetenschappelijke input een beetje. In Londen verdrink je daar juist in.”

De promovenda kan zichzelf op lange termijn ook prima voorstellen in een baan bij een niet-gouvernementele organisatie of de Wereldgezondheidsorganisatie. Maar de wetenschap blijft toch het aantrekkelijkst, liefst aangevuld met wat taken in het onderwijs.

Tostmann wil vooral praktisch onderzoek doen dat snel iets toepasbaars oplevert. Voor meer fundamenteel werk, aan eiwitten en DNA, heeft zij te weinig geduld. Vandaar haar nieuwe studie naar tbc-patiënten die ook suikerziekte hebben. Het vermoeden is dat de geneesmiddelen tegen tbc bij hen minder goed werken dan gebruikelijk. Als Tostmann dat idee kan bevestigen, zou een heel eenvoudige remedie kunnen zijn om de patiënten een hogere dosis te geven.

Daarbij houdt zij voortdurend voor ogen dat elk jaar 8 miljoen mensen tbc krijgen. Van hen overlijden er 2 miljoen aan de ziekte. Tostmann: „Die mensen wil ik graag helpen en een beetje gelukkiger maken. Daar doe ik het uiteindelijk voor.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden