Klein VerslagWim Boevink

Het weer is stuk

Wat is dit voor weer? Waarom zwijgt iedereen? Waarom doen weermannen en weervrouwen wat ze altijd doen? Waarom laten ze hun weerberichten zo klinken, alsof er niets aan de hand is? Vandaag wind en regen, morgen wind en regen. Terwijl het weer stuk is. Van slag.

Drie weekenden – en vooral de weekenden – storm en regen. Ciara, Dennis, Ellen. Is dat normaal? Wordt iets voor ons verzwegen, iets wat zo erg is dat het beter is om het niet te horen? In mijn perceptie regent en stormt het al heel 2020, met uitzondering van de zonnige zevende februari, maar die was zo uitzonderlijk dat ik er een Klein Verslag aan wijdde.

Van mot tot stort

Ik moet hier nu ook iets schrijven over maandag de 24ste. Eergisteren. Een dieptepunt in slecht weer. Mensvijandig weer. Veel regen, veel wind.

Ik had een afspraak in de grote stad. Om er te komen moest ik gebruikmaken van een bus, een trein, een metro en een tram. Het regende onafgebroken, van mot tot stort. Al mijn vervoersmiddelen zaten vol. Ik had het gevoel deel uit te maken van een vluchtelingenstroom. Bedrukte gezichten, een somber naar buiten staren. De regen tegen de ramen, in verwaaide stroompjes, grillig, veranderlijk.

Zwarte jassen of donkergroen, bijna iedereen. Wasemend van het vocht. Ik keek naar natte schoenen, zwart uitgeslagen leer. Men probeerde elkaar ondanks de drukte niet aan te raken. Uit mijn jaszak stak een exemplaar van de Bildzeitung. Daar waar hij uitstak, was hij nat geworden. Een natte krant is erg verdrietig.

Ik kocht ’m om zijn vette kop in gele letters tegen een zwarte achtergrond: Corona-Alarm! Over de virusuitbraak in Italië en het afsluiten van steden. “Wie vluchten wil, wordt gearresteerd.” Ik probeerde hem in de trein nog uit te vouwen. De zwarte drukinkt was in de gele letters uitgelopen.

Niemand droeg een mondkapje

De metro’s in de grote stad reden af en aan. Op de perrons stonden mensen weggedoken in hun jassen. Windvlagen bulderden onder het stationsdak door. De metro was gevuld met natte jassen. Bij sommigen stond de regen nog op het brillenglas. Het was er warm en vochtig. Ik dacht aan het coronavirus. Niemand droeg een mondkapje.

Bovengronds viel het nu met bakken uit de hemel. Ik vluchtte naar de abri, waar andere vluchtelingen zij aan zij stonden. Ik keek in verwrongen gezichten. Men klemde de kaken op elkaar. Het smalle abridak bood onvoldoende beschutting tegen de met regenwater smijtende rukwinden. Voor de hoge stoeprand had zich een enorme plas gevormd. Passerende taxi’s minderden vaart uit compassie. Ook de trams reden stapvoets aan, het water in golfjes voor zich uit duwend.

In de tram zag ik een man met volkomen verwaaid hoofd en kletsnat gelaat. Hij zakte wezenloos neer op een stoel. Hij leek me de uitputting nabij. Van de tramhalte was het nog een paar honderd meter naar het kantoor waar ik had afgesproken, via een open terrein waar de wind vrij spel had. In de kantoortuin was het benauwd en doodstil. Tientallen mensen keken zwijgend in schermen. Op de terugweg regende het opnieuw in striemen. In de trein was een man boven zijn laptop in slaap gevallen.

Morgen wind en regen.

Met het oog van een antropoloog en de pen van een dichter doet Wim Boevink dagelijks verslag over de grote en kleine wereld om hem heen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden