HET WAS EEN OPMERKELIJK STEL IDIOTEN

Afgelopen weekeinde overleed de filosoof, socioloog en antropoloog Ernest Gellner op 69-jarige leeftijd in Praag. Onlangs sprak Mathijs Smit met hem over zijn werk. “Agrarische stelsels zijn heel verschrikkelijk. Ze hechten waarde aan dwang, snobisme en agressie en noemen dat 'eer'. Ze minachten het vrije denken en worden beheerst door boeven en windbuilen. Een heel onplezierige bedoening, waar we gelukkig aan ontsnapt zijn.”

Hij studeerde aan Balliol College in Oxford, en vervulde later hoogleraarschappen aan de prestigieuze London School of Economics en King's College, Cambridge. Daarnaast was hij voorzitter van het Royal Anthropological Institute.

Maar na de val van het IJzeren Gordijn keerde hij terug naar Praag, om aan de Central European University leiding te geven aan een centrum voor de bestudering van nationalisme. Doceren in Praag was zijn nieuwe uitdaging. Hij was zeer optimistisch over de huidige ontwikkelingen in Tsjechië:

“De Tsjechische Republiek - ik haat het woord Tsjechië - is het minst problematische land van Europa. Het beschikt over een stabiel politiek systeem, een hoog opleidingsniveau, technische ontwikkeling, werkethiek, en een milde graad van corruptie die uitstekend samen kan gaan met succesvol zaken doen. Bovendien is het, dank zij Hitler en Stalin, etnisch homogeen. Economisch en politiek zal het voor de wind gaan. Everything is lovely. Alleen bestaat er een gevaar voor het intellectuele klimaat. Vanwege de oriëntatie op economische ontwikkeling worden veel kundige mensen weggelokt uit de wetenschap naar de zakenwereld. Dit zal waarschijnlijk resulteren in een Philistine dullness. Ik vermoed dat de Tsjechische Republiek een tweede Oostenrijk zal worden: welvarend en stabiel, maar ook een beetje saai. Met uitzondering van de muziek is het intellectuele leven in Wenen zeker niet vergelijkbaar met datgene wat er voor de Eerste Wereldoorlog plaatsvond. De Tsjechische cultuur bloeide onder de onderdrukking van het communisme, het gevaar bestaat dat ze verwelkt onder de vrijheid.”

Aan Gellner zal het niet gelegen hebben, want saai was hij allerminst. Berucht was hij om zijn scherpe aanvallen op zijn intellectuele tegenstanders. In de laatste jaren van zijn leven richtte hij zich met name tegen de hysterische uitbarsting van relativisme die met het postmodernisme samengaat. Keer op keer hekelde hij in publikaties en lezingen de afkeer van theorieën. Gellner liet zich kennen als een sociaal wetenschapper die liever inzicht verschafte in een bepaald probleem, met behulp van een al dan niet volmaakte theorie, dan lamgeslagen te worden door het heersende relativisme.

Zijn afkeer van het relativisme kwam al tot uiting in de jaren vijftig. In Words and Things (1959) betoonde hij zich een fel criticus van de toen heersende Britse filosofische school: de Oxford Linguistic Philosophy die geïnspireerd door Wittgenstein, stelde dat taal niet in staat is om absolute kennis weer te geven.

Uw huidige aanval op het postmodernisme doet sterk denken aan uw afkeer van het relativisme van de Oxford Linguistic Philosophy.

“Dat ligt iets genuanceerder. De veronderstelling die Wittgenstein de Oxford Linguistics aan de hand deed was relativistisch. Maar zij gebruikten deze relativistische vooronderstelling om hun positie in het filosofisch debat te verabsoluteren. Het is alsof iemand zegt: ieder gezichtspunt is deugdelijk, maar ik ben de enige persoon in de wereld die er toe doet, en daarom heeft mijn gezichtspunt absolute geldigheid. Het is nogal een gecompliceerd geval. Zowel hun relativistische vooronderstelling, als hun absolutistische gevolgtrekking waren verkeerd. En zij gebruikten het een om het ander te ondersteunen. Zij waren dus op een bijzondere manier bespottelijk. De postmodernen weten tenminste dat zij relativisten zijn.”

Een rode draad in uw werk is de afkeer van absolutisme. Wat is het alternatief?

“Ik kan geen sympathie opbrengen voor dogmatisch absolutisme. Ik geloof dat er een unieke waarheid bestaat, waar men zo dicht mogelijk bij moet proberen te komen. Maar ik denk niet dat mensen het recht hebben om er op te vertrouwen dat zij die waarheid in pacht hebben. Je weet nooit zeker of je het bij het rechte eind hebt. Je bent niet gerechtigd om dogmatisch te zijn.”

Is uw afkeer van dogmatiek te verklaren door het gegeven dat u Tsjechoslowakije tot twee keer toe moest verlaten wegens de vestiging van totalitaire systemen?

“Ik betwijfel of dat op deze manier verklaard kan worden. Ik heb het communistische totalitarisme en het dogmatisch marxisme altijd verafschuwd. Dat is correct. Maar mijn afkeer van het nationaal socialisme is niet bepaald door haar dogmatiek. De nazi's hadden een aantal sterke - en nogal weerzinwekkende - waarden, maar het nationaal-socialisme was geen beweging met een theoretische achtergrond. Het verafschuwde theorieën en intellectualisme. In dat opzicht is deze beweging niet gelijk aan de marxisme.

De dogmatiek heeft overigens ook mijn afkeer bepaald van de Freudiaanse psychoanalyse en de Wittgensteinse filosofie, zoals die werd beoefend gedurende de eerste naoorlogse jaren in Oxford. De aanhangers van deze filosofische methode waren er echt van overtuigd dat de plotselinge openbaring was gekomen: de hele filosofie had het tot dan toe bij het verkeerde eind gehad. Zij hadden gelijk. Dit zou het einde van 'het denken' zijn. Het was een opmerkelijk stel idioten.''

Toch schrikt u er niet voor terug om u in absolute bewoordingen uit te drukken. U liet zich bijvoorbeeld in een lezing in zeer negatieve bewoordingen uit over agrarische samenlevingen.

“De tegenwoordige politieke correctheid verbiedt het om een waardeoordeel te vellen over samenlevingen, zoals men het twee generaties geleden niet over sex mocht hebben. Dat lijkt mij kinderachtig. Ik liet mij gedeeltelijk zo uit om te provoceren, maar ik wilde er vooral mee benadrukken dat agrarische samenlevingen in het algemeen gekenmerkt worden door hiërarchie, onderdrukking en dogmatiek. Allemaal aspecten die niet te tolereren zijn voor het moderne liberale gevoel. Mijn werkelijke houding tegenover agrarische samenlevingen is veel genuanceerder. Ik begrijp de romantische hang naar de gesloten gemeenschap, waarin alle aspecten van het leven met elkaar verstrengeld zijn en elkaar versterken. Ik heb veldwerk in Berberdorpjes in Marokko gedaan, omdat ik me juist aangetrokken voelde tot deze geïntegreerde manier van leven. De woorden die ik tijdens de lezing gebruikte waren bedoeld om op een korte manier te zeggen dat de waarde-systemen van agrarische samenlevingen onaanvaardbaar zijn voor moderne liberals. En ik wilde geen blad voor de mond nemen. Ik heb een verschrikkelijke hekel aan die preutse, aanstellerige gevoeligheid die de politieke correctheid met zich mee brengt.”

Na Words and Things verscheen er nog een groot aantal werken van Gellners hand, waaronder het inmiddels klassieke Nations and Nationalism (1983). Hierin analyseert Gellner op een heldere wijze het verschijnsel nationalisme. Hij beschouwt een zekere mate van nationalisme in moderne samenlevingen onvermijdelijk, maar heeft ook oog voor de risico's die het met zich mee brengt. 'Je heb water nodig om je dorst te lessen, maar je kunt er ook in verdrinken'.

In Nations and Nationalism suggereert hij een samenhang tussen nationalisme en de overgang van een agrarische naar een industriële samenleving. Hij stelt dat de geïndustrialiseerde samenleving wordt gekenmerkt door economische groei, die alleen gerealiseerd kan worden door een verregaande arbeidsdeling die gebaseerd is op sociale mobiliteit. De voorwaarde hiervoor is het bestaan van een samenleving, waarin iedereen dezelfde taal spreekt en dezelfde cultuur deelt. Een nationaal educatie- en communicatiesysteem, dat alleen door de staat georganiseerd kan worden, moet dit bewerkstelligen. Deze structurele voorwaarden voor een geïdustrialiseerde samenleving zijn tegelijk de wortels van het moderne nationalisme. Dit is gebaseerd op het bestaan van algemene geletterdheid en een sociaal en geografisch mobiele bevolking. Uiteraard blijven in deze theorie de nationalistische gevoelens van voor de industriële revolutie onderbelicht.

Waarom besteedde u in 'Nations and Nationalism' nauwelijks aandacht aan de uiting van pre-industriële nationalistische gevoelens?

“Ik was niet specifiek geïnteresseerd in het fenomeen van het pre-industriële nationalisme. Ik ontken overigens niet dat nationalisme af en toe de kop opsteekt in pre-industriële samenlevingen. In dergelijke gemeenschappen raken mensen in conflict om uiteenlopende redenen: materiële belangen, verschil van godsdiensten, loyaliteiten aan verschillende opperheren. Soms speelt een gemeenschappelijke cultuur daarbij inderdaad een rol. Maar het gaat hier om a-typische gevallen. Je zou mijn positie als volgt kunnen omschrijven: ik stel dat nationalisme onder de omstandigheden die door de industriële samenleving worden voortgebracht, niet volledig onvermijdelijk, maar toch erg typerend wordt.”

De historicus Eric Hobsbawm, die duidelijk beïnvloed is door uw boek, stelde dat u teveel nadruk legt op de rol die de staat speelt in de opkomst van het moderne nationalisme. Hij beweerde dat de officiële ideologieën van staten en bewegingen niet duidelijk maken wat er leeft in de hoofden van de burgers.

“Het spijt me, maar ik herken daar mijn stellingname niet in. Ik heb nooit veel belang gehecht aan officiële staatsideologieën. Integendeel, in mijn boek leg ik er juist nadruk op dat nationalisme een spontaan proces is, dat plaatsvindt van beneden af. Het heeft te maken met de wezenlijke veranderingen in het leven van de gewone burger, die zich plotseling niet meer omringd ziet door velden, karren en mededorpsgenoten, maar door een anonieme massa mensen en bureaucratieën. Het is van levensbelang dat hij in dezelfde gestandaardiseerde code spreekt als de andere sprekers, om geaccepteerd te worden. Dit doet hem veranderen in een nationalist. Nationalisme is geen beweging die bepaald wordt door de theorieën van de 'dragers', de intellectuelen die het de eigenlijke vocabulaire verschaffen, en dat zeg ik ook. Ik herken gewoonweg niet de positie waarop ik door Hobsbawm wordt aangevallen.”

In 'Nations and Nationalism' voorspelde u een toekomst waarin nationalisme zou voortbestaan, maar in een andere, minder hevige vorm. U schreef de hevigheid van het nationalisme toe aan de grote sociale verschillen die het gevolg waren van de industrialisatie in zijn vroege fase en verwachtte dat de scherpte van de nationale conflicten af zou nemen. Het is anders uitgepakt.

“Niet zo heel anders. Wat ik bedoelde te zeggen was dat nationalisme minder hevig wordt in welvarende, geïndustrialiseerde en stabiele samenlevingen. De huidige opleving van het nationalisme, en de gewelddadige conflicten die daarmee gepaard gaan, vindt natuurlijk plaats in relatief minder ontwikkelde landen op de Balkan en de Kaukasus als het resultaat van de ineenstorting van het communisme. Dus ik meen niet dat de ontwikkelingen mijn theorie tegenspreken. Het feit dat het communistische rijk zichzelf ontmantelde had ik niet voorzien. Niemand had dit voor mogelijk gehouden. De ineenstorting van het communisme gaf ruimte aan de nationale conflicten.

Als gevolg van arbeidsmigratie kunnen er in de toekomst ook hevige nationalistische conflicten ontstaan in ontwikkelde samenlevingen. De voortdurende ongelijkheid in economische rijkdom leidt tot migratie op zo'n grote schaal dat zij conflicten zal kunnen creëren. Alle Westerse landen maken nu een instroom mee van cultureel heterogene, minder bevoorrechte migranten. Dit brengt het gevaar met zich mee dat er vijandigheden ontstaan tussen deze groepen en de autochtone bevolking.''

Veel van uw werk wordt gekenmerkt door oog voor het historisch ontwikkelingsproces. Zoudt U, na als filosoof, socioloog en antropoloog werkzaam te zijn geweest, ooit een baan als historicus overwegen?

Ik denk niet dat men mij zoiets zou aanbieden. Het gilde der geschiedschrijvers is tamelijk ondoordringbaar. Maar ik fantaseer er wel eens over om geschiedenisleraar te zijn aan een middelbare school. Als ik mijzelf in een financiële positie bevond waarin ik simpelweg zou kunnen doen wat ik wilde, dan zou ik geschiedenis willen onderwijzen op een goede middelbare school, waar er niet van mij verwacht zou worden dat ik per se origineel ben. Ik weet overigens niet of ik in staat zou zijn om overweg te kunnen met middelbare scholieren, met het houden van orde. Het schoolhoofd moet dan de orde maar bewaren, zodat ik me daar geen zorgen over hoef te maken. Zo'n baan zou mij wel bevallen.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden