Het ware museum is onvindbaar, ook in Engeland

Een belangrijke eigenschap van het ware museum is dat het zich in de regio bevindt. Musea in de hoofdsteden worden doorgaans goed bezocht. De vaste collecties zijn daarop ingesteld, ze zijn goed toegankelijk, van informatie voorzien. In de provincie daarentegen heeft de tijd een poosje stilgestaan. Nederlands oudste museum, Teylers Museum in Haarlem, is in zijn kern al twee honderd jaar hetzelfde gebleven. En wat er vernieuwd is (de aanbouw) is in tijdloze trekken neergezet.

CESS STRAUS

Ook in Engeland, volgens de statistieken het land met de grootste museale dichtheid, bestaat een scherpe scheiding tussen wat enerzijds de musea in Londen doen en wat daarbuiten gebeurt - en dat is ondanks de grootte van de steden toch echt provinciaal. Dat vond ook de Royal Academy, ondergebracht in een verscholen pand aan een binnenhof op Piccadilly in Londen. De RA is geen museum in de gebruikelijke zin van het woord, het fungeert als een doorgeefluik van kunsttentoonstellingen. Hoewel het leden heeft, die er onder speciale condities af en toe ook mogen exposeren, is er geen vaste verzameling. De Royal Academy is daarmee een soort Kunsthal, zij het dat zij anders dan haar Rotterdamse en Duitse zusjes uitsluitend kunst laat zien. Het ietwat plechtig aandoende gebouw, dat het zonder daglicht moet stellen, zou zich trouwens slecht laten gebruiken voor shows van Kleinwagen of insecten.

Mede omdat ook in Engeland de regionale musea slecht bezocht worden, heeft de Royal Academy zich opgeworpen om gedurende enkele maanden een echte schatkamer in te richten. Alle kunst komt uit de regio, niets uit Londen zelf. Op die stad komen immers de meeste toeristen af. Er zijn nu eenmaal veel meer bezoekers in de National Gallery dan in, om een minstens even belangrijk museum van oude meesters te noemen, het Fitzwilliam Museum in Cambridge. Dat het een echte schatkamer is, wordt de bezoeker al vanaf het begin toegeroepen. Op de binnenhof staat een enorme sculptuur van Richard Deacon met de veelzeggende titel 'Let's Not Be Stupid', oftewel 'Wees niet stom', wat in dit geval als een aansporing gezien moet worden om het pad naar de Academy voort te zetten. Wat dan binnen wacht, is niet mis. Vierhonderd en tien (!) werken hangen en staan zich te verdringen voor de blik van de hongerige kijker. De schilderijen zijn in rijen van vier boven elkaar aan de muur gespijkerd, zonder onderscheid en zonder hiërarchie. Teksten geven aan waar het om gaat, maar veel meer nog wordt de bezoeker een smakelijke rijstebrij aangeboden waar hij zich ongans aan kan eten. Niemand zal elk werk even lang bekijken, zelfs als je aan ieder schilderij een minuut besteedt, ben je toch al gauw zeven uur bezig.

Engeland kent wat zijn musea betreft, een lange geschiedenis. Al in de 16de en 17de eeuw bestonden er toegankelijke verzamelingen. Die omvatten weliswaar nog geen kunst, maar kenden wel curiositeiten (die later natuurlijk een kunstzinnige waarde kregen), voorwerpen uit de natuur en historische relicten. In 1683 werd het eerste museum opgericht, het Ashmolean Museum in Oxford, genoemd naar de grondlegger van de nog steeds fameuze collectie. De schilderijen en beelden die Elias Ashmole (1617-1692) bijeenbracht, werden niet als zelfstandige kunstuitingen beschouwd maar gezien als illustraties bij bepaalde opvattingen (over de samenleving, de geschiedenis). Om die reden kon het gebeuren dat er eerder natuurhistorische musea dan kunstmusea waren: de educatieve kant van het tentoonstellen vertegenwoordigde was belangrijker dan het esthetische genoegen.

Die lijn is heel lang doorgetrokken. Het British Museum, opgericht in 1753, is er een goed voorbeeld van, daar is heel weinig 'echte' kunst te zien. Ook de tijd van de Grand Tour (de Britse adel ging op jonge leeftijd de cultuur van de Antieken in Italië en Griekenland bekijken, waarbij in Venetië of in Rome een leuk stadsgezichtje als souvenir werd meegenomen) bracht daar geen verandering in. De Engelse staat had al helemaal geen belangstelling om een kunstverzameling aan te leggen. De National Gallery dateert pas van 1824, uit een tijd dat zeer veel Engelse particulieren een concurrerend museum oprichtten. Zoals het Fitzwilliam Museum (in 1816 opgericht met het legaat van Lord Fitzwilliam) en de Dulwich Picture Gallery (1827). In die tijd kregen ook Bristol (1823) en Canterbury (1825) musea. Zij zouden de voorlopers worden van een golf van nieuwe musea die vanaf het midden van de vorige eeuw ontstond. Het kunstmuseum in Engeland werd daarmee een typisch Victoriaans verschijnsel, als gevolg van de instelling van de Museum Act uit 1845, die steden in staat stelde om een plaatselijk museum op te richtten.

Natuurlijk ging de belangstelling van de meeste regionale musea vooral uit naar wat de plaatselijke kunst opleverde. De expositie in de Royal Academy wordt door die kunst grotendeels gedomineerd. Om saaiheid te voorkomen, is gelukkig wel voor grote namen gekozen: Hogarth, Reynolds, Stubbs, Constable en Turner zijn behalve in de Londense musea ook vertegenwoordigd in de provincie. Echt eenkennig kun je de Britten niet noemen. In weerwil van hun eiland-opvattingen hielden en houden de Engelsen erg van Nederlandse kunst. Een beetje museum van oude kunst wil een Hollandse meester uit de Gouden Eeuw in huis hebben. Vandaar dat je in de Royal Academy namen als Rembrandt, Jacob van Ruisdael, Hendrick van Vliet, Philips Koninck, Aert van der Neer en Jan Asselijn tegenkomt, en vaak niet met hun slechtste werk.

Veel eenkenniger zijn de Engelsen met kunst uit de 19de eeuw geweest. Ze hielden weliswaar van de impressionisten (maar die zitten toch het meest in Londen) en kenden ook Van Gogh (de beroemde tekening 'Sorrow' en de minder bekende aquarel van de vestingwerken van Parijs, respectievelijk uit Walsall en Manchester), maar van de romantiek waren ze minder gecharmeerd. Bekend is dat Engelse particulieren tot op de dag van vandaag bijzondere liefde voor romantici als Springer en Schelfhout hebben, maar dat is niet tot de musea doorgedrongen. Anders dan in Duitsland en de Verenigde Staten moeten de Engelse musea het tegenwoordig ook niet zo zeer van de particuliere collectionneur hebben. Het kunstmuseum is een taak van de overheid, die de burgerij moet voorgaan als educator.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden