Het ware geluid van Iran

(Trouw)

Terwijl de een in Iran in de gevangenis belandt voor het maken van ’westerse’ popmuziek, trekt de ander met traditioneel Perzische muziek in Amerika volle zalen. Filosoof Austin Dacey stelt ons Saeid en Hafez voor: twee jonge Iraanse musici die ieder van een andere planeet lijken te komen.

De band speelde ’Not for you’ van Pearl Jam toen de politie het feest opdoekte. De vier ruige jonge mannen hadden zich in een ode aan de grunge gestort, met een song als een lawine die zichzelf naar voren stuwt door de drums en het vervormende gerommel van een open E-akkoord, het laagste akkoord op de elektrische gitaar. Het refrein, met het herhalende zinnetje ’This is not for you!’, was meer loeiende provocatie dan melodie.

De agenten zouden de tekst waarschijnlijk niet hebben begrepen, zelfs als ze de woorden hadden kunnen verstaan. Want dit was niet een studentenhuis in Seattle rond 1996, en de muzikanten en het publiek verspreidden zich niet om een boete voor geluidsoverlast te ontlopen. Dit was de Islamitische Republiek Iran, en Saeid stond op het punt in de gevangenis te belanden voor het spelen van rockmuziek.

Saeid ’Natch’ Najaf, gitarist en achtergrondzanger van de band, was een van de tweehonderd mensen die op die eerste augustus in 2007 werden opgepakt bij een politie-inval op ’N!Gathering’, een illegaal openluchtfestival, waarschijnlijk het grootste dat ooit in het land heeft plaatsgevonden. Het werd gehouden in Karaj, veertig kilometer buiten Teheran.

De bijeenkomst werd verstoord door de yegan ha-ye vizhe, een van de speciale eenheden van de deugdenpolitie. Na de islamitische revolutie van 1979 werd westerse muziek in de ban gedaan. Achtentwintig jaar later werden sommige muziekstijlen weer toegestaan of zelfs aangemoedigd door de regering, maar grunge hoorde daar niet bij.

Saeid bracht twee weken in de gevangenis door. Hij en zijn bandleden werden herhaaldelijk ondervraagd en van van alles en nog wat beschuldigd: alcoholmisbruik, satanisme, het aanmoedigen van contacten tussen mannen en vrouwen, het op het spel zetten van de staatsveiligheid, het verloochenen van de islam en ’oorlog voeren tegen God’. De laatste twee vergrijpen kunnen in Iran de doodstraf betekenen. Saeid werd gedwongen in het openbaar, op televisie, spijt te betuigen over zijn on-islamitische gedrag. Saeid zou nooit meer op een podium staan in Iran.

De deugdenpolitie nam zijn geliefde elektrische gitaar in beslag. Het instrument had geen naam, geen merk (afgezien van de woorden ’Made in China’). Op zijn brede witte romp prijkte een sticker met in grote kapitalen de woorden: I AM A MICROSCOPE.

Ondertussen bereidde een andere jonge Iraniër de première voor van zijn nieuwste werk. Zijn ’Rumi Symphony Project’ bezorgde Hafez Nazeri een uitverkochte zaal in de Walt Disney Hall in Los Angeles, de schitterende, door Frank Gehry ontworpen thuisbasis van het Los Angeles Philarmonic Orchestra, die plaats biedt aan tweeduizend bezoekers. De symfonie zet de poëzie van de dertiende-eeuwse Perzische dichter Jalal al-Din Rumi op muziek en combineert westerse en Perzische klassieke elementen. De vader van Hafez, meester-vocalist Shahram Nazeri, zingt onder begeleiding van viool, cello, contrabas en percussie. Hafez speelt zelf de Perzische sitar, een traditionele luit met vier snaren. Ze kregen negen staande ovaties.

Nazeri, nog maar net 28, beschreef het stuk als een ’muzikale verhandeling ter promotie van de wereldvrede’, en presenteerde zichzelf als een muzikale afgezant: hij was „het nieuwe gezicht van Iran in het Westen, en creëerde iets dat jonge Iraniërs aanspreekt”.

In november 2009 – terwijl grote demonstraties in de straten van Teheran werden neergeslagen – maakten de composities van Hafez Nazeri hun debuut in Carnegie Hall onder de titel: ’Iraanse vredesklanken’. Deze keer bespeelde hij een nieuw ontworpen sitar met twee extra snaren. Hij noemde het instrument naar zichzelf: de Hafez.

Had het bewonderende publiek in Los Angeles en New York de juiste man voor zich? Was Hafez Nazeri het nieuwe gezicht van Iran? Kreeg dat nieuwe gezicht de trekken van een middeleeuwse moslimmysticus die schreef over in vrede leven met het universum, of van een Amerikaan uit Evanston, Illinois, zanger Eddie Vedder van Pearl Jam, die zong:

Restless soul, enjoy your youth

Like Muhammad hits the truth

Oh, can’t escape from the common rule

If you hate something, don’t you do it too ... too

Small my table, it sits just two

Got so crowded, I can’t make room

Oh, where did they come from? Stormed my room!

And you dare say it belongs to you ... to you

This is not for you

This is not for you

Never was for you, no!

Of hadden de ondervragers in Karaj de juiste man voor zich? Saeid en zijn besnaarde medesamenzweerder ondermijnden ongetwijfeld de staat, voerden een oorlog tegen de islam, moedigden contacten tussen de geslachten aan: niet alleen zij, maar duizenden in de roerige ondergrondse muziekscene van Iran.

Het verhaal over de sitar en de gitaar in Iran gaat over geopolitiek, over kolonialisme en revolutie. Het behelst de strijd tussen het authentieke en het kunstmatige, tussen culturele identificatie en de identiteit van het individu. De sitar mag dan een vredesinstrument zijn, de restless young souls in Iran willen niet alleen maar vrede. Ze willen gerechtigheid. Ze willen vrijheid. En ze willen elektrische gitaren.

Saeid groeide op met het gezang van zijn vader: in hun huis in Teheran zong hij traditionele Iraanse volksmuziek. Maar als tiener werden Saeid en zijn leeftijdgenoten vooral gegrepen door de Amerikaanse rockmuziek van de jaren negentig. „Deze muziek stond zo dicht bij ons gevoel”, vertelde hij mij in een chatsessie via skype. „De songs stonden stijf van het protest. Het leek wel of zij zongen wat wij wilden.”

Opnames van Pearl Jam, Nirvana, Soundgarden, Alice in Chains, Tool, Nine Inch Nails en anderen werden aan elkaar doorgegeven op illegaal gekopieerde cassettebandjes. Als de politie een bandje in een autoradio aantrof werd het vernietigd en de eigenaar riskeerde straf.

Jarenlang droomde Saeid ervan om een elektrische gitaar te hebben en muzikant te worden. Zijn ouders deelden deze droom niet, ze stonden erop dat hij naar de universiteit ging en zou gaan werken. Hij gaf toe aan hun wensen. Toen hij werd toegelaten tot de studie scheikunde kreeg hij van een tante een cheque waar hij zelf een bestemming voor mocht zoeken. Het was genoeg om een goedkope Ibanez van 250 dollar voor te kopen. Hij leerde zichzelf spelen door naar zijn favoriete bands te luisteren.

Zijn tweede gitaar, de anonieme, haalde hij op bij een vriend voor 45 dollar. Het was een vrij behoorlijke imitatie van het beroemde Les Paul-model van de Amerikaanse gitaarproducent Gibson, genoemd naar de musicus en uitvinder uit Wisconsin die als eerste een elektrische gitaar met een massieve romp maakte, en daarmee het geluid van de rockmuziek uitvond.

Geïntrigeerd door dit merkloze model van Saeid ging ik op internet op onderzoek uit en stuitte op een bedrijf in Nanjing dat een doe-het-zelfgitaarpakket verkoopt. Volgens Saeid was het exact zijn instrument. We wisten niet precies wie, maar iemand moest het bouwpakket in China besteld hebben en de gitaar uiteindelijk met witte verf en een laag lak hebben afgewerkt.

„Ik hou echt van mijn gitaar”, zei Saeid.

De generatie van Saeid was niet de eerste die gek was op de gitaar. Als kind luisterde hij naar Vigen Derderian, een populaire zanger die de ’Sultan van de popmuziek’ werd genoemd, een soort Elvis Presley. De eerste keer dat Vigen een gitaar hoorde was toen het Russische Rode Leger Noord-Iran bezette. Vigen maakte in de jaren zestig het ontstaan van een bloeiende popscene mogelijk. Door het combineren van westerse en Iraanse stijlen werden Perzische zangers als Googoosh, Dariush en Haydeh supersterren in en ver buiten het land.

De gitaar was niet het eerste westerse muziekverschijnsel dat in Iran opdook. In de negentiende eeuw vielen koloniale machten Perzië binnen; eerst de Russen, die de heersende Qajars in 1818 en 1823 versloegen en die zich in de noordelijke gebieden vestigden. De Britten, die sinds de achttiende eeuw in de Perzische golf verbleven, veroverden in de Anglo-Perzische oorlog van 1856-57 Herat en trokken de zuidelijke en oostelijke grenzen van het land. Door de aanwezigheid van Britten en Russen nam de handel toe, evenals de christelijke missie-arbeid en de buitenlandse invloed in binnenlandse politieke aangelegenheden. In dit land maakten de wereldrijken uit wie controle over Centraal-Azië had.

Gedurende een groot deel van zijn heerschappij (1848-1896) moedigde de Qajar-monarch Al-Din Shah betrekkingen met het Westen aan en voerde hervormingen door, zoals het oprichten van militaire kapellen in Europese stijl. Hieruit kwam een generatie musici en musicologen voort die een synthese voorogen hadden van klassieke Perzische en westerse muziektradities.

De opvallendste en meest invloedrijke onder hen was Ali Naqi Vaziri, legerkolonel en virtuoos sitarspeler. Vanaf 1918 studeerde hij enkele jaren harmonieleer en compositie in Parijs en Berlijn en leerde ook viool- en pianospelen. Na zijn terugkeer in Iran domineerde hij al snel het muzikale establishment. Hij stichtte muziekscholen, schreef vele composities en publiceerde belangrijke boeken waarin hij de westerse tonale harmonieleer gebruikte om het klassieke Perzische idioom te beschrijven, te systematiseren, en – hij geloofde hier heilig in – te verbeteren.

In tegenstelling tot de westerse muziek kwam de Perzische muziek voort uit een ongeschreven, orale traditie. Er was geen notenschrift, en geen duidelijke scheidslijn tussen compositie en optreden: kleine ensembles van zangers en muzikanten improviseerden binnen een raamwerk van een groep van modi (toonladders) dastgahs genaamd, en melodische motieven, de zogenaamde gushe. De twaalf belangrijkste dastgahs die in de juist volgorde met hun verwante gushe worden gearrangeerd, vormen samen een radif. Op dat traditionele materiaal kunnen muzikanten voortborduren.

Een andere botsing van muziekculturen had te maken met toonhoogte. Westerse symfonische instrumenten en het tonale systeem zelf zijn zo ontworpen dat de octaaf in twaalf intervallen van gelijke omvang is verdeeld. Toonladders worden gevormd door een serie van halve en hele tonen te combineren. Conventionele dastgahs bestaan eveneens uit halve en hele tonen, maar bevatten ook toonhoogtes die ergens tussen een halve en een hele toon in vallen. Vaziri ontwierp een systeem van kwarttonen om het Perzische geluidspalet te behouden en het tegelijkertijd in te passen in de westerse harmonieleer.

De inspanningen van Vaziri en zijn opvolgers wierpen hun vruchten af. In de jaren zeventig vertoonde het muzikale leven in Teheran gelijkenissen met dat van Parijs, Wenen of New York: er was een symfonieorkest, een operahuis en een balletgezelschap, er waren kleinere ensembles, internationale festivals, een conservatorium en een divers aanbod op radio en televisie.

Zo was westerse muziek allang onderdeel van de Iraanse cultuur, lang voordat Vigen Derderian op zijn gitaar begon te tokkelen.

Voordat Pearl Jam op cassette de straten van Teheran veroverde, gingen er tapes rond met de speeches waarin ayatollah Khomeini de sjah kapittelde, opgenomen in Frankrijk en door zijn aanhangers het land in gesmokkeld. Zijn aansporingen tot revolutie klonken in een tijd van grote onvrede met de heersende dynastie van de Pahlavi’s: de economische ontwikkeling stagneerde, er was corruptie, burgerlijke vrijheden waren ingeperkt.

Na de revolutie werden de meeste openbare muziekoptredens verboden, behalve revolutionaire liederen op radio en televisie. In 1989 werd een fatwa uitgesproken die de verkoop van muziekinstrumenten voor ’ethische doelen’ mogelijk maakte. Er kwam ruimte voor optredens. Toch waren ze aan allerlei restricties op het gebied van erotiek en sensualiteit gebonden. Vrouwen mochten niet solo zingen voor een publiek van mannen, alleen in een ensemble waar individuele stemmen niet onderscheiden konden worden. In het huidige Iran is de regulering van optredens en de verspreiding van muziek in handen van de Ershad, het ministerie van Cultuur en Islamitische Leiding en de door de regering gecontroleerde radio- en televisie omroep Seda o Sima.

In 1997 werd president Khatami gekozen met een hervormingsprogramma en een oproep tot ’dialoog tussen de beschavingen’. Vlak daarna begon Seda o Sima met het uitzenden 'van een nieuw soort popmuziek in westerse stijl, in het Perzisch gezongen. Het werd bekend als pop-e-jadid, of ’nieuwe pop’. In muzikaal opzicht leek het veel op de verbannen pop van voor de revolutie. Die kwam nu het land in via uitzendingen van ’Voice of America’ en andere bronnen vanuit een gemeenschap van ballingen in Los Angeles – waar het de naam los angelesi pop kreeg.

De nieuwe, brave pop-acts hadden geen vrouwelijke zangeressen, de teksten waren braver, het dansen tammer en de camera’s toonden nauwelijks instrumenten. Vanaf het jaar 2000 nam het officiële Fajr muziekfestival in Teheran ook pop-e jadid op in het programma, het leek een opzetje van het regime om de subversieve los angelesi in te lijven.

Wie in het land blijft maar zijn muziek niet kan of wil laten goedkeuren door de regering, maakt deel uit van een muzikale ’underground’ van honderden, misschien wel duizenden groepen die rock, heavy metal, ’indie’, pop, elektronische pop, blues, jazz, fusion, funk en hiphop spelen. Hoewel de meesten nooit in het openbaar hebben opgetreden of hun muziek hebben kunnen distribueren, worden hun opnames verspreid via privébijeenkomsten, sociale netwerken en online communities.

Tijdens de ’N!Gathering’ in Karaj ontmoette Saeid Maral, en zij werd ook door de politie opgepakt. Nadat Saeid en zijn kompanen tot hun publiekelijke biecht waren gedwongen werden ze weer vrijgelaten. De band moest een boete van 8000 dollar betalen, twee leden moesten ieder zelfs nog hogere boetes betalen. Saeid en Maral begonnen samen nummers te schrijven, zij zong in het Engels en speelde bas. Hun inspiratie haalden ze uit de tobberige elektronische pop van Nine Inch Nails en Depeche Mode, Saeid programmeerde de drum beats en de synthesizer met de software op zijn MacBook. Zijn vriend Shayan speelde gitaar. Het project heette The Plastic Wave.

Hafez Nazeri ziet eruit als een ster. We hebben afgesproken op een straathoek in Soho, Manhattan, en in het echt oogt hij nog energieker dan op de massa persfoto’s op het internet. Met zijn lange, soepele lichaam, glanzende haar en fijne gelaatstrekken zou hij door kunnen gaan voor een model – maar daarvoor lacht hij te innemend.

Onderweg naar een café vertel ik over mijn achtergrond als filosoof. Dan moet je wel van Rumi houden, zegt hij. Ik moet toegeven dat ik dat niet weet, ik ken alleen wat in vertaling.

Al laat Nazeri in zijn stuk Rumi in het Perzisch klinken – adembenemend gezongen door zijn vader Shahram –, het verband tussen Oost en West legt hij in zijn ’muzikale dialoog’ nauwelijks. Toch komt de dialoog tot stand – door wat écht onderscheidend en subtiel is in de verschillende tradities, te omzeilen. Zo laat hij hét kenmerk van de Perzische klassieke muziek, de rijke, microtonale melodieën (dastgahs), achterwege. Ook de typisch westerse meerstemmigheid vermijdt hij. Het resultaat volgens een recensent van de New York Times: „De ambitieuze poging van de heer Nazeri om het idioom van twee muziekstijlen te laten samengaan, als uiting van vreedzaam samenleven, is soepeltjes verlopen.”

Ik vraag Nazeri waarom hij de markante Perzische muziek niet heeft benut. Hij antwoordt dat hij de essentie van de Perzische klassieke muziek juist wél heeft behouden, door het opnemen van volksmuziek uit verschillende streken.

„Als kind al wilde ik iets ánders doen, een onbekende harmonie brengen in die muziek.” Daarvoor ontwierp hij de sitar opnieuw, met een bredere hals, meer snaren om het bereik met anderhalve octaaf te vergroten en zo geschikter te maken voor meer melodielijnen en akkoorden.

Toen Nazeri in Carnegie Hall stond, was ik nog druk bezig met het opnemen van cassettebandjes van The Plastic Wave. Ik kende hun muziek via Bakak Khiavchi, lid van de populaire Iraanse rockband Kiosk die naar de VS was uitgeweken. Daar hadden ze een platenmaatschappijtje voor Iraanse undergroundmuziek.

The Plastic Wave kreeg vorig jaar een uitnodiging voor een muziekfestival in Austin – erg eervol, zeker omdat hun repertoire maar een handvol liedjes telde. Opgetreden voor een groter publiek dan op een feestje hadden ze nog nooit. Toch stapte het trio in het vliegtuig voor een tournee door de VS. Maar in Doebai, waar ze visa wilden halen, strandden ze al. En wat zei de Amerikaanse ambassade? The Plastic Wave mist internationale ervaring.

In september 2009 begon ik te mailen met Saeid en Maral en nodigde The Plastic Wave uit voor een project dat ik in New York wilde opzetten. Ik wilde hun muziek promoten en aandacht vragen voor het Iraanse verbod op zangeressen en op de problemen waarmee popmusici daar kampen. Maar hoe kreeg ik The Plastic Wave naar New York? Bovendien, als dat al zou lukken, dreigden ze bij thuiskomst opgepakt te worden en vervolgd voor deelname aan een politiek evenement in de VS. Daarop vond ik een band – Cruel Black Dove – die nummers van The Plastic Wave zou instuderen en spelen, bij wijze van eerbetoon. Cruel Black Dove raakte zo onder de indruk van die muziek, dat de bandleden met hun collega’s uit Teheran het podium opwilden. In maart 2010 traden ze samen op: via een videoverbinding. The Impossible Music Sessions waren een feit.

In 2009 zei Hafez Nazeri in een radio-interview dat hij weinig verschil zag tussen een musicus in Iran en een in de VS, waar hij zelf tien jaar had gewoond.

Ik werp hem voor de voeten dat niet hij, maar mensen als Saeid en Maral de echte revolutionairen van de muziek waren.

„Zij vertegenwoordigen Iran niet”, pareert Nazeri, „noch de Iraanse cultuur, noch de taal of de muziek.” Musici die voor pop kiezen en in het Engels zingen, zijn popmusici die toevallig Iraans zijn. „We houden ervan. We waarderen het ook. Onze maatschappij heeft er behoefte aan. Maar een revolutie is het niet.”

Lang voor de revolutie van 1979 debatteerden traditionele musici en wetenschappers al over de vraag of het wel verstandig was geweest om de Perzische muziek te verwestersen, zoals Vaziri en zijn discipelen hadden gedaan. De ironie wil dat het heimwee naar het ’authentiek Perzische’ in de jaren zestig deels was gewekt door westerse musicologen die op zoek gingen naar buitenlandse muziekculturen die nog niet door Europese invloeden waren aangetast; de traditionele muziek beleefde een opleving. Ná de revolutie ging deze renaissance verder, gestimuleerd door kunstenaars en wetenschappers – onder wie Hafez Nazeri’s vader Shahram. In 1999 zei hij over die tijd: „Het was alsof de natie uit een eeuwenlange slaap ontwaakte, mensen raakten na een lange tijd van identiteitsverlies geïnteresseerd in hun eigen cultuur.” Perzische muziek stond te boek als musiqi-e assil: ’zuivere’, ’authentieke’ muziek.

Musici moesten zich plooien naar de nieuwe werkelijkheid van het overheidsbeleid. De fatwa uit 1989 die de verkoop van muziekinstrumenten voor ’ethische doelen’ toeliet, maakte een discussie los over wat ’ethisch’ was. Iraanse kenners, dol op termen als ’culturele zuiverheid’ en ’echtheid’, wilden Vaziri’s verwestersing van de oorspronkelijke Perzische muziek (’totale vernietiging ’) met haar ’cerebrale, historische en materialistische’ inslag terugdringen. Echt Perzisch, moreel hoogstaand, dat was ’dichterlijk, vloeiend en met een mythische houding’.

Cultureel correcte muziek begon aan een opmars; Hafez’s Rumi Ensemble kreeg in het jaar 2000 in twintig steden zo’n 140.000 mensen op de been. De Unesco plaatste vorig jaar radif, de oude Perzische muziekstijl, op de Werelderfgoedlijst, het was een ’uitdrukking van culturele identiteit, van generatie op generatie’, het kenmerk bij uitstek van Iraanse muziekcultuur dat de culturele identiteit versterkt.

Saeids gitaar is het tegendeel van authentiek: een merkloze, goedkope Chinese kopie van een Amerikaanse Gibson – van plastic, staal en kunststof, door een anonieme fabrieksarbeider in elkaar gezet. Nee, dan de Hafez: een pronkstuk van ambachtelijkheid van louter natuurlijke materialen, met een klankkast van moerbeihout en een walnoten hals. De topkam, die de snaren met de kop verbindt, is van kamelenbot en de fretten zijn gemaakt van geitendarmen.

Kan Saeids gitaar de Iraanse cultuur uitdrukken? Het hangt ervan af of je kijkt naar de soort (modern instrument met rubensiaans gewelfde klankkast) of naar het geslacht (snaarinstrument met een lange hals en fretten). De oorsprong van de soort ligt in het Europa van de vijftiende eeuw (met wortels in Centraal-Azië of het Midden-Oosten, daar komen de specialisten niet uit). Het geslacht der tokkelinstrumenten is al zo oud als de Perzische cultuur zelf, waar spelers sinds mensenheugenis snaren betokkelden of eraan plukten. Sitar en gitaar hebben nog iets gemeen: de muziek die erop gemaakt is, is meestal geïmproviseerd .

Waarom, vroeg ik aan Saeid, zingt The Plastic Wave in het Engels? „Elke genre heeft zo zijn eigen taal”, antwoordde hij, „en het Perzisch voldoet niet erg als je woorden zoekt om te klagen.” Ik moest denken aan de slotzinnen van ’Not For You’ van Pearl Jam:

All that’s sacred comes from youth

Dedication, naive and true

With no power, nothing to do

I still remember, why don’t you ... don’t you ...

This is not for you

This is not for you

This is not for you

Oh, never was for you ... fuck you ...

This is not for you ...

En het prachtige ’My Clothes on Others Bodies’ van The Plastic Wave – Maral en Saeid beweren allebei dat zij de schrijver ervan zijn:

When I walk this path I see smile on their lips

When I look for my cast

I see my clothes on their bodies

Get out of my head now

Get out of my head now

Daar stonden we dan, op 3 maart in Brooklyn, voor Impossible Music Session I. Cruel Black Dove speelde The Plastic Wave. Het was mooi en wrang tegelijk, want ik had net gehoord dat The Plastic Wave al maanden geleden uiteengevallen was, uit bittere teleurstelling over de mislukte tour naar de VS. Ook schenen er wat persoonlijke problemen mee te spelen. Maar hun drie nummers – ruw en vurig vertolkt door vier in het zwart gestoken Amerikanen – waaraan ze zelf meededen via internet, spraken voor zich.

Ik denk dat we nog meer zullen horen van Maral en Shayan. En natuurlijk van Saeid. Als Iran straks een vrij land is – dat kan zomaar gebeuren – denk ik dat hij het podium opgaat samen met Hafez Nazeri. Daar jutten ze elkaar op, de gitaar en de sitar, en dan staat iedereen op de hele wereld even stil. En luistert.

The Plastic Wave. (Trouw)
Foto links: Hafez Nazeri (door Nick Saglimbeni). Midden: The Plastic Wave: Maral Shayan en Saeid. Rechts: de witte bouwpakketgitaar van Saeid. (Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden