Essay

Het wapen van de Weerloze

Beeld HH

SAM JANSE   Het Romeinse Rijk kende de geharnaste Pax Romana, Jezus introduceerde zijn Pax Christi. Wat is er van die vrede geworden?

Hoe is het mogelijk dat een brute militaristische, imperialistische macht als het Romeinse imperium twee millennia lang als toppunt van beschaving is gezien, een rijk waar het recht ontwikkeld en gehandhaafd werd en de schone kunsten opbloeiden? Het is een van de raadsels van de westerse geestesgeschiedenis en de vraag verraadt de omslag in ons denken.

Eeuwenlang waren ze helden: Nebukadnessar, die in het Midden-Oosten een groot rijk vestigde; Alexander, die 'de Grote' werd genoemd omdat hij het machtige Perzische Rijk veroverde; Julius Caesar, die Gallië en nog veel meer onderwierp. Ze werden hoog gewaardeerd om hun strategisch inzicht, hun spectaculaire veroveringen en hun bestuurlijk vermogen.

Zelfbeschikking
Maar er is iets veranderd - en wel sinds de dekolonisatie van de twintigste eeuw. We moesten weg, Britten uit India, Fransen uit Zuid-Oost-Azië, Nederlanders uit Indië, Belgen uit Congo. Het was niet meer te houden. Aanvankelijk probeerden we het nog uit angst voor gezichts- en territoriumverlies. Hadden we ook geen cultuuropdracht ten aanzien van deze achtergebleven streken? Maar in de decennia daarna kantelde ons denken. Wat hadden wij daar ook eigenlijk te zoeken? Was ons kolonialisme niet een ernstige schending van het fundamentele recht van ieder volk op zelfbeschikking?

Met terugwerkende kracht vroegen we door. Wat had Nebukadnessar in Egypte te zoeken en Alexander de Grote in Perzië? En met welk recht veroverden de Romeinen Noord-Afrika, Gallië, Griekenland? De grote helden van het verleden verschenen in een ander licht. Ze werden niet langer op hun militaire prestaties, maar op hun morele recht bevraagd. Een algehele destalinisatie van koningen, keizers en veldheren veranderde ons denken. Dat proces is nog gaande.

Ten aanzien van de Oudheid is er wel een remmende factor in het spel: het gymnasium. Dat heeft zijn beste tijd gehad, maar moet als cultuurvormende kracht nog steeds niet onderschat worden. Daar werden de grote schrijvers van de Oudheid gelezen, Caesar, Livius, Vergilius, Cicero om een paar Latijnse auteurs te noemen.

Propagandisten
Schrijvers behoorden in de Oudheid per definitie tot de elite van de samenleving. Ze konden niet alleen lezen, maar ook schrijven! Ze zaten vaak dicht bij het machtscentrum en spraken dan ook het woord van degene wiens brood ze aten. De grote literatoren, kortom, waren in de Romeinse Oudheid doorgaans de propagandisten van de heersende macht. Ze bezongen de laus imperii, de lof van het Imperium Romanum. Al in het begin van Vergilius' 'Aeneas' belooft Jupiter de Romeinen de wereldmacht. De Romeinse machthebbers hebben zeker twee millennia lang over hun graf heen geregeerd door propagandisten in te huren die door de kwaliteit van hun werk niet alleen het Romeinse recht, maar ook de Romeinse macht uitbundig bezongen.

Dat het leven van de miljoenen slaven en evenzovele kleine boertjes en handwerkslieden in het Romeinse Rijk hard moet zijn geweest, kan in die literatuur niet helemaal verborgen blijven, maar belangrijker dan dat is de grootheid van de stad Rome en de prestaties van zijn veldheren en legioenen. Er worden opstanden gedempt en rebellerende volken afgestraft, maar het recht staat altijd aan de kant van Rome. Dat zal men in de volksbuurten van Rome gevonden hebben, maar de dichters en filosofen dachten er niet anders over. Dat ze zich in bochten moesten wringen om ordinaire veroveringsoorlogen goed te praten, is duidelijk. Het is leerzaam om deze kronkels te volgen bij een van de grote schrijvers van de Oudheid: Marcus Tullius Cicero.

Deze tijdgenoot van Julius Caesar en Augustus is retor, filosoof, schrijver, politicus en heel veel meer. Het Romeinse Rijk is op weg om van een republiek een keizerrijk te worden, een ontwikkeling waar Cicero niet blij mee is, want het Imperium Romanum als mengvorm van democratie en aristocratie gaat hem ter harte. Hij is een van de denkers die zich rekenschap hebben gegeven van de grondslagen van de staat en van het recht van oorlog.

Ultieme doel
In 'De officiis' (Over de plichten) schrijft hij dat er twee manieren zijn om een conflict te beëindigen: door gesprek en door wapengeweld. Het eerste is karakteristiek voor mensen, het tweede voor beesten. Dat is in zijn tijd geen vanzelfsprekende positie, want oorlog voeren wordt in brede kringen aanvaard als een middel om roem te verwerven. Cicero geeft toe dat gewapende strijd soms onvermijdelijk is, maar het ultieme doel ervan is dat wij in vrede mogen leven.

Ook de straffen moeten na een overwinning gematigd zijn. De bloeddorstige vijanden moeten streng gestraft worden, maar de anderen gespaard. Dat het vijandelijke Carthago met de grond gelijk gemaakt werd, kan Cicero's instemming wegdragen, maar dat Korinthe (in het geciviliseerde Griekenland!) hetzelfde lot onderging, vindt hij problematisch. We merken hier enige twijfel aan de Romeinse rechtvaardigheid. Elders zegt Cicero dat de Romeinse staat geen toekomst heeft als ze op terreur en niet op betrouwbaarheid gebaseerd is.

Kritische doordenking van de eigen oorlogvoering is in de Oudheid schaars. Het algemene besef is dat militaire overwinningen zichzelf legitimeren: blijkt daaruit niet de gunst en de wil van de goden? Vergeleken daarmee is Cicero's positie bijzonder omdat hier al beginselen van een universeel oorlogsrecht aanwezig zijn.

Oorlogvoerende steden
Wie verwacht dat Cicero op grond van deze uitgangspunten de agressieve politiek van Rome onder fundamentele kritiek zet, vergist zich. De toga van zijn vaderlandsliefde is wijd en kan veel onrecht bedekken. Zijn redenering is deze: het Romeinse Rijk is geen imperium in strikte zin, het is een patrocinium, een patronaat, of beter nog, een protectoraat. Rome beschermt zijn bondgenoten. De onderworpenen zijn cliënten: ze moeten Rome helpen en troepen leveren, anderzijds moet Rome hen verdedigen. Natuurlijk is het hard voor de Grieken dat ze geen zelfstandige staat meer hebben, maar het alternatief van onderling oorlogvoerende steden en staten is veel erger. Het Romeinse Rijk heeft rust en welvaart gebracht.

Beeld Colourbox

Die andere keus van Jezus moet te maken hebben met het echec van het Makkabese vorstenhuis, krap een eeuw voor het begin van de jaartelling. De Joodse vrijheidsstrijders wisten onder aanvoering van Simon Makkabeüs en zijn broers het land van de Syrische onderdrukkers te bevrijden. Maar macht corrumpeert. Het verhaal loopt zoals het in 'Animal Farm' gaat. De opstand tegen buitenlandse vijanden liep uit op onderlinge machtsstrijd aan de top en onderdrukking van de eigen mensen. Dat was het recente verleden van Israël in Jezus' tijd, en er zijn in de evangeliën aanwijzingen dat dit in het collectieve geheugen gebeiteld stond.

Jezus koos deze weg niet want het ging hem om een kwalitatief ander koninkrijk. Zijn inspiratiebron was niet de strijd van de Makkabeeën, maar de boodschap van het boek Daniël: gewapende strijd kan het rijk van God niet brengen; de Makkabese strijders zijn slechts 'een beperkte hulp'. Echte verlossing, moet van de andere kant komen, van God en zijn aartsengel Michaël die de gelovigen op het beslissende moment te hulp zullen komen.

Het Zwaard van de Geest
Hier meldt zich de apocalyptiek. In het Nieuwe Testament nog sterker dan in het Oude. Compleet met aartsengelen, donderslagen, bazuinen, fiolen van gramschap, verborgenheden en onthullingen. Een kosmisch drama. Het grondbesef is: menselijke hulp is ontoereikend om de wereldgeschiedenis tot een goed einde te brengen. Op geleidelijke verandering en verbetering hoef je niet te rekenen, wel dat het van kwaad tot erger zal gaan - tot het absolute dieptepunt waarin het boze en de Boze zich breed maken. Er is maar één hoop: dat God op het kritieke moment ingrijpt. Daarom, zoals Jezus zei: "Wie standhoudt tot het einde zal worden gered."

Het resultaat van Jezus' optreden was geen legioen, ook geen gideonsbende die in Gods naam de heilige oorlog zou voeren tegen de vijanden, maar een gemeente. Wel met een sterke zendingsdrang, maar het enige wapen was een boek, een verhaal, een boodschap. 'Het zwaard van de Geest', zouden de Jezus-mensen zelf zeggen. De Meester had zijn instructies gegeven: "Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: 'Vrede voor dit huis!'" En: "Als mensen niet naar je willen luisteren, schud het stof van je voeten en ga verder." Meer dan een woord van vrede heb je niet. Als er afgerekend moet worden, zal God dat doen. Te Zijner tijd.

De eigen stijl van de eerste christenen wordt het meest voelbaar bij Paulus. In zijn eerste leven was hij voluit bereid om fysiek geweld tegen de Jezus-beweging in te zetten. Maar hij maakt een bekering door. Voor de muren van Damascus, zo vertelt het bijbelboek Handelingen. Van bestrijder van een gekruisigde Messias tot diens vurige aanhanger. Achter deze bekering ligt nog een andere, die altijd minder aandacht heeft gekregen. Na Damascus zal hij nooit meer geweld inzetten om het goede doel te bereiken. Daar wordt in het Nieuwe Testament geen woord aan gewijd, want dat moet volstrekt duidelijk zijn geweest: deze Messias die zich aan het kruis liet slaan, kan niet met de wapens in de hand gepropageerd worden. De boodschap van Jezus had minstens één geweldenaar getemd.

Kritische distantie
Of de eerste christenen principiële pacifisten waren, valt te betwijfelen. Paulus was het in elk geval niet. Hij erkende in zijn brief aan de Romeinen het goed recht van de overheid om geweld tegen misdadigers in te zetten. Dat recht berustte bij de overheid en daar alleen. Reflectie op het recht van oorlog vinden we bij hem niet, net zomin trouwens als in het hele Nieuwe Testament. Wel hadden christenen een kritische distantie tot de staat. Ze leefden en stierven niet voor het rijk van de Romeinse keizer, maar voor het rijk van God, dat spoedig zou komen. Als er gekozen moest worden, en bij de verplichte offers voor de keizer moest dat, kozen ze, althans de dappersten van hen, tegen de Romeinse kurios ('Heer') in Rome en vóór de hemelse kurios Jezus.

Dat besef van kritische distantie tot de eigen staat vinden we rond 300 nog bij de christelijke theoloog die wel 'de christelijke Cicero' is genoemd: Lactantius. Romeinen, zo zegt hij, denken dat ze rechtvaardig zijn als ze hun eigen wetten gehoorzamen. Intussen hebben ze de hele wereld veroverd en andermans bezit naar Rome versleept. Gods gerechtigheid is nog wat anders. De Romeinse veroveringspolitiek wordt hier vanuit een bijbels universalisme bekritiseerd.

Honderd jaar later ziet de wereld er anders uit. Keizer Constantijn heeft zich bekeerd tot het christendom en zijn hoftheoloog Eusebius tot het Romeinse imperialisme. Constantijn voerde zijn oorlogen niet minder agressief en imperialistisch dan zijn heidense voorgangers. Maar de kritische distantie die christelijke theologen jegens het heidense Rome hadden was aan het wegebben. Er was voor de kerk ook zoveel te winnen: een uitgebreid kersteningsprogram lag al klaar. Wie zou dan nog kritiek op de keizer en de Romeinse staat durven uiten?

Natiestaat
Onder keizer Theodosius (eind vierde eeuw) lagen de kaarten nog duidelijker op tafel. Het christendom werd nu staatsgodsdienst; ketters en Joden werden gediscrimineerd en vervolgd. Kritiek van christelijke zijde was zeldzaam. De keizer was immers zelf christen en het Romeinse Rijk was aan het verchristelijken. Helemaal verstomd was de kritiek trouwens niet. Bisschop Ambrosius had de euvele moed om de keizer de eucharistie te weigeren toen hij zijn troepen in het oproerige Tessalonika een bloedbad had laten aanrichten. De keizer deed boete.

Het lijkt de geschiedenis van het christendom in een notedop. De christelijke kerk past zich sinds Constantijn verregaand aan de heersende macht aan. Ze ontvangt financiële steun en de meeste kerkleiders aanvaarden hun zwijggeld gaarne.

Een half millennium later beseffen slechts weinigen dat tochten naar het heilige land onder het teken van het kruis niet met wapens te winnen zijn.

Bij de opkomst van de Europese natiestaat is er onder christenen weinig besef dat ze in de eerste plaats burger van een ander Rijk zijn. In de Eerste Wereldoorlog moet de brave soldaat Svejk vechten voor Kaiser, Gott und Vaterland en vele theologen houden dezelfde volgorde aan. Als Adolf Hitler naar de macht grijpt, laat de lutherse aartsbisschop Müller overal in zijn kerk danken voor de wederoprichting van het Duitse vaderland. Het Amerikaanse racisme wordt door vele christenen gesteund en zo nodig met de wapens gepraktiseerd.

Bovenmenselijke taak
Tegelijk zijn er tegenstemmen. De middeleeuwse theoloog Joachim van Fiore verkondigt dat de strijd tegen moslims een spirituele is, die je nooit met wapens kunt winnen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog schrijft Karl Barth zijn 'Römerbrief', een commentaar op Paulus' brief aan de Romeinen, tegelijk een commentaar op een nationalistische theologie die meent dat de God van de Bijbel een soort stamgod van de Duitsers of van de Britten is. In de nazitijd is het Dietrich Bonhoeffer die bereid is met zijn leven te bezegelen dat de belijdenis van Jezus Christus als Heer alle andere macht relativeert. In Amerika dwingt dominee Martin Luther King met zijn bijbels geïnspireerde boodschap gelijke burgerrechten af.

Het is de kerk niet gelukt om vrede op aarde te brengen. Ze beseft dat dat een bovenmenselijke taak is die gefrustreerd wordt door de onwil van buiten en de onwil van binnen. Maar de hoop op de vrede heeft ze levend gehouden. Ze weet dat de engel in de kerstnacht met zijn 'Vrede op aarde' geen constatering deed en geen programma bood, maar een belofte gaf.

Sam Janse (1949) is protestants theoloog, gespecialiseerd in het Nieuwe Testament. Daarnaast publiceert hij geregeld over de Oudheid, geweld en islam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden