Het vrije woord heeft voorrang, al is het hufterig of liefdeloos

Waarom, in alle redelijkheid, kent ons strafrecht het misdrijf van belediging en, toegespitst, de belediging van groepen?

ERIK JURGENS

Eerder dit jaar veroorloofde zich de eertijds grote G.B.J. Hilterman voor de Avro-radio borrelpraat over asielzoekers en andere migranten die onze sociale orde komen ondermijnen. Misschien dacht de asiel-advocaat Nol Vermolen daaraan (Trouw, Podium, 9 oktober: 'Vrije meningsuiting is geen recht op belediging'). Volgens hem heeft de Haagse rechter in zijn vonnis tegen Leen van Dijke eigenlijk niet anders gedaan dan de wet hem voorschrijft. Met als voorbeeld asielzoekers stelt Vermolen dat “belediging zodanige vormen (kan) aannemen dat ook mondige mensen zich daar maatschappelijk gezien niet meer tegen kunnen verweren.”

Dat kan inderdaad. Maar was dat hier wel het geval? En is het strafrecht, als dat het geval is, wel het meest geëigende middel om in te grijpen in de vrijheid van het woord?

Mijn stelling is - met Femke Halsema, lid van de Tweede Kamer (GroenLinks), zoals geciteerd in Trouw van 8 oktober) - dat het bij het geval Van Dijke niet ging om een vorm van bejegening waartegen de betrokken groep - homoseksuelen in het algemeen - zich niet zouden kunnen verweren.

En wat de tweede vraag betreft meen ik dat de beste vorm van reactie op zo'n uiting is een tegen-uiting in een publiek debat.

In extreme omstandigheden, als het zich negatief uitlaten over groepen medeburgers tot gevolg heeft dat zij slachtoffer worden van concrete vervolging (denk aan de anti-semitische hetze van de nazi's en van de NSB in de jaren dertig), dan is strafrechtelijk ingrijpen van de overheid op zijn plaats.

Daarom is art. 137c Wetboek van Strafrecht, op grond waarvan Van Dijke is veroordeeld ook ingevoerd.

Maar in dit geval? Jaren geleden werd ik als getuige à décharge opgevoerd in een strafproces tegen de schrijver Gerrit Komrij omdat deze, voor de VPRO-radio, de eucharistie (onderdeel van de rooms-katholieke eredienst) had omschreven als het nuttigen van 'in reepjes gesneden abortus'.

Was dit belediging van het katholieke volksdeel, zo vroeg mij de rechter. Welnee, zei ik, het is smakeloos en hufterig, maar ik voel mij als katholiek niet beledigd in de zin waarin art. 137c dat bedoelt.

Katholieken zijn in Nederland immers vergaand geëmancipeerd geraakt - 'we run this country' zei een prominente CDA'er eens. Zij hebben ruim de gelegenheid om zich tegen hufterigheid te verzetten. Zij kunnen het zich, beter nog, permitteren om zo'n Komrijaans terzijde eenvoudig te negeren. Komrij is toen niet veroordeeld.

Terecht stelt Femke Halsema vast dat dit ook voor homoseksuelen in Nederland geldt. De kans is miniem dat zij vervolging zullen lijden op grond van rechtgelovig-bijbelse opvattingen over het Zevende Gebod (in mijn roomse lijstje is dat overigens: gij zult tegen Uw naaste geen valse getuigenis afleggen, maar bij de reformatie zijn ze anders gaan tellen).

Toen Gerry van der List zich geïrriteerd toonde in een artikel in de Volkskrant over het exhibitionisme van sommige deelnemers aan de Gay Games werd dat door politiek al te correcte mensen als discriminatie gebrandmerkt. En toen, jaren geleden, kardinaal Simonis in een radio-uitzending als zijn mening gaf dat hij zich kon voorstellen dat een devote katholiek bezwaar zou hebben om een kamer te verhuren aan een homosexueel stel, toen kreeg hij een proces aan de broek vanwege het COC (geen strafproces, maar een eis naar burgerlijke recht tot rectificatie en tot schadevergoeding - een veel sympathieker middel). Het COC verloor, maar won terecht veel aandacht voor het feit dat deze uitspraak van de eminentie te liefdeloos was om te passen in een christelijke leer.

Het OM had Leen van Dijke helemaal niet moeten vervolgen. Beter was geweest een reeks ingezonden brieven van tolerante medeburgers in de Nieuwe Revu (waarin het gesprek met hem gestaan had) waarin Van Dijke op zijn donder krijgt voor zijn uitspraak, waarop hij weer kan reageren.

Homosexuelen zijn in Nederland, godlof, niet een zodanig kwetsbare groep dat zij het strafrecht nodig hebben om hen tegen negatieve uitlatingen over hun gedrag te verweren. Toepassing van art. 137c moet echt worden beperkt (misschien moeten we dit wel met zoveel woorden in de tekst zetten) tot gevallen waarin voor de betrokken groep acute gevaren dreigen. Ik hoop dan ook dat het Hof in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank in de zaak tegen Van Dijke zal vernietigen.

Hoofdoverweging zou moeten zijn dat bij botsing van het grondrecht om niet-gediscrimineerd te worden en het grondrecht van het vrije woord, het vrije woord vrijwel steeds voorrang moet hebben.

In een democratische samenleving moet een robuust openbaar debat over wezenlijke maatschappelijke vraagstukken mogelijk blijven, ook dat over 'politiek-niet-correcte' onderwerpen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden