Het volk rilt om Wilders' woorden

Geert Wilders heeft onweerstaanbaar gelijk, stelt theoloog Evert Jan de Wijer: de westerse waarden zijn kwetsbaar en hebben ’muren en afweergeschut’ nodig. Wilders zoekt die in de joods-christelijke traditie – met goede bijbelse papieren, stelt De Wijer. Toch slaat Wilders’ beroep op die traditie als een boemerang terug op de leider van de PVV.

There is still something rotten in de kingdom of Holland. Maandenlang herhaalden opiniepeilers de mantra dat Geert Wilders zijn momentum verloren had en bij de Tweede Kamerverkiezingen geen eclatante overwinning zou halen. Maar Nederland zal hem nog lang moeten gedogen. Want er is nog steeds geen adequaat antwoord geformuleerd op de kwesties die hij met zijn entree in de politiek aan de orde heeft gesteld.

Wie meent dat hij slechts floreert bij welgekozen oneliners en onbeschoftheid onderschat zijn intelligentie. Deze volbloed leerling van Frits Bolkestein kent zijn klassiekers – of tenminste goede souffleurs. Wie de moeite neemt om kennis te nemen van diens partijprogramma, ziet in een bonte stoet Hegel, Plato, De Tocqueville, Ad Verbrugge en Peter Sloterdijk voorbijtrekken.

Wilders raakt de achilleshiel van de westerse beschaving. Hij voert op een lastig te weerleggen manier haar toverwoorden vrijheid en tolerantie ten tonele. Waarom, vraagt hij zich af, zijn deze begrippen eerst inhoudsloos geworden en vervolgens heilig verklaard? Daar hebben confessionele en seculiere politieke partijen eendrachtig géén antwoord op weten te geven. Wilders wel. Hij stelt voor om de leeggelopen westerse cultuur opnieuw te voorzien van het fundament van de joods-christelijke traditie. Opnieuw blijft het stil aan de overkant van de politieke meningsvorming terwijl overal in den lande dit voorstel tot nieuwe identiteitsvorming diep resoneert. Welke snaar raakt Wilders hier? Hij zou appelleren aan boosheid en angst – maar is dat verwerpelijker dan het negeren daarvan? En wat is er mis met het beroep op de joods-christelijke traditie?

Wilders is juist zo ongrijpbaar omdat hij opereert middenin de verlegenheden van de moderne cultuur. Die zijn al heel wat ouder dan de PVV.

Ik staar wat naar Wilders’ geboortedatum. Die komt overeen met de mijne en ik meen hem wel een beetje te begrijpen. We delen eenzelfde achtergrond en hebben een vergelijkbare keuze gemaakt voor de oriëntatie op de ’joods-christelijke traditie’, al vind ik dat wel een slordige en softe term uit die door hem zo vermaledijde jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. En toch is er tussen ons een wereld van verschil. Hoe kan dat? Is er een andere interpretatie van deze cultuur denkbaar? Of levert een nadere oriëntatie op deze cultuur nu juist een schets op van zowel de gevaren als de mogelijkheden van deze cultuur?

Ik ken geen realistischer religieus werk dan de Bijbel. Niet alleen onze grandeur maar ook onze misère staat erin beschreven. Daar wordt een mens nederig van. Het boek verhaalt van onze pogingen om naam maken waarmee wij anderen nameloos maken. Wie een beroep doet op de joods-christelijke cultuur, moet dus weten wat hij doet. Hij beziet zichzelf als in een paskamerspiegel zonder vlijend licht. Daar helpt geen peroxide aan. Maar nu de blonde tovenaarsleerling deze traditie oproept, kan het verhaal niet ontbreken van de do’s en don’ts van identiteitsvorming in bijbels perspectief.

Toen ik in de jaren zeventig en tachtig opgroeide, circuleerde er een populaire urban myth. Een jongen misdraagt zich in de trein en wie zich daarover beklagen krijgen te horen dat hij nu eenmaal een vrije opvoeding heeft genoten. Een andere jongeman zit verderop een appel te eten, slaat het tafereel een tijdje zwijgend gade, staat vervolgens op en duwt zijn leeftijdsgenoot het afgekloven klokhuis in de mond en zegt: ’Nou, ik ook!’

Ik heb altijd gemengde gevoelens gehad bij deze anekdote. Zij was mateloos populair in de hockeykringen waarin ik me toen bevond en waar een hele generatie gekweekt werd die iets later als eerste Young Urban Professionals de arbeidsmarkt zou bestormen. De anekdote was een eerste afrekening met de vrijheid-blijheidgeneratie daarvoor, gerepresenteerd door onze bebaarde en in tuinbroek gehulde leraren. Het anti-autoritaire leven waar zij voor stonden en waarvan ze in de klas vrijwel dagelijks het onvermogen aantoonden, werd gehoond. Zo nooit meer.

In het meest inhoudelijke document dat op diens website staat, ’Nieuw Realistische Visie’ (2006), krijgt Wilders met groot gemak dit type lachers op zijn hand. Het relaas heeft iets van de beruchte oom die op familiefeestjes het hoogste woord voert en zich triomfantelijk alle feiten aan zijn zijde weet, al ging bij ons thuis iets minder Plato rond. Naar klassiek, retorisch gebruik zet Wilders zijn betoog welwillend in. We zijn weliswaar in een samenleving vol ’vrijheid en comfort’ beland, maar dat heeft ons wel erg soft gemaakt. Amsterdamse agenten barstten ten tijde van de moord op Theo van Gogh in huilen uit toen ze geconfronteerd werden met het verbale geweld van de dader en deze ’typisch Nederlandse zachtheid’ heeft ’crime fighters veranderd in maatschappelijk werkers terwijl criminaliteit en straatterreur de openbare ruimte hebben ingenomen, waardoor veel mensen zich daarin in toenemende mate onbehaaglijk voelen’. Tegelijkertijd heeft de verzorgingsstaat van mensen verwende kinderen gemaakt en een type burger dat – nu wordt schrijver Thomas Rosenboom geciteerd – : a) meent dat hij overal recht op heeft en dat alles om hem draait b) ongeremd is en c) denkt dat de rest van de wereld hem geweldig vindt en zo een ’pueriel gebrek aan discipline, ingetogenheid en fatsoen’ tentoonspreidt.

Smakelijk wijdt het PVV-document uit over het gebrek aan parate kennis bij eerstejaarsstudenten die bijgebracht moeten worden dat ’de twintigste eeuw niet alleen een Tweede maar ook een Eerste Wereldoorlog heeft gekend, dat Jezus geen broer van Christus is, Molukkers geen Turkse allochtonen zijn, Hippocrates geen ’enge ziekte’, Maarten Luther geen zwarte predikant uit de Verenigde Staten, perestrojka geen wodka en Pasen niet het feest van het eieren zoeken is’.

Dit maakt politicus Wilders vrijwel onverslaanbaar in het debat: een onweerstaanbare, voornamelijk intuïtieve analyse van de moderne cultuur, die op instemming kan rekenen onder brede lagen van de bevolking. De verklaring loopt te hoop tegen een leeg en slechts negatief ingevuld begrip van vrijheid, ontdaan van elke ideologische veer. Dat heeft tot weekhartigheid en hedonisme geleid. Daarom pleit dit stuk voor een ’nieuw realistische’ invulling aan het liberalisme.

Geert Wilders vindt die invulling in de ’joods-christelijke traditie’. Die biedt weerwerk aan een zelfbewuste politieke theologie van de islam die uit is op wereldlijke macht en maatschappelijke ordening volgens de regels van de sharia. De confrontatie met deze politieke islam – de aanslagen op 9 september 2001 – legde bloot hoe kwetsbaar onze vrije en open samenleving is. Wilders: „Alhoewel de trein van de geschiedenis haar liberale eindstation leek te hebben bereikt, blijken sommige wagons achtergebleven te zijn, en weer andere blijken de post-historische stad wel te hebben bereikt maar weer doorgereden te zijn – uit verveling of zelfs uit walging over het leven in die stad. En de post-historische stad zonder muren of afweergeschut ligt nu dus voortdurend onder vuur.”

Dit is het evidente gelijk van de reactionaire oom op het familiefeest. Nieuw is dat Wilders hier een beroep doet op de joods-christelijke cultuur die herontdekt moet worden. Dat is in de kaalslag der ideologieën en het onvermogen om de publieke moraal van een beter fundament te voorzien dan wat vaags over ’waarden en normen’, een sterk voorstel. Maar precies deze joods-christelijke traditie levert geen eenduidig verhaal.

Wie een stad wil voorzien van ’muren en afweergeschut’ komt precies in dat gedeelte van de joods-christelijke traditie terecht waar dat echt gebeurt: in het bijbelse dubbelboek Ezra en Nehemia.

Deze bijbelboeken spelen zich af in de vijfde eeuw voor Christus, de Perzische tijd waarvan we de indruk krijgen dat deze deel uitmaakt van de new age, the new dawn die aanbrak met het jonge, democratische Athene als het stralend middelpunt dat we zoveel beter kennen. Maar ook in Perzië begon de koning, Artaxerxes, steeds minder absoluut te regeren, met kiemen van democratisch bestuur. Hij hechtte veel belang aan het innen van belastinggeld en het onderhoud en de bescherming van de handelswegen. Ook toen al gold: It’s the economy, stupid!

Opvallend is de grote religieuze tolerantie aan het hof. Godsdienst was vooral een privézaak.

Uit de bijbelboeken weten we dat de koning alle medewerking verleende aan het herstel van de tempel in Jeruzalem; volgens buitenbijbelse bronnen steunde hij ook de ’werkers in het veld van Apollo’, waarschijnlijk een andere religieuze organisatie. Kortom, men had het in religieuze zin zo slecht nog niet onder Perzische heerschappij. Ook Nehemia beweegt zich makkelijk onder dit bewind. Hij is wijnschenker en dus voorproever van de koning. Dat is niet alleen een vertrouwenspositie aan het hof – vergelijkbaar met die van de huidige spindoctors – maar het levert kennelijk ook geen conflict op met bijvoorbeeld de joodse spijswetten die hij voor zijn functie als voorproever moest overtreden. Nehemia leidt dus een volkomen modern en geseculariseerd leven. Totdat hij hoort over de ellende in Jeruzalem. Daar – ondanks de ballingschap is altijd wat volk in de stad achtergebleven – zijn de muren in verval. Het volk is mikpunt van spot van de buurvolken.

Vanaf dat moment komt alles in een stroomversnelling. In dit bericht van achterstelling en vernedering van het eigen volk dat toch eerst zou moeten komen, wordt blijkbaar een diepe zenuw bij hem geraakt. Op het eentonige af, staat het verdere boek achtereenvolgens in het teken van de herbouw van de muren rond Jeruzalem en het reactiveren van de religieuze identiteit waarvoor vooral de priester Ezra verantwoordelijk is. Die leest in het openbaar de boeken van Mozes voor en laat zo het blijkbaar volstrekt geseculariseerde volk weer kennismaken met zijn traditie. Zijn gehoor krijgt een rigoureuze culturele en religieuze heropvoeding terwijl tegelijkertijd aan de basisvoorwaarden van veiligheid en bescherming wordt voldaan. Hier wordt, drie millennia geleden, het PVV-programma uitgevoerd.

Verdedig ik hier de verbreiding van de ’joods-christelijke cultuur’, voorzien van bijbelse papieren? Ik zie inderdaad niet waarin het program van Ezra en Nehemia verschilt van dat van Wilders. Integendeel.

Er is in dit dubbelboek amper sprake van interne kritiek. Daarom ook is de opname van dit boek in de christelijke canon nooit helemaal zonder discussie geweest. Men zag er bijvoorbeeld een nationalistisch boek i n, met de eerste contouren van een drijverig zionisme. Wie het boek nu leest, struikelt over de triomfantelijke en op den duur irritante toon.

Wat ook opvalt is dat de introductie van een nationaal-religieuze identiteit tamelijk geconstrueerd overkomt. Het lijkt erop dat Ezra en Nehemia in de vrij tolerante, multiculturele samenleving onder Perzisch bestuur, vijandschap en afbakeningen aanbrengen. Zo waren er nogal wat Joden gemengd gehuwd – met vrouwen van andere etnische en religieuze komaf – en dit wordt pas een probleem als Ezra en zijn Levieten dit op basis van het voorlezen van Mozes’ wetboeken een ’gruwel in de ogen des Heren’ vinden. Zo schep je fictieve vijanden en rakel je het verleden op, gerechtvaardigd door ingebeelde gruwelijkheden van de volkeren om Israël heen. Zo creëer je tegenstellingen tussen het eigen volk en andere volkeren op grond van al lang vergeten, maar nu herontdekte conflicten.

Veel in dit religieuze beschavingsoffensief lijkt ingegeven door rancune waar ook de bijbelse borreltafelopmerking van getuigt, dat van de kinderen uit deze multireligieuze kringen ’de ene helft Asdoditisch sprak of een andere taal, maar geen Judees’.

Ook de Levieten, de priesters die ten behoeve van het volk de vertaalslag maken na afloop van de voorlezing van de Wet door Ezra, spelen een merkwaardige rol. In hun uitleg en begeleidende gebeden is vooral het gevoel dominant dat het land en haar opbrengst eerst van hen was en dat ’door de zonden van het volk’ dat alles nu in handen van vreemden is gekomen ’waaronder wij moeten zuchten’. Deze interpretatie lijkt bepaald niet vrij van ressentiment en woede.

Ezra en Nehemia zetten zich aan het project van de ’zuivering van vreemde smetten’, Ezra in religieus, Nehemia in maatschappelijk opzicht. De tempel wordt gereinigd en gemengd gehuwden moeten onder dwang hun huwelijk ontbinden en vrouw en kinderen wegsturen. Alsof het volk voorvoelt welk nieuw tijdperk het hiermee binnentreedt, rilde het, nadat Ezra was uitge sproken, „zowel van de kou en de regen als van zijn woorden”.

Is deze zin aan de aandacht van de censor ontsnapt? Bijbelverhalen hebben een merkwaardige structuur. Zelfs als ze op zichzelf nogal onkritisch zijn zoals hier, geven ze door dit soort terloopse zinnen toch te denken. En daar is een reden voor. Het is precies deze joods-christelijke traditie zelf die de lezer partijdig heeft gemaakt. De lezer leest de Bijbel op basis van de diepste grond die de Schriften hem hebben leren kennen: die van de mensenliefde van God; de humaniteit. Op grond daarvan is de lezer gevoelig geworden voor bijzinnetjes die als alarmbellen afgaan als deze humaniteit vertreden dreigt te worden.

Het dubbelboek Ezra en Nehemia laat zich als een wordingsgeschiedenis van een identiteit lezen. Hoe wordt men iets? Hoe word je iemand? Dat hangt hier samen met vernedering, bespotting, angst en bedreiging, maar ook met een blinde vlek in de multicultipolitiek van die dagen. Artaxerxes redde het niet met theedrinken en de boel bij elkaar houden. Er is een nieuwe identiteitsvorming noodzakelijk en Ezra en Nehemia nemen die voortvarend ter hand. Dat is het gelijk van Wilders en dat wordt bijbels-theologisch ook niet ontkend. Wie niet weet wie hij is, is een speelbal van agressieve machten. En met een variant op Brecht: eerst komt de veiligheid, dan pas is er tijd voor moraal.

Tegelijkertijd lezen we over de rillingen en het verdriet van enkelingen die zich niet door de juichtonen van de meerderheid laten overstemmen. Het past bij de eigen manier waarop de Bijbel een verhaal weergeeft, om ook dit tegengeluid te laten horen. Ik ken zo snel geen ander religieus boek dat zoiets doet. Zelfs in zijn meest onkritische delen roept de Bijbel bij de lezer een kritische houding op. Kan het ooit goed zijn dat een volk rilt, niet alleen om regen en koude maar vooral vanweg e woorden? Juist door in relatief objectieve termen de noodzaak tot maatschappelijke hervormingen te onderkennen, krijgt de lezer de vraag voorgeschoteld of het anders had gekund: was die identiteitsvorming ook op een andere manier denkbaar geweest?

De joods-christelijke cultuur reikt die alternatieve vormen ook aan, al wordt dat verhaal mogelijk in andere bijbelboeken verteld. Bijvoorbeeld waar het gaat over het onvervreemdbare recht van de vreemdeling, wees en weduwe: het volk Gods moet gedenken zelf vreemdeling, slaaf en bijwoner geweest te zijn in een vreemd en agressief land. Wie een beroep doet op deze traditie, werpt een boemerang. Wie wild en onbezonnen, te pas en te onpas met deze traditie gaat smijten, heeft alle kans de vraag naar de menselijkheid in de nek terug te krijgen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden