Het volk moet getemd

„Het dikke lichaam moet gewaarschuwd, het doorrookte lichaam gedisciplineerd, het dronken lichaam ontgift, en het luie lichaam dient in beweging te komen.” De huidige verbodsdrift van de overheid richt zich geheel en al op de fysieke en materiële mens, maar niet op de geest, constateert Stephan Sanders. „Vroeger kreeg het volk ook zaken bijgebracht, nu moet het alleen nog worden getemd.”

Geboren in 1961 – daarna brak een tijd aan die heel spannend zou worden en mythische proporties zou aannemen. Maar dat wist ik toen nog niet. Dat wist toen nog niemand. Wel moet in mijn jeugd en de adolescentenfase die erop volgde een idee zijn geplant in mijn brein, dat zowat de status kreeg van een zekerheid. Alles wordt steeds vrijer. Steeds meer dingen, die vroeger verboden waren zijn nu toegestaan. En dat zal in de loop van de tijd alleen maar toenemen.

Ik was een stuk vrijer dan mijn moeder, mijn moeder weer vrijer dan haar moeder, en na mij zullen er weer jongeren komen die zich verbazen over de beperkingen die de samenleving mij oplegde, en de restricties waaraan ik me hield.

Mijn vrijheidsidee was er dus een van onstuimige, progressieve groei. Zoals de generatie voor mij zeker wist dat haar kinderen het economisch beter zou krijgen, zo had ik het idee dat de vrijheid die ik kende nooit een stap terug kon doen, dat de ingeslagen weg van vrijer en nog veel vrijer er een was zonder stopbord, en al helemaal zonder U-bocht.

Naïeve gedachte, achteraf, want gelogenstraft.

Ik heb de indruk, nu als veertiger, dat de vrijheid alweer een tijdje bezig is de terugweg in te slaan, de weg waarvan ik dacht: die hebben we al afgelegd, dat station zijn we gepasseerd. Dat is niet zo, en het bezorgt je de ouwelijke sensatie als het ware achteruit te leven, weer stil te staan op datzelfde perron, waar je je vroeger al zo verveelde.

Want de lijst van waarschuwingen, vermaningen, taboes en zelfs regelrechte verboden van de overheid is groeiende: de zogenaamde genotsmiddelen, zoals alcohol en tabak, zijn inmiddels omgeven door zoveel wettelijke bepalingen, dat het eenvoudiger is water uit een rots te slaan dan genot te halen uit een drankje of een sigaret. De restaurants moeten rookvrij, alle horeca moet rookvrij, en waarom zou er in de toekomst geen speciaal rechercheteam komen dat invallen doet bij weerspannige particulieren? Ons eten gaat op de bon, niet vanwege armoede of schaarste, maar vanwege de kleurstoffen, onverzadigde vetten en andere junkelementen die zich daar illegaal ophouden.

De waarheid moet boven tafel, en een gewaarschuwd mens telt voor twee: in die zin is onze bevolking de afgelopen jaren verdubbeld.

In alle eerlijkheid moet ik bekennen dat ik mijn rokende leven lang heb geweten dat teer en nicotine een uiterst gemene combinatie vormen voor mijn longen – en anders wel voor die van anderen. Dat wist ik toen ik vijftien was, dat weet ik nu, en ook als de waarschuwingstekst op de pakjes nog alarmerender wordt – mijn kennis zal daardoor niet vermeerderen.

Is het de plicht van de overheid mij te waarschuwen voor wat ik al weet? Is het misschien de plicht van de overheid net zo lang te waarschuwen totdat ik stop? En mag een waarschuwing in de wind worden geslagen, of heb ik dan mijn eerste schrede gezet op het criminele pad?

Nu wil Ab Klink, minister van volksgezondheid, kijken naar de mogelijkheid om het zogenoemde happy hour te verbieden: Het Gelukkige Café Uur, waar de mensen de waarde van hun geld eventjes verdubbeld zien, als was die goeie ouwe guldentijd weerom. Ja, er komen ook jongeren op af, die niets met mate doen, dus ook niet als ze drinken. Dat kan heel slecht aflopen, dat is niet best, maar het lijkt mij geen overheidstaak zelfs maar te overwegen het happy hour te verbieden. Met dit schot hagel worden ook alle volwassenen, die er zo hun plezier aan beleven getroffen. Het ligt meer voor de hand hier iets van de ouders te verwachten, van de horecaondernemers, van de jongeren zelf misschien, die, als wij hun leraren mogen geloven, zo begiftigd zijn met vaardigheden en competenties, dat men ze niet mag storen met onbenulligheden als grammatica en jaartallen?

Deze sociaal vaardige genieën moeten in staat worden geacht een drankje te laten staan. Het moet haalbaar zijn deze jongeren, die het calculeren met de computer hebben geleerd, tot het inzicht te brengen dat die belspelletjes op tv ergens hun winst vandaan moeten halen, en dat zij het voornaamste doelwit zijn.

Iedere keer dat de overheid een verbod uitvaardigt, krijgt de burger tegelijkertijd een brevet uitgereikt: een brevet van onvermogen. „Wij, de Staat der Nederlanden achten u niet in staat adequaat voor uzelf te zorgen, en daarom hebben wij die verantwoordelijkheid op ons genomen.” Dat is de tekst van het diploma, en u bent dus gezakt.

Hoe meer verbodsbepalingen er komen die direct raken aan de privésfeer, des te onbekwamer de bevolking zichzelf inschat. Het is alsof steeds meer mensen op zoek zijn naar een Toeziend Voogd, in de gedaante van de overheid. Dat is misschien nog aandoenlijk als je zestien bent, maar voor dertigers en veertigers is het een veeg teken. Wie zichzelf hoort roepen: ’Ze moesten het meteen verbieden’, zou zich moeten afvragen wat de overheid vermag dat niet door eigen ingrijpen kan worden geregeld. De misselijk makende computerspelletjes die uw jongste zoon in huis haalt: hier moet niet de overheid aangespoord worden, maar toch echt de ouder in uzelf.

De (verzorgings)staat heeft tegenover haar burgers een beschermende taak te vervullen, als het gaat om oorlog, ziekte en gebrek. Maar die protectieplicht moet niet zover worden opgerekt, dat gezonde, volwassen mensen tegen zichzelf in bescherming worden genomen. Want daarmee verspeel je de notie van burgerschap, en het idee dat wij volwassen Nederlanders in staat worden geacht een afgewogen oordeel te vellen en onze politieke vertegenwoordigers zelf te kiezen.

Voor de politiek moet de suggestie van krachtdadigheid, die zij aan deze min of meer huishoudelijke kwesties kan ontlenen, wel onweerstaanbaar zijn – vooral in een tijd van globalisering, waarin juist de reële macht van het nationale parlement aan het afnemen is. Maar hier, op de rand van het privé- en publiek domein, staan onze gezagsdragers graag hun mannetje. Het is misschien goed te beseffen dat ze dus ook met één voet in uw persoonlijke levenssfeer staan, en dat u ze daar zelf hebt toegelaten.

Jens Jessen, redacteur van het weekblad Die Zeit, ziet in Duitsland een soortgelijke ontwikkeling. Waar bij ons de paddo’s tot verontwaardigde discussies leidden, was het daar het zogenoemde Komatrinken onder jongeren en de toegestane maximumsnelheid op de Duitse Autobahn. Jessen spreekt in dat verband van een ’Verbotsmanie’ die rondwaart in de Duitse politiek (ook zonder ChristenUnie lukt dat dus best) en vreest voor wat hij noemt ’de Terreur van de Deugd’.

Gek genoeg realiseerde ik me bij die laatste omschrijving pas wat er ontbreekt aan die stortvloed aan hele en halve verboden: wij worden voortdurend gewaarschuwd voor het Slechte Leven, met z’n halfgedoofde sigaretten, zijn uitgeteerde longen en de flesjes Breezer, die jonge meisjes rechtstreeks de prostitutie indrijven. Maar enig richtsnoer voor het Goede Leven ontbreekt.

Verboden zijn niet nieuw, uit overlevering ken ik de verhalen uit de ’autoritaire’ jaren vijftig. Nieuw is de nadruk die wordt gelegd op de onverantwoordelijke gewoonten die leven onder de bevolking. Nieuw is de eenzijdige benadering, waarin alleen maar geprobeerd wordt het volk bepaalde zaken af te leren. Het aanleren van deugden is kennelijk een hopeloze onderneming, die tot mislukken gedoemd is – alsof de overheid op zeker moment de moed heeft laten varen, als een moegestreden ouder die zijn opvoedende taak heeft gereduceerd tot een strafpakket.

Dat is dus wat er overbleef van het ooit zo hooggestemde idee van Volksverheffing: Het Volksverbod.

Er hangt een muffe lucht rond de hele onderneming, die wij in de termen van de historicus Piet de Rooy zijn gaan aanduiden als het ’beschavingsoffensief’. Maar het is opvallend hoe nu alleen de verbodskant van die beschavingsmissie wordt uitgevoerd, terwijl die andere, educatieve kant wordt genegeerd.

Ook vroeger moest het volk al in de hand worden gehouden, maar het kreeg ook zaken bijgebracht, het moest in contact komen met de hogere cultuur, met de betere boeken, met verantwoorde architectuur, en met muziek uit het Concertgebouw.

Nu lijkt het erop dat het volk alleen nog maar moet worden getemd.

Dat is een magere erfenis voor al die kabinetten Balkenende die van normen en waarden hun uithangbord hebben gemaakt. Al die missies van vroeger om het gebied van de beeldende kunst te ontsluiten, om Mahler naar de arbeiderswijk te brengen en Spinoza naar de middelbare school – daarvan is dus de eigentijdse echo: ’Fatsoen moet je doen’. Dat is, ik zeg het voorzichtig, wel een heel minimaal pakket.

Opmerkelijk is hoe de politiek zich de laatste jaren heeft geconcentreerd op materiële en fysieke zaken. Terwijl de ’geestelijke waarden’ ook nog na de Tweede Wereldoorlog hoog in het vaandel stonden, is het tegenwoordig het lichamelijke welzijn dat de staat tot haar verantwoordelijkheid wenst te rekenen.

Willem Drees sr., die in 1941 als gijzelaar vastzat in Buchenwald, herinnerde het Nederlandse volk eraan „het oog gericht te houden op een groot en hoog doel, dat ons te liever zal zijn geworden nu wij het volstrekte tegendeel daarvan op zo verschrikkelijke wijze hebben doorleefd”.

Dat ’grote en hoge doel’ is inmiddels afgeslankt tot het topfitte lichaam.

Het dikke lichaam moet gewaarschuwd, het doorrookte lichaam gedisciplineerd, het dronken lichaam ontgift, en het luie lichaam dient in beweging te komen. De Nationale Volksgezondheid – dat wordt steeds meer de gezondheid van lijf en leden, waarbij de Overheid optreedt als de nietsontziende gymleraar van vroeger. En al die andere waarden, van culturele en morele aard?

Lukt het iemand het begrip ’verheffing’ nog zonder ironie uit te spreken? De politiek allang niet meer, de politiek realiseerde zich al in de jaren zeventig van de vorige eeuw dat zij zich verre moest houden van het zedenpreken. Dat riekte naar paternalisme, en paternalisme was in die anti-autoritaire jaren het laatste waarvan je beschuldigd moest worden.

In hun pleidooi voor een Links Beschavingsoffensief stellen de filosofen Evelien Tonkens en Tsjalling Swierstra dat Joop den Uyl de laatste was binnen de PvdA die nog durfde te praten over wat vroeger wel het ’cultuursocialisme’ werd genoemd – het idee dat ook in cultureel opzicht de bevolking onderricht moest worden. Den Uyl was daarmee de hekkensluiter van een traditie, die begon met Domela Nieuwenhuis en Troelstra, en die nadien verwoord zou worden door mensen als Koos Vorrink, Willem Banning en Jacques de Kadt.

Maar met de opkomst van Nieuw Links werd het idee van ’hogere waarden’ naar de prullenmand verwezen: dat was maar elitair, en in strijd met de algehele democratisering die werd voorgestaan. Daar viel ook de democratisering van waarden onder: want wat tot de ’hoge cultuur’ behoorde en wat tot de ’lage’, wat subliem was en wat ordinair, dat was enkel een kwestie van perspectief.

Vroeger stelde de politiek zich op als een erudiete leraar, die richting gaf in uiteenlopende zaken van algemeen belang: haar rol is nu dus afgezwakt tot die van fitnesstrainer.

Ondertussen is het nog maar de vraag welke politieke visie hovaardiger uitpakt. Die waarin de politiek zich beperkt tot het verbod, het hekje voor de trap, de beveiliging op het stopcontact, als waren haar burgers het kruipstadium nog niet ontgroeid. Of politici die ons aanspreken op waarden en ideeën, die bediscussieerd, aangeleerd en ook weer verworpen kunnen worden.

In het eerste geval is er sprake van wat je met recht ’betutteling’ mag noemen: de burger wordt behandeld als een onmondige. In het tweede geval wordt de burger ook het vermogen toegekend om bij te kunnen leren. Er is sinds de jaren zestig sprake van een rampzalige verwarring tussen paternalisme en alles wat met onderwijs en onderricht te maken heeft. Tussen doceren en patroniseren. Patroniseren betekent letterlijk ’bevaderen, bevoogden’ en in de praktijk leidt dat ertoe dat iemand neerbuigend wordt behandeld. Iemand die zijn kennis overbrengt op een ander buigt zich misschien wel voorover, om de lesstof inzichtelijk te maken of een probleem uit te leggen, maar doet dus precies het tegenovergestelde van de paternalist. Die laatste gaat er namelijk van uit, dat kleine mensen klein en liefst ook onwetend moeten blijven, opdat hijzelf des te onmisbaarder wordt. Paternalisten houden er niet van voorbijgestreefd te worden, terwijl de bevlogen docent eigenlijk niet anders wil.

Op het moment dat in het onderwijs de anti-autoritaire geest ging waaien, werd kennisoverdracht zo’n beetje gelijkgesteld aan paternalisme. Zo’n man of vrouw vooraan in de klas die zei hoe het zat – dat kon toch eigenlijk niet meer. Daar moesten die leerlingen maar zelf achterkomen, spelenderwijs.

Iets soortgelijks is gebeurd in de politieke arena , waar vooral geen paternalistische houding mocht worden aangenomen, zodat zelfs het eigen democratische bestaansrecht moest worden gerelativeerd. Ik vind het nog steeds een gotspe dat een vak als staatsinrichting zo’n beetje uit alle lesprogramma’s is geschrapt, net op het moment dat Nederland te maken kreeg met grote groepen nieuwkomers, die bijna altijd veel minder ervaring hadden met een democratische cultuur. De grondwetsartikelen, en hoe die zich tot elkaar verhouden – ik geloof dat niemand zelfs maar de moeite heeft genomen de net aangekomen Turken en Marokkanen ermee lastig te vallen. Verkeerd begrepen terughoudendheid nam hier de vorm aan van nonchalance.

Er is wel vaker opgemerkt dat er een zekere ironie schuilt in het feit dat Nederland net was ontzuild en alle waarden zo’n beetje relatief leken, toen de grote immigrantenstroom op gang kwam. Ik denk dat je het waardenrelativisme, die toen de rigeur was, veel minder toevallig moet noemen dan het lijkt. Het maakte deel uit van een veel bredere cultuurrelativistische scepsis, die bedoeld was als hartelijk welkomstgebaar aan de migranten.

De ene cultuur is eigenlijk, welbeschouwd, net zo leuk als de andere.

Die uitspraak mag je op z’n minst wrang noemen, want het zou betekenen dat al die landverhuizers hun reis om niets hebben gemaakt..

Onvoorzien gevolg was bovendien dat het voor de nieuwkomers eigenlijk niet meer mogelijk was ’hogerop’ te komen, zoals dat vroeger heette, omdat het idee van een hogere of lagere cultuur net was afgeschaft.

’Hogerop’ bestond niet meer, de ladder was weggetrokken, de zolderverdieping viel niet langer te bereiken. Daarboven had de hogere middenklasse zich verschanst, die net deed alsof ze geen verschil zag, maar die toch haar eigen kinderen in het geniep wel degelijk inzichten bijbracht over ’hoger’ en ’lager’. Maar die kennis mocht vooral niet gedeeld worden met de lagere klassen, die je ook al niet meer zo mocht noemen, want dat zou maar paternalistisch zijn.

Het waardenrelativisme kreeg in de jaren tachtig ook nog eens een deftige hoed op het hoofd gedrukt, en sindsdien spreken we van het postmodernisme. „Alles is relatief, wij zijn de moderniteit al voorbij.” Ik vind dat een cynische houding, zeker als je bedenkt dat het gros van de nieuwkomers uit premoderne gebieden afkomstig was. ’Speak for yourself’, zou je die verveelde elite willen voorhouden.

Het project van het moderne, het idee van een ’moderne beschaving’ heeft niets aan belang ingeboet. Integendeel, door de nieuwe demografische samenstelling van Europa is de urgentie daarvan alleen maar toegenomen.

Nu hebben we een kabinet dat zich plotseling bewust is geworden van het achterstallig onderhoud dat in de voorbije jaren is ontstaan. Als een vader die wakker schrikt uit zijn slaapstoel, en zich realiseert dat opvoeding wel degelijk werk betekent. Ineens worden we geconfronteerd met de harde hand. Het moet maar eens afgelopen zijn. Verbod hier, verbod daar.

Het verbod is niet het sterkste pedagogische middel, zeker niet als diezelfde politiek jarenlang verstek heeft laten gaan, onder het mom van ’gewoon lekker jezelf zijn’. (Met dank aan Ed Nijpels.) Vaders die zich na jaren van dommelslaap ineens weer herinneren wie er thuis de baas is – ze worden er niet geloofwaardiger op.

Je mag hopen dat er achter die verboden nog een idee schuilgaat, een richtinggevende visie op wat een moderne, democratische samenleving tekent en wat niet. Dat beschavingsidee zou uitgelegd moeten worden, onderwezen, zodat ook de laatkomers in de klas kunnen weten wat er ook al weer was afgesproken, voordat zij hun entree maakten.

Het is al met al, ik geef het toe, ietsje ingewikkelder dan het verbieden van een happy hour.

Stephan Sanders is schrijver en essayist. In 2005 publiceerde hij bij uitgeverij Meulenhoff ’Binnenstebuiten. Over politiek, personae en het persoonlijke’ (ISBN 9029076453).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden