Review

Het voelt goed om weer aan het leven boven de grond mee te doenAntropoloog woonde vijf maanden bij tunnelmensenNiet stelen en elkaar een beetje helpen indien nodig

Teun Voeten, 'Tunnelmensen'. Uitg. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1996. ¿ 39,90.

Niet alle tunnelbewoners die Teun Voeten in zijn boek opvoert, zijn komen opdagen bij de opening van zijn foto-expositie, in een kleine galerie aan New Yorks 2nd Avenue. Meest opvallende afwezige is Bernard, de welbespraakte Lord of the tunnel met wie Voeten in 1994 en '95 tijdens zijn vijf maanden durende verblijf onder de grond het intensiefst is opgetrokken. Maar ook zonder hun lijfelijke aanwezigheid voel je je, na lezing van het boek, op de tentoonstelling omringd door bekenden. Voeten heeft de bewoners van die ene spoortunnel in de Upper West Side van Manhattan zo gedetailleerd, met al hun aardige en onhebbelijke trekken, beschreven dat hun gefotografeerde levens vertrouwd aandoen.

Die hippie met gebreide muts, bijvoorbeeld, dat is Marcus, die tijdens zijn studie biochemie en antropologie aan een prestigieuze universiteit zwaar aan de heroïne ging en compleet doordraaide. Met 'Antoine', zoals hij Voeten noemde, converseerde hij bij voorkeur in het Frans, waarbij hij een verbluffende feitenkennis tentoonspreidde - al waren zijn gedachtensprongen meestal niet te volgen. “Marcus leeft nog steeds op een andere planeet”, zegt Voeten, kijkend naar de foto. “Hij is een van de weinigen die geen gehoor hebben gegeven aan de oproep de tunnel te verlaten en zich bij een hulporganisatie te melden. Terwijl overal in de stad grote aanplakbiljetten waarschuwen dat het per 1 juli echt is afgelopen. Dan gaan de tunnels dicht en staat Marcus op straat. Maar hij redt het waarschijnlijk wel, hij trekt veel op met de Rainbow People, een internationale beweging van drop-outs, hasjrokers en macrobioten.”

Ook Bernard, Voetens tunnelbuurman, valt moeiteloos te herkennen. Een knappe man met dreadlocks, voormalig fotomodel voor Pierre Cardin en Van Gils, tv-technicus, reisleider, cocaïnesmokkelaar, en wat al niet meer. Ooit joeg hij er als drugsleverancier aan Hollywoodberoemdheden duizenden dollars per week doorheen, vanuit zijn chique penthouse, niet ver van zijn latere tunnelwoning. Maar ja, hoe gaat dat: relatieproblemen, overmatig coke-gebruik, valse vrienden. Toen Voeten hem leerde kennen, woonde Bernard al acht jaar in de tunnel, naar zijn zeggen zonder enige spijt dat zijn luxe-leven van weleer voorbij was: alles was ijdelheid, man. Nu verdiende hij, zoals vele tunnelbewoners, zijn geld met het ophalen van lege blikjes. Tussen zijn spraakwatervallen door mocht hij graag tuttelen: wasje doen, koken (meestal spaghetti met tomatensaus), koffie zetten. Met ter ontspanning regelmatig een pijpje crack. Maar je moest je hoofd er wel bij houden, leerde hij Voeten. Want om te overleven in de tunnel, moest je in staat zijn voor de drie belangrijkste levensbehoeften te zorgen: water, brandhout, voedsel. 'Dit is geen plaats voor crackheads.'

Voeten was zeker niet de enige die een paar jaar terug geïntrigeerd raakte door het verschijnsel 'tunnelmensen', maar anders dan zijn collega-verslaggevers besloot hij een tijdlang ondergronds te gaan wonen. Alleen door de bewoners letterlijk dicht op de huid te zitten kon hij naar zijn mening iets toevoegen aan de stortvloed van reportages die de afgelopen jaren was verschenen. In 1989 publiceerde een Newyorkse krant de eerste verhalen over daklozen die, soms al vele jaren, in verlaten metro- en spoortunnels leefden. Er volgde een stroom artikelen waarin werd beschreven hoe duizenden daklozen van allerlei slag in dat honderden kilometers lange labyrint waren neergestreken. Sommigen leidden een redelijk luxe-bestaan, compleet met tv en ijskast, anderen (vaak lijdend aan aids) hadden zich daar teruggetrokken om te sterven.

Dat laatste was een paar jaar eerder ook voorgekomen in de kolonie waar Voeten zich vestigde. 'Het was opeens erg begonnen te stinken in de tunnel en iedereen dacht dat het bedorven vuilnis of een dooie kat was. Maar Joe wist als veteraan te vertellen dat het de geur van een rottend menselijk lichaam moest zijn. Ment belde de politie en ging samen met de buurtagent op onderzoek uit. Samen vonden ze het lijk van een man ergens diep in een nis. Het lichaam was door ongedierte aangevreten. Een rat kwam uit de oogkas gekropen.'

In november 1994 nam Voeten zijn intrek in de tunnel, in het onderkomen van Bob die er alleen in de weekends zat. 'Wilde Bob', zoals Bernard hem in het boek vertederd noemt, raakte al jong op drift en maakte wat hij als kok verdiende pijlsnel op aan feesten, snuiven en slikken. Wilde Bob was ook charmante Bob, die zijn innemende persoonlijkheid inzette om mensen geld uit de zak te kloppen. Bij de opening van Voetens expositie toont hij zich op dat vlak nog steeds een meester: “Hij heeft toch weer dertig dollar van me weten los te krijgen”, foetert Voeten. Dat Bob hem vervolgens in zijn toespraakje de enige tunnelverslaggever noemt die “een echte vriend” is geworden, maakt echter veel goed.

Het was in Bobs bunker redelijk aangenaam toeven, schrijft Voeten. 'Het is een grote, gemeubileerde ruimte. Drie meter hoog, vijf meter diep en wel acht meter breed. (...) Er staat een groot tweepersoonsbed met gladgestreken dekens. Ik ruik eraan. Tikkeltje muf, maar schoon. (...) Bij het bed staat een prima werktafel met wat stoelen eromheen en een paar petroleumlampen erop. Verderop nog een zitje met twee luie stoelen, een bank en een bijzettafeltje vol met lege sigarettenpakjes, crackcapsules en vastgesmolten kaarsvet. In een andere hoek staan nog een tafel en een ongebruikte, lege ijskast.' Lang niet iedereen in de tunnel zat er zo comfortabel bij: Little Havana, een door Spaanstaligen bevolkt nederzettinkje aan het andere eind van de tunnel, was gebouwd op een vuilnishoop, temidden van kniediep afval waar ratten doorheen kropen. Niet ver daarvandaan trof Voeten zomaar in een hoek onder een berg vodden een nauwelijks als menselijk herkenbare gestalte aan, waar de ratten gewoon overheen liepen. Dat was Lee, totaal niet aanspreekbaar. Later zou hij voor een trein springen.

Buurman Bernard stelde Voeten op de hoogte van de huisregels: plassen en poepen diende zo ver mogelijk van hun onderkomen vandaan te gebeuren. Kuiltje graven, zand erover. Bob zelf bleek het zich op dat punt gemakkelijk gemaakt te hebben. Stelselmatig had hij zijn blaas geleegd in plastic flessen, waardoor Voeten nu zat aan te kijken tegen 35 liter verschaalde urine.

Verder bestonden er in de tunnel eigenlijk geen regels, behalve de vanzelfsprekende: elkaars privacy respecteren, een beetje helpen als dat nodig was, en niet van elkaar stelen. Wie zich daar niet aan hield, kon rekenen op uitstoting of een afranseling. Zoals Franky onomwonden zei, wijzend op een klauwhamer in zijn studentikoos-knusse optrekje: 'Overtreed je de regels van de tunnel? Dan sterf je volgens de regels van de tunnel.' Waarna hij Voeten appeltaart bij de koffie serveerde.

Voeten nam tijdens zijn vijf ondergrondse maanden zoveel mogelijk deel aan het dagelijks leven van de bewoners. Bijvoorbeeld door regelmatig voor dag en dauw met Bernard op stap te gaan om blikjes in te zamelen. Bernard zelf was het bewijs dat er van die business redelijk te leven viel, maar ook Franky vertelde dat hij er in een goede maand een kleine duizend dollar mee verdiende. Bedelen? Dat nooit. 'Ik ben een man. Ik heb mijn trots.'

Diezelfde trots doet Franky's gezicht glanzen wanneer hij tijdens de expositie vertelt hoe het voelt om weer boven de grond mee te draaien: “Great!” - al zou hij zijn aanstelling bij Pizzahut nou niet direct het begin van een carrière wilen noemen. Zijn vroegere huisgenoot Ment werkt, sinds hij uit de tunnel weg is, op een vissersboot in Alaska, dus ook met hem gaat het goed, ja. Net als Franky ziet Robert - een paar jaar geleden ontslagen, alles kwijtgeraakt - zijn tunnelleven als een periode die definitief is afgesloten. Glunderend vertelt hij dat hij, die na zijn ontslag elke dag heen en weer reed in de metro om maar een dak boven zijn hoofd te hebben, binnenkort een baan als invaller bij diezelfde metro krijgt. Het lijkt hem een schoolvoorbeeld van poëtische rechtvaardigheid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden