Het vocale doodvonnis

Dennis O¿Neill en Angeles Blancas Gulin als Eléazar en Rachel in ¿La Juive¿ bij De Nederlandse Opera. (FOTO RUTH WALZ) Beeld
Dennis O¿Neill en Angeles Blancas Gulin als Eléazar en Rachel in ¿La Juive¿ bij De Nederlandse Opera. (FOTO RUTH WALZ)

Zongen operazangers vroeger beter? Je hoort het vaak, maar klopt het ook? Bij De Nederlandse Opera gaat vanavond Halévy’s ’La Juive’ in première. Adolphe Nourrit en Cornélie Falcon creëerden in 1835 de hoofdrollen. Het liep vocaal slecht met de supersterren af.

Die vervloekt-fragiele menselijke stem! Twee stembandjes, spieren die een operazanger zonder aankondiging in de steek kunnen laten. Sommige zangers zijn huiverig voor hun stembanden, bijgelovig zelfs, hebben er rituelen voor. Het gebruik van bètablokkers, kalmerende middelen en zelfs hardcore drugs is onder zangers explosief gestegen blijkt uit Duits onderzoek.

Eigenlijk is de praktijk wat dat betreft onder topzangers niet veel anders dan onder topsporters. In de race om steeds sneller en krachtiger te worden, hoger en verder te komen, blesseren sporters zich om de haverklap of gebruiken ze doping om het zo gewenste resultaat sneller te bereiken. Weigerende stembanden zijn niet veel anders dan een uit de hand gelopen sportblessure.

Er zijn zangers die met een speciaal spiegeltje van de kno-arts (uitgevonden door de negentiende-eeuwse zangleraar Manuel Garcia jr.) elke morgen hun eigen stembanden bekijken, in blinde paniek vorsend of ze er een onregelmatigheidje op kunnen ontdekken. Dat zelfonderzoekje vindt dan meestal plaats nadat bij het wakker worden eerst geprobeerd is of de stem überhaupt nog werkt, of ’ie er nog zit. Zit er een ruisje, een raspje, een rafeltje? Stroomt de adem nog regelmatig door de stemspleet, of wapperen de uitsteeksels alle kanten op? Om gek van te worden – in sommige gevallen is dat ook daadwerkelijk gebeurd.

Er hangt dan ook nogal wat van af, van die gouden stem. Zeker als je een beroemde operazanger bent van wie grootse dingen worden verwacht. Het recente rumoer en de ophef over het vermeende falen van de stem van de Mexicaanse stertenor Rolando Villazón – die wegens een cyste op of bij de stembanden alle engagementen voor het hele seizoen afzegde – zegt genoeg. Hij is door sommigen zelfs al helemaal afgeschreven. Te veel en te zware partijen zouden zijn stem hebben geruïneerd.

De constante perikelen rondom de persoon en de stem van Maria Callas zijn breed uitgemeten. In Rome liet zij halverwege Bellini’s ’Norma’ een zaal vol hotemetoten zitten, inclusief de president van Italië, omdat haar stem het begaf. Een schandaal dat in de wereldpers alle voorpagina’s haalde. Callas groeide uit tot hét voorbeeld van iemand die een unieke stem had, maar daar zó onvoorzichtig mee omging dat haar toptijd nauwelijks een decennium duurde.

Tegenwoordig hoor je vaak dat operazangers snel opgebrand zijn, lucratieve, maar onverstandige keuzes maken, en doldraaien in het systeem. Zo werd de zoektocht naar een ’nieuwe Callas’ funest voor de eveneens Griekse sopraan Elena Souliotis. Na Callas’ glorietijd kreeg zij vanwege haar spectaculaire, maar technisch onvolgroeide stem eind jaren ’60 het ’Callas-etiket’ opgeplakt en dat betekende haar vocale doodvonnis. Na een kort en enerverend rondje langs de wereldpodia en de platenmaatschappijen werd de stem aan flarden gescheurd – opwindend zolang het duurde.

Eenzelfde lot was de Wagneriaanse heldentenor Roland Wagenführer beschoren. Na een triomfantelijke titelrol in Wagners ’Lohengrin’ in Bayreuth (1999) was Wagenführer de glorende hoop aan de Wagner-hemel. Nauwelijks een paar jaar later – ook hij claimde net als Villazón een fysiek ongemak – werd hij in dezelfde rol in hetzelfde Bayreuth uitgejouwd. Sindsdien is er weinig meer opzienbarends vernomen van Wagenführer, die tegenwoordig in de provincie baritonrollen als Tevje in de musical ’Anatevka’ zingt. Het moge duidelijk zijn dat hier niet alleen een verwaarloosde ziekte debet aan is geweest. Aannemelijker is dat de tenor rollen zong die eigenlijk te zwaar voor zijn stembanden waren.

Dat valt de zanger zelf te verwijten, maar een deel van de schuld ligt ook bij de ’afnemers’ van stemmen. Dat veelbelovende zangers door almachtige castingafdelingen en platenbonzen snel worden afgeschreven omdat elk operahuis en elk label naar een zelf ontdekte, nieuwe stem op zoek is waarmee ze hun collega’s in de branche de ogen uit kunnen steken, daar hoor je maar weinig over.

En zo’n ’ontdekking’ wordt vervolgens – ook als het publieke succes groot is – al snel aan zijn of haar lot overgelaten. Er moet immers opnieuw, vooral door operahuizen, ’gescoord’ worden. Vergezeld van laatdunkende verhalen over gemankeerde techniek of een al te snelle vocale val wordt de eerdere ’ontdekking’ gedumpt; gegund aan ’mindere’ collega-huizen. Vroeger was het wat dat betreft allemaal veel beter, hoor je oudere operaliefhebbers verzuchten. Maar is dat ook zo?

Het verhaal van de Franse sopraan Cornélie Falcon, de allereerste Rachel in ’La Juive’, is wat dat betreft tekenend. Voordat de 20-jarige Falcon in 1832 haar officiële zangersdebuut maakte in Giacomo Meyerbeers opera ’Robert le diable’ draaide de publiciteitsmachine van de Parijse Opéra overuren. Het ging niet eens om de première van Meyerbeers succesvolle opera, geen galagebeuren. Het was slechts de 41ste voorstelling ervan.

De directeur van de Opéra had er alles aan gedaan om te suggereren dat dit dé avond was waar je bij moest zijn. Niet alleen zong Adolphe Nourrit wederom de titelrol, maar die avond vond het debuut plaats van een sensationele zangeres, net afgestudeerd aan het Conservatoire, lang, knap, een uitzonderlijk actrice. Falcon werd op slag een ster.

In de zaal zaten Hector Berlioz, Luigi Cherubini, Daniel Auber, Maria Malibran, Gioachino Rossini, Théophile Gautier, Alexandre Dumas, Honoré Daumier, Fromental Halévy – iedereen die er kunstzinnig toe deed was er. Falcons bijzondere stem, met gemak hoorbaar van een lage B tot aan een hoge D, gaf een heel speciale lading aan de rol van Alice. Meyerbeer verklaarde dat met Falcon zijn opera eindelijk compleet was. Een stemtype was geboren, de falcon, nog steeds zo genoemd.

Zoals in het kunstschaatsen de rittbergers en de axels genoemd zijn naar hun bedenkers en uitvoerders, zo plakten de Fransen graag een persoonlijk etiket op een bepaald stemtype. Ze kennen daar niet alleen de falcon, maar ook de dugazon (naar mezzo-sopraan Louise-Rosalie Dugazon) en de baryton-martin (naar bariton Jean-Blaise Martin).

Maar hoewel de term falcon nog steeds voortleeft, had de naamgeefster slechts een carrière van vijf jaar. Na haar sensationele debuut werd Falcon steeds gekoppeld aan tenor Adolphe Nourrit, haar leraar en coach. Samen zongen zij de grote rollen in het genre van de in Parijs in zwang zijnde grand opéra (Rossini’s ’Guillaume Tell’, Aubers ’Gustave III’, Meyerbeers ’Les Huguenots’ én Halévy’s ’La Juive’), totdat hun stemmen het letterlijk begaven.

In 1837, tijdens een voorstelling van Louis Niedermeyers ’Stradella’, opende Falcon haar mond en kwam er niets anders uit dan wat hees geruis. Het was amper vijf jaar na haar spectaculaire debuut. Berlioz was erbij en omschreef wat hij hoorde als ’schorre geluiden als die van een kind met kroep; kelige, fluitende tonen die snel vervlogen als die van een fluit gevuld met water’. Het was gedaan met Falcon. Allerlei remedies haalden niets uit. Een comeback in 1840 verliep desastreus.

Haar partner en leraar Nourrit werd in datzelfde noodlottige jaar 1837 letterlijk van het Parijse operatoneel geblazen door de nieuwe tenor Gilbert-Louis Duprez. Die zong voor het eerst een hoge C vanuit zijn borstregister; de hoge C zoals wij die nog steeds van tenoren kennen. Voor Duprez had Domenico Donzelli in Italië het borstregister al opgetrokken tot een hoge A – Duprez zette er een terts bovenop. Weg was de zorgvuldig ontwikkelde voix mixte, een subtiel vermenging van borst- en kopregister. De weg voor de vulgaire brulboeien lag wagenwijd open.

Nourrit kon tegen de mode van de ut de poitrine niet opboksen. Hij probeerde zijn stem nog wel om te scholen, maar tevergeefs. In 1839 sprong hij in complete wanhoop van een Napels balkon zijn dood tegemoet. Berlioz was bij de begrafenis en schrijft: ’Een jonge vrouw in rouw, zat heftig snikkend, verscholen in een nis. Het was mademoiselle Falcon, een artiest die niet kón sterven’. De zangsensatie van 1832 werd 85 jaar oud, maar haar stembanden waren allang dood.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden