Het vingertje van 'u hoort hier niet'

Onkerkelijke filosofe Karin Melis wil in januari worden gedoopt in de rk kerk. Een verslag in afleveringen over uitzien naar tegen de berg op.

De vinger van onze substituut-pastoor wees recht naar mij. Zijn ogen stonden vragend. En die vinger, die ging heen en weer. Van links naar rechts. Zo van 'wat doe je hier nog?' Het openingslied nam een aanvang en zijn blik hield de mijne vast totdat ik nadrukkelijk weg keek. Ik dacht: ik doe lekker toch wat ik wil, om dit onmiddellijk in twijfel te trekken. Geen poot om op te staan als hij me nadrukkelijk vingerwijzend verzoekt te vertrekken. Zelfs al was het niet zijn eigen parochie waar hij deze zondag voor preekte, dan nog had hij de bevoegdheid mij als een godverlatene weg te sturen. Mijn hart zonk. Niet veel anders dan wanneer ik de politie zie en pijlsnel naga wat ik ook alweer fout had gedaan.

Het moeten die opmerkingen over geloof en seks, van vorige week op deze pagina geweest zijn. Het moet zijn omdat mijn dochtertje en ik, samen ongedoopt op de tweede rij zitten, week in week uit, vlak onder de neus van de voorganger. Was ik soms de farizeeër, de tollenaars in hoogmoed achteloos achter me latend?

Nu ik er goed over nadenk was het vroeger precies zo. Op de talrijke scholen en daarmee lokalen die ik bezocht, zat ik steevast vooraan. Ze zouden me eens over het hoofd mogen zien. Nee, dan had je pas goed de poppen aan het dansen, al had ik er geen notie van hoe die tango er uit zou kunnen zien. Nog niet.

Na dat vermanende vingertje demonstratief opstappen wilde ik niet. Wat zou ik tegen mijn dochtertje moeten zeggen? Diezelfde ochtend nog had ik op hoge toon gedreigd niet naar de kerk te zullen gaan als ze niet direct met klieren ophield. Het had effect, maar ik heb er verder geen gewag van gemaakt. Door de grond zou ik willen zakken onder die blik van die zachtaardige pastoor die er geen been in zag om in al zijn kwetsbaarheid helemaal alleen vóór te zingen. Eerst aarzelend en dan dapper aan kracht winnend. Het kwam uit zijn tenen. Ik zou er opeens helemaal niet willen zijn, beter nog, er gans nooit geweest zijn.

Als het zwaard van Damocles voelde ik opnieuw de vernedering boven me hangen. Bij de immigratiedienst van het Newyorkse vliegveld John F. Kennedy heb ik er lang op moeten wachten eer ik begeleid met ongeduldig vingertje me bij Office One mocht melden. U hoort hier niet, u voldoet niet, u mag gaan.

Maar waar bestaat die vernedering uit? Het is nooit leuk afgewezen te worden, niet in de liefde, niet in het werk, niet uit het land noch uit de kerk. Je staat te kijk. En daarmee doet schaamte haar triomfantelijke intrede, net als je dacht dat je daar te oud voor was. Iets wordt klaarblijkelijk geopenbaard wat niet gezien mag worden: dat je anders bent, je voldoet niet aan de toelatingseisen van die club. So what? Wat zegt dat nu helemaal over mij qua mens?

Je vrienden houden van je, hebben je notabene zelf gekozen en hebben leren leven met je makken, niet in de laatste plaats met mijn voornemen ons te laten dopen. Bij uitstek zijn zij het die je laten zien waar je bent en hoe je ervoor staat. Het moet je dan toch een zorg zijn dat die club zegt: 'Joh, ga jij eens fietsen stelen?'

Tenslotte zegt het niets, niets over de kwaliteit van mijn devotie. Dat oordeel valt in de context van het Vaticaanse reglement beschouwd nu juist buiten zijn bereik. Als ik me, voortgedragen door het verleden, de traditie, gedachteloos aan de regels houd, me als het ware in een pavlov reactie op de knieën stort, heb ik me volmaakt geconformeerd. Dat oordeel begeeft zich op het vlak van gehoorzaamheid. Maar dat is geen oordeel. Dat is een gebod. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor die Amerikaanse immigratiedienst: ze smeekten me om de werkelijkheid aan de bureaucratie aan te passen. Zwijg, lieg, doe alles zolang het niet buiten de regelgeving valt. Kafka raakt nooit uit de tijd. Ik kan bij wijze van spreken, mijn dochtertje in mijn kielzog meeslepend, innerlijk wulps de doop ondergaan louter en alleen om het een hypothetische katholieke lover gemakkelijker te maken. Geen haan die ernaar kraait. Toch?

Mijn dochter is inmiddels huppelend naar de kinderwoorddienst verdwenen. Ik moest wel blijven. Ik kon haar de kerk als beloning nu niet met goed fatsoen afnemen. Gedachten zwanger van angst scheidden me van mijn gevoel. Ik stond op het punt ontmaskerd te worden. De pastoor donderde onderwijl welgemeend over de aanwezigheid Gods in de brandweermannen die naar Ground Zero snelden. God is wel degelijk aanwezig. Ook in rampspoed. De pastoor eindigde met een voor mij onnavolgbare kwinkslag, een felicitatie voor een paar dat zijn dertigste of veertigste trouwdag vierde. ,,Ik geloof dat u daar zit, is het niet?'' En vragend wees hij met zijn vinger rakelings langs me. Bingo.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden