'Het verwondert me dat niet iedereen me aardig vindt'

Hij herinnert zich hoe hij het ziekenhuis verliet, nadat hij afgelopen zomer met rugklachten was opgenomen. Er lag een man op de zaal met een ongeneeslijke ziekte. Maar bij het afscheid wilde de man niets weten van bemoedigende woorden. Veel belangrijker was dat presentator Henny Huisman weer naar huis mocht: 'Kom op, jij moet nog programma's maken'. Huisman schiet bijna opnieuw vol .

Het interview voert maar niet naar de'1-2-3 Postcode Show', waarvan de eerste aflevering vanavond op televisie komt. Het is voor het eerst dat Huisman (Zaandam, 18 juni 1951) uitgebreid door Trouw geciteerd gaat worden. Dat is het voornaamste. Alsof hij voor het eerst een deel van zijn publiek dat hij maar niet op zijn hand kreeg mag toespreken. De eerste minuten van het gesprek zit Huisman met de armen over elkaar, geconcentreerd afwachtend. Daarna zwaaien zijn armen, wijzen zijn handen: naar buiten, naar boven, opzij, met grote gebaren. En bij tijd en wijle pakt de linkerhand snel de arm van de interviewer. Alsof hij voor het eerst begrepen wordt.

Op zijn kantoor staat een kanon dat hij kreeg van zijn team. Het staat voor het kijkcijferkanon waar Huisman voor doorgaat, en zoals Henk van der Meyden in De Telegraaf de presentotor meestal beschrijft.

Huisman: “Kijkcijferkanon. Dat is een angstig woord. Als het even minder is zal het zich tegen je keren. Kijkcijferkanon, dat geeft een druk. Op dit moment wordt de 'Miniplaybackshow' van twee jaar geleden herhaald. Het scoort opnieuw een miljoen kijkers. Twee weken terug haalde het het hoogste cijfer van de hele zondagavond. Dat is eng. Het went nooit.”

“Een bekende Nederlander ben je je hele leven. Als in 2000 mijn contract met RTL afloopt, heb ik bijna twintig jaar televisie gedaan. Stel dat ik daarna ergens op een berg ga wonen en op mijn 86ste overlijd, dan ga ik er wel vanuit dat er een berichtje in de krant komt. 'De 86-jarige Henny Huisman, die vroeger bekendheid genoot als televisiepresentator, is hedenmorgen overleden'.”

“Ik heb op school nooit diploma's gehaald, maar bij Madame Tussaud is mijn wassen beeld onthuld. Daar pak ik iedereen mee terug, al die mensen die mij vroeger niet zagen zitten. Ik snapte dat wel. Ik was een stijve hark die bekend wilde worden, hoewel ik dat nergens op kon baseren. Dat was het achterlijke. Hoe durfde ik dat te hopen?”

“Vader was administrateur, moeder verkoopster in een dames- en herenmodezaak. Van haar kant heb ik het. Alles wat ik geërfd heb als causeur, als praatjesmaker, als iemand die in de belangstelling wil staan, komt van mijn moeder. Het zijn mensen die van een drol een gebakje kunnen maken. Ik had ook etaleur kunnen zijn.”

Henny Huisman kan alles verkopen.

“Als ik er zelf in geloof wel. Ooit verkocht ik mijn Fiat 600. Die auto was zeker niet de tweeduizend gulden waard die ik er voor vroeg. Na een proefritje besloot het stel de Fiat te kopen, waarbij de vrouw opmerkte: 'Ik hoop zó dat het een goede auto is. We hebben het geld moeten lenen'. En toen dacht ik: verdorie, dat is zielig. Waarop ik: 'Dus u heeft eigenlijk geen geld?' En zij: 'Neenee, we hebben het geld via een relatie van mijn man, die we maandelijks gaan afbetalen'. Daarop heb ik de koop niet door laten gaan. Ik zweer het je.”

“Er staat tegenover dat ik vrij eigenwijs ben wanneer ik iets zeker weet. Mijn vrouw kan daar minder goed tegen. Zij roept dan (zwaait met zijn armen): 'Hou daar mee op, laat dat'. Ik deed de 'Playbackshow' met succes in het land, maar mensen bij de omroepen zeiden mij dat het alleen geschikt voor discotheken was. (Slaat op de tafel) Ik wíst dat het wel leuk was voor televisie. Ze wilden mij nergens hebben, hoewel ik achteraf gelijk heb gekregen. Ik ben niet de verkoper pur sang, keihard, die meedogenloos zijn spullen slijt.”

“Ik was de drummer van Lucifer, de band van Margriet Eshuys, we speelden in het voorprogramma van Focus. Er zaten duizend mensen en ik zag twee jongens vooraan nee tegen elkaar schudden. Ze hadden het over mij, ze vonden me niet goed als drummer. Dan voelde ik. Ik moest die twee voor me winnen. Een ander zou denken: die 998 anderen vinden het in ieder geval leuk. Maar ik ging door. Tot ik ook die twee jongens zag lachen. (Pakt mijn arm) Dan had ik ze. Dan pas was ik tevreden. Ik probeer iets te creëren wat iedereen leuk vindt. Ik heb er een ontzettende hekel aan wanneer iemand negatief over mij praat.”

Dan moet de kritiek na de actie Watersnood '95, toen je een meisje vroeg voor de camera haar bloes uit te doen, hard aangekomen zijn.

“Oh! Daar was ik zó ziek van. (Vloekt) Het was niet zo bedoeld, hoewel ik een fout maakte. Ik liet mij leiden door vierduizend mensen in de zaal, en dat was een heel ander publiek dan de mensen die naar de televisie keken. Als televisiemaker was ik vergeten hoe anders de sfeer bij die mensen was. Zij zagen de beelden van dat water en die dijken. Een ramp met optredens van artiesten, terwijl ik een beetje leuk ging doen.”

“Achteraf hebben we er nog wel om gelachen. Een professor in de massahysterie ging zich er mee bemoeien, de betere kranten gingen er over schrijven. Het werd iets heel geks, maar het ging ook weer over. Alleen is nu Paul Witteman de leukste man van Nederland. De kritiek op mij werd achteraf zozeer overdreven, dat dat op zijn beurt een belachelijk karakter kreeg.”

“Rode vrouwen wilden mij vervolgen vanwege seksuele intimidatie. Dat ging ver. Die actiegroep had mij een jaar eerder in 'Opzij' tot de leukste man van Nederland uitgeroepen. En diezelfde eh... groep trok nu de zonneschermen van het café waar dit meisje zogenaamd had gestript. Ze hadden mijn zonnescherm naar beneden moeten trekken. Het krediet dat je denkt te hebben bezit je toch niet. Je hebt je plek niet per definitie veroverd.”

Zo'n keurige man.

(Snel) “Dat valt mee. Een meisje in de 'Soundmixshow' heeft een roos op haar borst getatoeëerd. Ik zeg: 'Vind je het gek dat die roos bloeit. Dat is een goede ondergrond'. Dan lachen de mensen. Dat is echt Henny. Een oude vrouw schreef mij: 'Henny, het is geweest. En nu moet je weer gewoon Henny zijn, want daarom houden we van je'. Zij had gelijk.”

“André van Duin heeft dit soort dingen ook meegemaakt, met dat nummer 'Willempie'. Mies Bouwman ondervond het bij 'Zo is het toevallig ook nog eens een keer'. Paul de Leeuw maakt het nu mee, als hij een klap krijgt van een vrouw tegen wie hij zegt dat ze een kutjurk aan heeft. En ik heb het ook, een incident dat mensen zich herinneren, dat ik toen mooi de fout in ging. Je krijgt twee keer een gele kaart, en dat is een rode. Daar moet ik voor oppassen.”

“In de zomer die volgde ging ik door mij rug. Het begin van een hernia, die achteraf bezien wel eens te maken kon hebben met de kritiek die ik na 'Watersnood' over mij heen kreeg. In het ziekenhuis realiseerde ik mij hoe verkeerd het was me om zoveel dingen druk te maken. Je opwinden over kijkcijfers, over de vraag of mensen je wel aardig vinden.”

“Mijn leven zou zóveel makkelijker kunnen zijn. Mijn vrouw is nuchterder. Zij zit op badminton, met allemaal huisvrouwtjes. En ze aarzelt wanneer we een uitnodiging krijgen voor een première in New York: precies op de avond dat ze badminton speelt. Dat vindt ze jammer. Wat fantastisch is dat eigenlijk. Ik ben niet zo'n filosoof, maar denk wel veel over de dingen na. Veel meer dan jij zou denken. Ik ben vegetariër, bijvoorbeeld.”

“Ik ben op deze wereld neergezet om leuk te doen. Om welke reden zou ik het anders doen? Het is ook het enige wat ik kan. Wanneer ik aan de hemelpoort kom, zal ik tegen Petrus zeggen dat ik vroeger heel bekend was. Ik zal dan vertellen dat ik een programma op televisie had, waarin kinderen iemand nadeden, bijvoorbeeld Diana Ross. En dan sta ik natuurlijk wat te klooien bij die hemelpoort, net als Johan Cruijff, die moet uitleggen wat voetbal is. Wat is dat voor een spel?”

“Het hiernamaals zal niet zijn dat je vanaf een wolk terugkijkt naar je leven op aarde. Het hiernamaals is hoe de mensen zich jou herinneren. In Londen zag ik het wassen beeld van Adolf Hitler achter kogelvrij glas. Ik schròk toen ik hem zag. In gedachten hoorde ik hem schreeuwen. Naast mijn beeld in Amsterdam staat een bank. Je kunt naast mij zitten. Het is al heel wat, wanneer mensen na mijn overlijden zullen denken dat dat jammer s.”

En de mensen die het niet jammer vinden?

“Dat zijn die twee mensen van het popconcert die niet meeklappen. Nou ja. Ik heb geleerd dat niet iedereen je aardig vindt, hoewel me dat soms kan verwonderen. Mijn avond is verkloot wanneer ik iemand hoor zeggen dat hij niet zoveel aan André van Duin vindt. Hoe is dat toch mogelijk? Dat irriteert me. (Relativeert) En er zijn ook mensen die je niet leuk vinden om heel andere redenen dan je denkt. Omdat ik bij een commercieel station werk, bijvoorbeeld. Ik heb de mazzel dat het medium televisie echt hot is. Daarom betalen ze mij zo veel: niet om de prestatie, maar omdat er zoveel mensen naar mij kijken. Blijkbaar kan ik iets wat weinig anderen kunnen.”

Dat verwondert u.

“Ja, in alle oprechtheid. Ik weet veel beter wat ik niet kan. Ik ben ongeschikt om in het artiestenelftal te voetballen. Maar ik kan wel coachen, in zo'n lange regenjas. Dat is iets voor mij. Als kind bouwde ik boomhutten met mijn vriendjes. Ik verdeelde het werk: 'Jij de spijkers, jij haalt het zeil, en jij de hamer'. Dat verbaasde mijn moeder. Ik deed niets, en was ook nog eens de baas van de hut. Ik had een dierencircus met hamsters, en ìk was de directeur. Ik regelde dat. Iedereen was het er ook over eens dat ik de baas van de hut was. Ik verpak het aardig.”

“Nog steeds vraag ik mij voor iedere uitzending af waarom ik dit wil. Waarom in 's hemelsnaam? Dan is er nog de vrees dat ik op enig moment wordt ingehaald door een andere presentator. Dat dacht ik ooit van Jan Lenferink. Ook bij dit nieuwe programma twijfel ik weer of ik het echt wel kan. Echt waar.”

“Het enige bewijs dat ik iets doe, zijn de videobanden van de uitzending. Sommige mensen maken cd's, dat is nog wat. (Berustend) En ik heb hoge kijkcijfers. Maar mensen kunnen ook het verkeerde net aanzetten en mij dan niet zien. Joop (van den Ende, red.) zegt tegen mij: 'Je moet altijd zorgen dat je geen Eddy Becker wordt'. Eddy Becker was een aardige man, maar na afloop van zijn programma kon niemand zich iets ervan herinneren. Dat is frustrerend. Mensen moeten roepen: 'Die winnaar kon er wat van.' Of: 'Het was zwaar klote.' Maar ze moeten wel iets zeggen.”

Hij buigt naar voren en kijkt serieus. “Zeg eens eerlijk. Val ik mee, of val ik tegen?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden