Het verstand was echt niet heilig

Zelfs de grote Verlichtingsdenker David Hume ontkwam niet aan de conclusie dat de rede dikwijls de slaaf was van de hartstochten

Wie in de begintijd van de Verlichting zijn revolutionaire denkbeelden publiceerde, stak zijn nek uit. De Nederlandse gereformeerde predikant Balthasar Bekker kwam daar achter toen hij in de jaren negentig van de zeventiende eeuw 'De betoverde wereld' uitbracht, een internationale bestseller naar zeventiende-eeuwse begrippen. Hij kreeg volop kritiek over zich heen en van hogerhand werd hij gedwongen om zijn ambt op te geven. Ook werd hem verboden om nog aan te zitten aan het avondmaal. Tegenstanders grepen zelfs Bekkers uiterlijk aan om hem te bestrijden. De Franse dichter De La Monnoye schreef een spotvers, dat vertaald ongeveer als volgt luidde: "Ja, door jou heeft Satan in 't stof gebeten, / Maar daarmee zijn we nog niet gered. / Wil je dat we de duivel helemaal vergeten, / Bekker, verstop dan je portret."

Wat had de dominee op zijn geweten? Zijn 'De betoverde wereld' rekende af met allerhande vormen van bijgeloof. Zijn tijdgenoten noemden veel gebeurtenissen het werk van kwade geesten, tovenaars, heksen en ander wonderlijk volk. Bekker riep op om het hoofd toch vooral koel te houden. Voor veel zogenaamd onverklaarbaars waren natuurlijke oorzaken aan te wijzen. De Bijbel leerde dat God de duivel onmiddellijk na de zondeval van zijn macht had beroofd. Vooral katholieken waren zo druk met gebeden, beelden en rituelen tegen satan dat je zou zeggen "dat de Duivels dus geduriglik van alle kanten uit twee lagen schuts gebombardeerd aan flarden bersten en uit de weereld springen moesten".

De pleidooien van de enigszins in vergetelheid geraakte Bekker sluiten aan bij het dominante beeld van de Verlichting. Het was - bekeken met de ogen van nu - een tijdperk van onttovering, schrijft filosoof, dichter en vertaler Jabik Veenbaas in zijn bundel 'De verlichting als kraamkamer'. Filosofen met gedurfde gedachten rekenden af met goedgelovigheid, met van bovenaf opgedrongen waarheden en al te simplistische dogma's.

Wetenschappelijke ontdekkingen, de boekdrukkunst en ontdekkingsreizen hadden nieuwe werelden opengelegd. Dat kon niet zonder consequenties blijven: ruim baan voor het rationalisme.

Toch vindt Veenbaas het 21ste-eeuwse beeld van die tijd goedgelovig en simplistisch. Ja, de Verlichting was een tijd van bevrijding, van afrekening met de oude religieuze naïviteit en de pseudorationele zelfgenoegzaamheid. Maar dat betekende volgens Veenbaas niet dat de menselijke rede kritiekloos op een voetstuk werd gehesen. Toen tijdens de Verlichting alles bevraagd werd, ontkwam zelfs de ratio daar niet aan. Tal van denkers waarschuwden tegen de dwangmatige neiging om alles maar vanuit systemen te verklaren of vroegen ruimte voor de twijfel. David Hume onderschreef dat het verstand de mens grote mogelijkheden bood. Maar hij ontkwam niet aan de conclusie dat de rede toch dikwijls de slaaf van de hartstochten was en zich tot taak stelde 'hun te dienen en te gehoorzamen'.

En Immanuel Kant schreef: "Verlichting is het ontkomen van de mens aan de onmondigheid waaraan hij zelf schuldig is." Hij typeerde de Verlichting als "moed om je van je eigen verstand te bedienen".

Toch waarschuwde ook hij voor zelfoverschatting. De allerfanatiekste rationalisten vergeleek hij met de bouwers van de toren van Babel in het Oude Testament. Naïeve hoogmoed zou ook hier enkel leiden tot eindeloos geruzie.

Dat Rousseau de wildernis en het gevoel verheerlijkte was natuurlijk ook een reactie op het kille vooruitzicht dat het bedachte het op den duur helemaal zou overnemen van het natuurlijke.

Vaak wordt gedacht dat het begin van de Verlichting een abrupte en totale breuk met het verleden betekende. Baruch de Spinoza geldt als premodern, als een man die de weg opende naar de huidige samenleving en het tegenwoordige denken. Toch wortelde hij nog in veel opzichten volop in de middeleeuwse wijsbegeerte. Ook het geloof hadden velen nog lang niet losgelaten, al laadden ze die verdenking destijds wel op zich.

Daar was ook weinig voor nodig. Pierre Bayle toonde zich mild over atheïsten en schreef dat gelovigen zich niet per se beter gedroegen. Werkelijk gedrag was de enige graadmeter: je kon je gedragen als goddeloze, terwijl je toch echt geen atheïst was.

'De verlichting als kraamkamer' is een verzameling portretten van belangwekkende filosofen, of beter gezegd beschouwingen over deze sleutelfiguren. Bij beschrijvingen van hen komt Veenbaas vaak terug op zijn kernthema, de ratio die irrationaliteit op de helling zette werd wel degelijk ook zelf bevraagd. Af en toe trekt hij lijnen door naar het heden.

Ook gangbare andere aannames over prominente denkers houdt Veenbaas tegen het licht. De Schot Adam Smith, schrijver van het invloedrijke boek 'The wealth of nations', wordt algemeen gezien als oervader van de economische wetenschappen, maar ook van het vrijemarktdenken. Het maakt dat nogal wat mensen hem voor het gemak ook maar beschouwen als een soort überkapitalist. De werkelijkheid is gelaagder: Smith had inderdaad groot vertrouwen in de werking van marktmechanismen en een geheimzinnige 'onzichtbare hand' die voor harmonieuze en evenwichtige ontwikkeling zorgden. Tegelijkertijd zag hij zichzelf in de eerste plaats als een ethicus. Hij schuwde de morele standpunten allerminst: Smith vond bijvoorbeeld dat arbeiders recht hadden op goed onderwijs en een fatsoenlijke beloning. Bovendien was hij voorstander van een progressief belastingstelsel, de sterkste schouders moesten de zwaarste lasten dragen.

Dit voortdurende ter discussie stellen van bestaande beelden door Veenbaas werkt een enkele keer vermoeiend, maar is wel passend voor een bundel over de Verlichting. De auteur beheerst bovendien de kunst om ook de minder goed ingevoerde lezers mee te nemen in zijn betogen. Stukken over filosofen die in de loop der eeuwen buiten de eregalerij der denkers zijn gevallen (zoals Balthasar Bekker en Mary Wollstonecraft) gaan Veenbaas nog het beste af. Die stralen het meeste schrijfplezier uit: vertellen en bevragen gaan hier uitstekend samen.

Jabik Veenbaas: De verlichting als kraamkamer. Over het tijdperk en zijn betekenis voor het heden. Nieuw Amsterdam, Amsterdam; 288 blz. euro19,95

Van alle markten thuis
Jabik Veenbaas (in 1959 geboren in het Friese dorpje Hilaard) manifesteert zich op vele fronten. Na zijn studie Engels, Fries en wijsbegeerte ontpopte hij zich als dichter, toneelschrijver, vertaler en filosoof.

Een selectie uit zijn diverse poëziebundels in het Fries verscheen in het Nederlands als 'Darwinistische weemoed'. Veenbaas schreef ook toneelstukken in het Fries. Hij publiceert regelmatig in onder meer Trouw, Het Financieele Dagblad, Filosofie Magazine en het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte.

Onder de auteurs die hij vertaalde zijn John Irving, W.H. Auden, Sylvia Plath en Walt Whitman. In 2003 verzorgde hij een filosofische bloemlezing met de titel 'Grote denkers over verdriet en troost'. In 2009 verscheen zijn keuze uit de literaire beschouwingen van Theodore Darymple, 'Profeten en charlatans'.

Enkele stukken uit 'De verlichting als kraamkamer' verschenen eerder in iets andere versies in Trouw, Filosofie Magazine en Tirade.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden