Het vermoeden van 'Plofknieen'

Ter gelegenheid van het afscheid van Max de Bok, de doyen van de parlementaire pers, werd afgelopen donderdag in Den Haag een symposium gehouden onder de titel 'Tussen journalistieke distantie en betrokkenheid', een thema dat de laatste tijd aanhoudend onderwerp is van polemiek en discussie onder de betrokken partijen. Een van de inleiders was Trouw-redacteur Willem Breedveld. Zijn toespraak vormt de basis van dit artikel.

Eerst de feiten. Op 10 december 1964 treedt het anti-REM-wetje in werking, waarmee het kabinet-Marijnen een streep wil zetten onder het REM-avontuur van de vermogende heren Verolme, Heerema en Fehmers. Zij waren begonnen met illegale, commerciële televisie vanaf een boorplatform net buiten de territoriale wateren voor de kust van Noordwijk. Maar hoewel het kabinet tot op het bot verdeeld is over de omroepkwestie (en daar luttele maanden later ook over zal struikelen); op dit punt is de regering onverbiddellijk. Het aftellen begint. Op 12 december 1964 weet de pers het zeker, de sterke arm zal zich met geweld toegang verschaffen tot het eiland om de piratenzender het zwijgen op te leggen.

Tientallen boten met verslaggevers en cameraploegen omcirkelen het eiland. Er gebeurt echter niets. Pas op de morgen van 17 december slaat de Nederlandse leeuw toe. Terwijl het betonningsvaartuig 'Delfshaven' opstoomt, naderen drie marinehelikopters het eiland met zijn zendmast. Even later bungelt de eerste rijksveldwachter, in zwem-vest, aan een kabel boven dit broeinest van vuig kapitalistisch gewin.

Precies om tien over negen verdwijnt de zender uit de lucht. Met een dramatische snik, want de knop van de commerciële radio werd omgedraaid halverwege Anneke Grönloh's melancholische nummer 'Paradiso'.

Nu de halve feiten. Wat gebeurde er in die tussenliggende dagen? Heeft de overheid haar tijd zitten verlummelen? Waren de golven te hoog? Of hadden de heren Verolme c.s. nieuwe juridische valkuilen en klemmen gezet? Dat laatste was zeker het geval. De NV REM bleek de verantwoordelijkheid voor de uitzendingen op het laatste moment te hebben overgedragen aan een buitenlandse maatschappij, High Seas TV Ltd. Minstens zo intrigerend was het te veronderstellen dat de REM-mensen hun eiland te vuur en te zwaard zouden verdedigen. Wie weet in afwachting van een opstand onder miljoenen teleurgestelde kijkers. Want de REM-tv met 'Mr. Ed, het sprekende paard' en de vrolijke glimlach van omroepster Marian Bieren-broodspot was in enkele maanden tijd ongehoord populair geworden.

In deze turbulente dagen krijgt het dagblad De Gelderlander er lucht van dat de poten van het eiland met springstof geladen zouden kunnen zijn. Naar verluidt had parlementair redacteur Max de Bok iets dergelijks in de wandelgangen vernomen, met als gevolg dat de speurneuzen van deze krant - en dat is weer wel een feit - het nieuws lanceerden dat het REM-eiland was voorzien van 'plofknieën'. Waarheid en verzinsel, of pure speculatie liggen soms dicht bij elkaar. Want het is heel goed mogelijk dat naar aanleiding van dit nieuwsbericht de REM-mensen hebben gedacht: 'Dat is nog niet eens zo'n gek idee'. En misschien heeft het ook de autoriteiten doen aarzelen meteen op te treden. Want scheepsbouwer Verolme had meeslepende visies en misschien zelfs politieke ambities.

Zo schreef De Groene op 16 september: 'Er is bij de REM een vreeswekkend motief waar te nemen: het gezelschap wil aan politiek gaan doen (...) Ongebreidelde politieke propaganda leidt onherroepelijk tot groot bederf'. Pas jaren later onthulde de toen al failliete scheepsmagnaat dat hij eigenlijk met een voorraad metalen zonwerende rolgordijnen in zijn maag zat. Daarom was hij aan het REM-avontuur begonnen. Met wat reclame zou hij zijn artikelen, waarop hij het patent had, wellicht nog aan de man kunnen brengen.

POTENTAATJES

Dit voor 'doodchecken' behoed verhaal is een goede aanloop naar 'Tussen journalistieke distantie en betrokkenheid'. Afstand en engagement. Politiek Den Haag nodigt voortdurend uit tot speculatie, tot het vermoeden van 'plofknieën'. Niemand die dat beter weet dan Max de Bok, die er één is uit de stal van Louis Frequin. Samen met Lücker van de Volkskrant was hij één van de jongste hoofdredacteuren, die kort na de oorlog, 33 jaar oud, leiding ging geven aan een katholieke krant. Allebei potentaatjes, allebei uit Nijmegen en allebei bezeten van het idee een volwassen katholieke, populaire krant te willen maken.

Deze gelijke gerichtheid is er ook de oorzaak van dat deze hoofd-redacteuren elkaar dodelijk haatten. In dit machtsspel tussen twee katholieke heren was De Bok het uitverkoren paard van Frequin om Lückers paradepaard in Den Haag, de journalist/wandelganger Henry Faas klop te geven. Tot een finale is het niet gekomen. Uiteindelijk trok Faas zich terug, hij werd directeur van de Europese Voorlichtingsdienst in Den Haag. Jammer, want De Bok zou die wedstrijd gewonnen hebben op basis van afstand en engagement. Beiden waren zeer betrokken journalisten. Het verschil is echter dat De Bok wel genoeg afstand hield om het vak vol te houden en Faas niet.

Faas was echt teleurgesteld over de politieke stagnatie aan het eind van de jaren zestig. Binnen de eigen krant had hij de 'bevrijding' van het katholieke juk mogen meemaken, de succesvol verlopen opstand tegen het bewind van Lücker in 1964, die een echte krant had gemaakt van de Volkskrant, maar die in politiek opzicht zijn oren vooral liet hangen naar de autoriteiten. Zelfs de totstandkoming van het meest linkse kabinet van na de oorlog, het kabinet-Den Uyl, kon wat Faas betreft niet door de beugel: Den Uyl had zich toch weer laten verleiden tot het doen van concessies aan rechts en dat was onaanvaardbaar in de ogen van Faas.

De betrokkenheid van De Bok met de politiek was niet minder groot dan die van Faas, alleen hij was beter in staat een distantie in acht te nemen. Die afstand heeft te maken met professionaliteit. De Bok is altijd ook bezig geweest met de journalistieke beroepsbeoefening in ruimere zin: in de vakbond NVJ, de parlementaire persvereniging en het perscentrum Nieuwspoort. Daarvoor is distantie nodig. Polariseren is leuk, solidariteit is mooi, maar het moet vooral niet te gek worden. En het zou absurd zijn de lezers eerst weg te jagen met woedeuitbarstingen om vervolgens uit te leggen waar het ook al weer over ging. Eerst uitleggen, eerst de feiten en dan nog eens prikkelen met meningen. De Bok kreeg daarvoor in 1985 de Anne Vondelingprijs.

DALLAS

Dat was tien jaar terug. De Haagse journalistiek krijgt het nu zwaar voor de kiezen. Ien Dales was in 1991 nog een eenling, toen ze constateerde dat er een ommezwaai had plaats gevonden in de parlementaire journalistiek. Zij verweet de parlementaire pers 'de gebeurtenissen in Den Haag te verzinnen, in plaats van weer te geven'. En senator Joop van den Berg schoof hun in datzelfde najaar in de schoenen, dat ze Den Haag tot een soort Dallas hadden gereduceerd. Toen kon je nog denken, ach, de PvdA heeft het zeker moeilijk. Inmiddels is het een luide klaagzang geworden.

Lubbers veronderstelde in een Kamerdebat op 4 november 1993 sarcastisch, dat journalisten het onder de Haagse kaasstolp knap benauwd hadden gekregen, zodat ze niet meer konden schrijven over de feiten en de motieven van het bestuur, maar uitsluitend nog de aandacht richten op de incidenten en de meningsverschillen. Politici die zich vroeger wel bedachten om vanwege de wederzijdse afhankelijkheid iets kwalijks te zeggen over de pers, blazen nu hoog van de toren. Tot op zekere hoogte is dat terugmeppen verfrissend. De omzichtheid van weleer was ook niks. Bijdragen uit politieke hoek die dwingen tot zelfonderzoek zijn welkom. Maar de zaken moeten vooral in perspectief blij-ven. De journalistiek is in zijn al-gemeenheid meestal een redelijk betrouwbare afspiegeling van het politieke klimaat. Daarbinnen bestaat een grote variatie, want er bestaat nog een pluriforme pers. Die afspiegeling van het politieke klimaat betekende dat de pers zich in de jaren vijftig trouw neerlegde bij de voorstelling van zaken van de autoriteiten. Eind jaren zestig en in de jaren zeven-tig sloeg het klimaat om en daarmee ook de pers.

Van een volgzame pers werden het geëngageerde journalisten, veelal links van het midden. Vaak met een blinde vlek voor wat er wezenlijk in het rechterkamp gebeurde. Dat geëngageerde was ook een uiting van de naar polarisatie en ideologische bevlogenheid neigende tijdgeest. Zo goed als nu het volle accent ligt op zakelijkheid, het pragmatische en doe maar gewoon. Logisch dat in zo'n klimaat de echte politieke tegenstellingen gering zijn en het incident, het snelle interview, de persoonlijkheid volop in de aandacht komt te staan. Leuk, dat politici het een en ander op te merken hebben over de journalistiek. Maar enige distantie kan ook geen kwaad: als zij zorgen voor een goed debat, inclusief de bijbehorende politieke tegenstellingen, dan verstommen de verwijten vanzelf. Dan heeft de parlementaire pers wel wat anders te doen dan binnen de zo langzamerhand verstikkende nationale consensus te speuren naar in vredesnaam maar dat kleine incidentje, omdat anders de laatste lezer, gek geworden van een politiek die alleen maar in decimalen achter de komma geduid kan worden, in opperste wanhoop het licht uitdoet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden