Het verlies van vanzelfsprekendheid

Op welke leeftijd gebeurt dat ook al weer precies; dat je naar het weerbericht op televisie kijkt, het kaartje van Europa met Nederland onder de bewolking in het midden ziet en voor het eerst in je leven denkt: 'Waarom ben ik eigenlijk hier geboren? Waarom niet in Oost-Afrika, Rusland, Bolivia of Los Angeles?' Het begin van het einde van de vanzelfsprekendheid.

Het heeft iets onuitgesproken wreeds, die vanzelfsprekendheid waarmee kinderen zich aanpassen aan hun omgeving, hun decor. Het ogenschijnlijke ontbreken van elk spoor van verbazing over het feit dat ze nou uitgerekend hier, op deze plek en in deze omstandigheden zijn terechtgekomen.

Kinderen zijn, meer dan volwassenen, kameleons: ze passen zich aan en weerspiegelen als door een vergrootglas de typerende ingrediënten van een samenleving. En dat valt ze moeilijk kwalijk te nemen, is de eerste gedachte bij de foto's van de Amerikaanse fotografe Lauren Greenfield. Vijf jaar lang volgde Greenfield de dagelijkse 'beslommeringen' van puissant rijke kids en hun minder gepriviligeerde tegenhangers in Los Angeles, die opgroeien in de achtertuin van Hollywood. Ze maakte er een boek over, dat vandaag in de Verenigde Staten verschijnt: 'Fast forward: growing up in the shadow of Hollywood'. “In Los Angeles”, zegt Greenfield zelf, “wordt op een extreme manier duidelijk hoe jongeren overal zijn aangetast door de massacultuur”.

Het begrip 'adolescentie' is niet voor niets een Amerikaanse uitvinding. Nergens werd en wordt jong zijn zo geïdealiseerd als in de Verenigde Staten. In een essay naar aanleiding van Greenfields boek noemt Richard Rodrigues Los Angeles zelfs de hoofdstad van de adolescentie: “The great postwar, postmodern, suburban city in Dolby sound was built by restless people who intended to give their kids an unending spring.” Tegelijkertijd komen die pubers vaak ouwelijker, harder en cynischer over dan hun ouders, die hen zo idealiseren. En verveeld. Want wat betekent je pubertijd nog, als je vader platenproducer is en in een jeep naar z'n werk rijdt om aldaar rapgroepen audities te laten doen?

Greenfields foto's met hun vette, glossy kleuren versterken die onwerkelijke, landerige sfeer in het door geld, glamour en succes gedomineerde Zuid-Californië. De manier waarop het meisje zich in het azuurblauwe zwembad op het dak van het Peninsula Hotel in Beverly Hills heeft neergevleid, en met gesloten ogen de late zonnestralen over haar gezicht laat glijden, lijkt nonchalant, maar is waarschijnlijk eerder zorgvuldig doordacht. Hier ligt geen kind, maar een soort mini-topmodel. “Het is nogal gek”, zegt deze Emily van tien bijvoorbeeld. “Je maakt troep en gaat weg en als je terugkomt om het op te ruimen hebben anderen dat al voor je gedaan.”

Met haar familie logeert ze niet in het hotel, maar woont er. Haar moeder vond het zó vervelend om het personeel dat overbodig werd toen ze hun intrek in het hotel namen te ontslaan, dus is iedereen maar gebleven. “It is kind of fun for us all.”

Het werk van Greenfield maakt deel uit van een van de twee grote thema-exposities in Naarden: 'Erfgenamen van de twintigste eeuw'. De titel, ontleend aan het levenswerk van de Italiaanse World Press Photo-winnaar Francesco Zizola, suggereert een momentopname op de drempel van het jaar 2 000: vijf Nederlandse en vijf buitenlandse fotografen portretteerden wereldwijd kinderen in het decor, het erfgoed waarmee zij het het komende millenium zullen moeten doen. Ad van Denderen, Jacqueline de Haas, Wubbo de Jong, Sven Torfinn en Gerard Wessel trokken op verzoek van Naarden en met steun van Unicef de derde wereld in. De buitenlandse bijdragen omvatten naast Zizola en Greenfield werk van de Rus Yevgeni Mokhorev, de Brit David Townend en de Amerikaan Dan Habib. Daarnaast is er een billboard-project van Ari Versluis en Ellie Uyttenbroek. In 12 series portretten laten ze zien hoe jongeren die denken zich te onderscheiden door een bepaalde stijl, al snel in een uitwisselbare, uniforme identiteit belanden. Ze benadrukken dit in de serie door bijvoorbeeld een aantal stoere gabbermeisjes op precies dezelfde manier (van opzij, met staartje, topje en een aussi om het middel gebonden) te fotograferen.

“Je moet fotograferen wat typerend is voor een tijdsbeeld”, zegt Gerard Wessel over het portretteren van jongeren. Wessel vertrok naar Bolivia om de armoede van de jeugd in het armste land van Zuid-Amerika te registreren. Opvallend, want de afgelopen jaren trok hij met name de aandacht door zijn extreme foto's van Nederlandse jongeren uit allerlei subculturen kaal, gepierced, onder de dope, in rubber of met vetkuif. “Ik ben ook altijd vooral geobsedeerd door die extremen: de outlaws, de verschoppelingen, mensen die op een bepaalde leeftijd staan voor hun principes, hoe oppervlakkig en kortstondig die ook mogen zijn. Zelf zal ik daarom ook niet meer zo gauw op eigen kosten voor dat soort sociale reportages naar een ver land reizen. Dat heb ik vroeger veel gedaan, maar ik hoef niet meer zo nodig. Er wordt zo veel gereisd, en zo ontzettend veel gefotografeerd, dat je je kunt afvragen of de kwaliteit daardoor altijd even goed is”, drukt hij zich voorzichtig uit. “Iedereen gaat maar naar het buitenland, terwijl er hier zoveel interessante dingen blijven liggen waar niemand oog voor heeft.”

Wessel neemt een interessante sleutelpositie in tussen de 'erfgenamen', die grofweg in twee delen uiteenvallen. Enerzijds zijn er de 'sociale reportages', zoals de kinderen van de genocide in Rwanda, vastgelegd door Jacqueline de Haas. Sven Torfinn met het lot van de nakomelingen van de vele, aan de gevolgen van aids overleden volwassenen in Oeganda en Tanzania, en het werk van de geëngageerde Zizola, die zijn winnende foto maakte in een Angolees centrum voor getraumatiseerde oorlogskinderen. Anderzijds zijn er de reportages à la Greenfield, Townend en Mokhorev, die dichter bij huis blijven en in het geval van Greenfield en Townend zelfs autobiografische elementen bevatten: Greenfield werd geboren in Los Angeles en ging voor haar reportages terug naar haar eigen private highschool in Santa Monica. Townend portretteerde op indringende wijze jongens op Britse kostscholen. De verstikkende eenzaamheid die hij weet op te roepen is in feite zijn persoonlijke afrekening met de traumatische herinneringen aan zijn eigen kostschooltijd. Het zijn, net als de foto's van Greenfield, sterke beelden die lang blijven hangen.

“Fotografie van kinderen in derde wereldlanden is inderdaad nogal uitgemolken en daarom heel moeilijk”, vindt Gerard Wessel, die duidelijk meer affiniteit heeft met de categorie 'dichtbij huis'. Toch is hij achteraf niet ontevreden over het resultaat van zijn reis naar Bolivia. “Ik probeer er steeds een soort snelheid, dynamiek in te brengen. Een foto is gelukt als er iets vervreemdends in zit, zoals dat jongetje dat op straat ligt met die rare muts op. Of het lijmsnuivertje op z'n kop. Of dat ook óverkomt kan ik zelf niet beoordelen.”

Er kleeft een stigma aan het fotograferen van kinderen, jongeren. Het zou zo makkelijk zijn, kinderen staan graag voor de camera en zijn goed te manipuleren. Het zij zo, maar die natuurlijke manier waarop ze zich zonder verwondering bewegen in de decors die de generaties vóór hen hebben gecreëerd, of deze nu aangenaam, extreem luxe, armoedig, gewelddadig of onmenselijk zijn, geeft de foto's nou juist ook hun gemeenschappelijke zeggingskracht. Zonder in een soort romantiek-van-de-ellende te willen vervallen - want vrolijk, laat staan optimistisch, word je er zeker niet van - lijken in sommige gevallen die omstandigheden zelfs omgedraaid: de aids-weesjes van Sven Torfinn die lachend hun tong uitsteken naar de fotograaf, tegenover de lichtelijk apathische teenagers in een glimmende cabrio in zonovergoten LA. Ook de takkenslingerende straatschoffies in Bolivia van Gerard Wessel hebben duidelijk plezier. “Het is ook niet zo dat die kinderen per definitie allemaal zielig en ongelukkig zijn. Kinderen vinden overal ter wereld dezelfde dingen leuk of raar, overal ter wereld is die vrolijkheid en levenslust hetzelfde. In wat voor omstandigheden ze opgroeien is iets waar ze zich langzaam bewust van worden. Als kinderen zich realiseren dat ze straatarm zijn, zal het ze zeker niet aan levenslust ontbreken om daar iets aan te doen, maar wel aan de juiste middelen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden