Essay

Het verhaal van de Iraanse leeuwinnen die onbevreesd hun leven omgooiden

Grootmoeder Mahvash.

Mahvash, Fariba en Maral: drie generaties vrouwen die iets doen wat geen van hen ooit gedaan heeft.

Mijn oma is ontmaagd door de vinger van een vrouw. Ze was 16 jaar oud, beeldschoon en getrouwd met mijn opa, die toen bij een bank werkte. Hun families woonden en wonen nog steeds in Kermanshah, een Koerdische stad in het noorden van Iran. Mijn opa was dertien jaar ouder dan zij, 29. Ze zeggen dat dit leeftijdsverschil normaal was in die tijd - ik schrijf het maar op.

Mahvash - de v spreek je uit als w - gaf haar maagdenvlies niet aan die vrouwenvinger op een bevredigende, leuke manier. Toen ze met mijn opa trouwde, vertelt ze, had niemand haar uitgelegd wat seks was. Dus tijdens hun huwelijksnacht, de eerste keer dat hij haar besprong, vocht ze terug: ze had geen idee wat hij van plan was. Maandenlang hield ze dit vol, iedere nacht. Totdat haar verdedigingstechniek als roddel bij haar moeder terechtkwam.

Ontmaagdingsvrouw

Die schakelde vervolgens een ontmaagdingsvrouw in, en op een dag kwam deze vrouw, met nog twee anderen, op bezoek. Met haar vinger prikte ze het maagdenvlies van mijn oma door. Misschien wilde ze nu wel, was de gedachte. Maar nee, mijn oma wilde eigenlijk nooit. Ze kreeg mijn moeder toen ze 17 was, een jaar later kwam mijn tante. Pas na kind twee begreep ze dat je van seks zwanger kunt worden; ze dacht dat je van een huwelijk gewoon kinderen kreeg.

“Heeft opa u verkracht?” vraag ik mijn oma in het Perzisch.

Ze draait zich weg.

Vroeger was er van alles mis met oma’s tanden. Iedere keer als ze bij de tandarts op bezoek kwam was er weer iets ontstoken. Tot ze hem een keer op de man af vroeg waarom het leek alsof hij haar telkens naar zich toe riep. Blozend gaf de tandarts toe dat hij verliefd was. Zij vond hem slim, hij was bereisd, had in Parijs gestudeerd. De tandarts was grappig en niet zo traditioneel. Op een middag zoenden ze elkaar na een controle in zijn praktijk. Ze werden ‘vrienden’, vertelt ze mij. Mijn oma wist dat ze ooit bij mijn opa weg zou gaan.

In 1962 opende Hilton een hotel in Teheran. Mijn oma had nog nooit een hotel in het echt gezien. Eens per jaar werd hier ter ere van de sjah een week lang een vuurwerkshow gegeven. In het Hilton werd je alleen aangenomen als je ook Engels sprak. Dat deed mijn oma niet. Op een dag deed ze haar mooiste mantelpakje aan, ze liep het hotel binnen en vroeg naar de baas. “Ik wil supervisor van alle kamers worden hier”, zei ze. “Ik werk een week gratis. Als u me niet goed genoeg vindt, ga ik weer weg.” Drie jaar lang was ze verantwoordelijk voor het onderhoud van alle kamers.

‘Man van Mahvash’ 

Als er in een andere stad een nieuw Hilton-hotel werd geopend, stuurden ze mijn oma, als enige vrouw tussen de mannen. Wat ze leuk vond aan de tandarts, met wie ze naar de disco ging en whisky dronk, was dat hij daar nooit ingewikkeld over deed. Toen ze eenmaal weg was bij mijn opa, zwanger werd van de tandarts en niet meer buitenshuis kon werken, werd ze, vanuit huis, makelaar - had ze ook nog nooit gedaan.

Met alleen haar basisschooldiploma op zak heeft mijn oma in bepaalde periodes meer geld verdiend dan mijn in Parijs opgeleide nieuwe opa, die tandarts was. We noemden hem altijd Doktor. Zij werd ‘de vrouw van Doktor’, een titel die ze ook nu hij dood is, met trots draagt. Ze kregen twee dochters en een zoon.

Doktor zou jaren later op zijn sterfbed - hij had hersenkanker - aan mijn oma vertellen dat hij blij was als eerste dood te gaan. “Aan mij hebben de kinderen niet zoveel, aan jou wel, jij kunt alles.” Eigenlijk had hij ‘man van Mahvash’ moeten heten.

Mijn oma twijfelde nooit aan haar eigen kunnen, ze gooide onbevreesd haar leven om en ontwikkelde nieuwe talenten. In mijn eigen wereld zie ik juist het tegenovergestelde gebeuren. Ik groeide niet op in mijn geboorteplaats Teheran, maar in Nederland, waar ik me van jongs af aan verbaasde over de angst die mensen voelen om iets nieuws te proberen. In de lagere klassen van de basisschool stond ik weleens naast klasgenoten, bijvoorbeeld tijdens de gymles, die huilden omdat ze iets niet durfden. Dan keek ik ze aan en dacht: wat een overdreven reactie. Sinds ik volwassen ben wordt er misschien minder bij gehuild, maar het probleem van niet durven lijkt nóg extremer te zijn geworden. In mijn omgeving zijn het niet uitsluitend, maar wel vaker, vrouwen die twijfelen aan hun kunnen - zo erg zelfs dat ze niet doen wat ze eigenlijk willen. Ze hebben een nieuwe baan op het oog, iets in het buitenland; ze mogen hun visie delen op tv, hun kunst vertonen, en stiekem willen ze wel, maar ze aarzelen omdat ze geen garantie hebben dat het lukt.

Ivy-League-universiteit 

Ik weet dat het van een vrouw in deze patriarchale wereld nooit sympathiek wordt gevonden als ze zegt dat ze niet snel aan haar eigen kunnen twijfelt en zelden zenuwachtig is om iets nieuws te doen. Het liefst zeggen we natuurlijk niets - en ik wil ook niet de zóveelste zijn die ons er met de zweep van langs geeft. Maar als dochter en kleindochter van twee leeuwinnen, in het Perzisch shirzan, vraag ik jullie toch om genade: kunnen we onszelf niet wat meer zien als wat we zijn? Al moet ik meteen bekennen dat ik daar zelf ook niet altijd goed in ben geweest.

Tijdens een kennismakingsgesprek vroeg de chef van een krant mij waarom ík met drie beurzen op zak aan een Ivy-League-universiteit had kunnen studeren.

“Waarom jij?” Waarom ik?

“Geen idee, misschien omdat ik allochtoon ben?” Ik draaide het mes dat ik zonet in mijzelf had gestoken om: ik zei vervolgens dat ik er zelf ook verbaasd over was geweest.

Als wij vrouwen ons eigen kunnen niet eens durven te benoemen, zullen we altijd voldoen aan het beeld door die kleinerende bril die de anderen opzetten wanneer ze ons zien. Zelfs wanneer anderen die bril willen afzetten, duwen wij ’m weer terug. De keren dat ik een vriendin bemoedigend moest toespreken en moest overtuigen om voor die hoge functie te gaan, tóch voor die studie te kiezen, die bijzondere kans te grijpen, wél bij die talkshow te gaan zitten, schieten door mijn hoofd. Het gevolg van onze nederigheid is desastreus: soms lijkt het alsof ik in een land leef waarin het voor vrouwen wettelijk verboden is om gelijkwaardig deelgenoot te zijn.

Nu kan het zijn dat vrouwen, van wie wordt beweerd dat ze hun sociale eigenschappen sneller ontwikkelen dan mannen, daarom ook makkelijker hun twijfel durven uiten - dat is positief. Maar onze kracht kan ook verworden tot een zwakte, als we haar niet af en toe inperken.

Cameraploeg

Het eindeloos bespreken van potentiële, voorbarige zorgen kan ertoe leiden dat we iets - angst, twijfel, stilstand - creëren wat er eerst niet was. Terwijl het doen van iets nieuws er óók toe kan leiden dat je iets ontdekt waar je eerder niet aan had gedacht. Als mijn oma had getwijfeld aan zichzelf, was ze misschien de tweede keer wel wéér getrouwd met een man die haar lichamelijke integriteit zou schenden.

Dus doe ik tegenwoordig hier en daar aan schaamteloze zelfpromotie. Als mensen vragen of ik ooit hoofdredacteur word van mijn krant zeg ik: “Natúúrlijk word ik dat. Wen alvast maar aan het idee.”

De dag waarop mijn moeder besloot dat we niet in Iran konden blijven, was ze met mij aan het spelen in een park in Teheran. Een cameraploeg filmde kinderen die konijntjes aan het voeren waren. Ze vroegen of ik erbij wilde komen zitten, maar dan moest ik wel eerst een hoofddoek om. Ik was toen 3 jaar oud. Toen mijn moeder weer zwanger werd, kon ze zich niet voorstellen hoe ze in Iran twee kinderen zou grootbrengen zonder er af en toe iemand bij neer te moeten schieten. Dit was geen veilig land meer voor mijn atheïstische ouders.

Onze routine was: ’s nachts rennend door het bos met een smokkelaar een grensgebied oversteken en daarna, verstopt in de beenruimte van een auto, naar het volgende grensgebied rijden. In een paar landen zijn we onderweg gesnapt en vastgezet.

Kinderdagverblijf

Een week geleden stonden we op de top van de Euromast. Mijn moeder vertelde dat die haven het enige was wat ze op school over Nederland had geleerd: ergens in Europa was een land, Nederland, met een stad, Rotterdam, met een haven. Pas op dat moment begreep ik dat ze niets van Nederland af wist voor we hier aankwamen; die haven was haar enige referentiekader van het land waar ooit haar kleinkinderen geboren zullen worden. Na de vlucht en de azc’s kregen we een huisje in Moerkapelle, een christelijk dorpje vlakbij Gouda. Daar voegde mijn vader zich bij ons. Mijn ouders wisten niet dat er ook in Europa gelovige mensen waren; ze dachten juist dat ze religie achter zich hadden gelaten, tot ik thuis voor het eten begon te bidden en snel op een andere school werd geplaatst.

Wanneer je als migrant aankomt in een nieuw land, leer je alles opnieuw. Je toonhoogte verandert, je gaat zachter praten, je smaak verandert ook, je accepteert minder kruiden, gaat minder zoet en zout eten, je zult minder snel drie zoenen geven en schudt vaker alleen een hand. Ineens leef je ook voor de vakanties, word je eerlijker, directer, maar gek genoeg óók minder eerlijk: je kunt niet zomaar zeggen dat iemand is aangekomen.

Mijn moeder was verpleegkundige geweest in Iran, maar ze moest al haar studies opnieuw doen. Op een zonnige middag staarde ze naar een prachtig pand dat te koop stond, in Scheveningen. Stel nou, dacht ze, dat ik hier een kinderdagverblijf zou kunnen beginnen voor de expats van Den Haag, en zelf op de bovenste verdieping zou gaan wonen met mijn kinderen? Samen schreven we een businessplan, ik was 12. Mijn moeder kreeg een lening van de bank, en het pand, en het kinderdagverblijf. Mijn moeder kan alles. Ze had geen andere keus.

Twee leeuwinnen

Als mijn oma, die zonder ervaring dat hotel in liep, die stap niet had durven zetten, was ze niet financieel onafhankelijk geweest en had ze niet haar eigen keuzes kunnen maken. Mijn moeder moest noodgedwongen van alles ondernemen zodat ze haar kinderen in vrijheid kon grootbrengen.

Deze bundel, samengesteld door Maartje Laterveer, verschijnt op 8 maart.

En ik, als het product van deze twee leeuwinnen, denk nu evengoed dat ik heel veel dingen kan. Niet omdat ze mij heel erg aanmoedigen. Als kind was ik juist bang voor die strenge oma, en soms ben ik nog steeds een beetje bang van mijn moeder. Maar ze lieten door hun keuzes zien dat er altijd meer mogelijk was dan ik mij kon voorstellen.

Pas op de dag dat mijn oma haar levensverhaal met mij deelde, na een kwarteeuw in Nederland, begreep ik het. Ons narratief was er niet één van vluchtelingen die met niets aankwamen en zich richting hemel opwerkten, maar van mensen die zó veel verandering meemaakten in hun leven, dat ze er nooit bang voor konden zijn, zelfs niet als er iets misging.

En zo schreef de dochter van Fariba, die de dochter was van Mahvash, dit essay. Dat hadden ze alle drie nog nooit gedaan.

Dit is een bewerkt essay uit Wolf. Deze bundel, samengesteld door Maartje Laterveer, verschijnt op 8 maart.

Atlas Contact; 208 blz. € 17,50

Maral Noshad Sharifi (1989) studeerde politicologie en journalistiek. Sinds 2014 is ze buitenlandredacteur voor NRC Handelsblad.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden