Het verblindende licht van de Revolutie

,,De oorlog was niet de onze. Wij zijn slechts verstrikt geraakt in die oorlog. Het was een oorlog tussen Holland en Japan. Japan was niet onze vijand.'' Er is een Historikerstreit begonnen over de periode van de Japanse bezetting van Indonesië. De Indonesische historicus Adrian B. Lapian vervolgt: ,,Wij waren wel bang voor de Japanners na de verhalen over hoe ze in China tekeer waren gegaan, maar het waren niet onze tegenstanders. De samenwerking van president Soekarno met de Japanners kan je dus niet als collaboratie zien, want er was geen vijand.''

Lapian is in Amsterdam ter gelegenheid van de conferentie: Beelden van de Japanse bezetting van Indonesië en de presentatie van het gelijknamige boek waaraan hij meewerkte. Boek en conferentie zijn georganiseerd door het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod), dat een discussie wil losmaken over de verwerking van deze periode. Lapian behoort tot het kamp dat de Japanse periode beschouwt als een voorbereidingsfase op de weg naar de onafhankelijkheid, zoals Soekarno het zei. Lapian: ,,Voor Soekarno vertegenwoordigde het koloniale verleden de donkere middeleeuwen en de onafhankelijkheid de renaissance. Ook voor mij is de Japanse bezetting de fase die aan de onafhankelijkheid vooraf gaat.''

Critici van deze visie zijn eveneens vertegenwoordigd op de conferentie en in het boek, maar zijn geen van allen van Indonesische nationaliteit. In zijn artikel Suharto's Nieuwe Orde blikt terug op de Japanse Nieuwe Orde. Mondelinge getuigenissen uit Indonesië schrijft de Amerikaanse historicus Ethan Mark van het Niod dat de interviews die sinds 1973 door het nationaal archief van Indonesië zijn verzameld een zeer eenzijdig en elitair beeld geven, dat perfect past in de teleologie van de geboorte van de natie. Adrian Lapian werkte mee aan het verzamelen van die interviews. Geconfronteerd met de kritiek zegt hij: ,,Het moeilijkste was een goede selectie van de mensen die we wilden interviewen. We begonnen met een grootschalig, bijna sociologisch, onderzoek onder de Indonesiërs, maar dat leverde telkens dezelfde verhalen van kommer en kwel op. Omdat het budget beperkt was, besloten we ons te richten op de belangrijke figuren uit die periode die ons de historische feiten te vertellen hadden. Mensen met een opleiding: journalisten, officieren, kunstenaars die aan de Japanse propagandamachine moesten meedoen.

In de jaren zeventig was het onmogelijk linkse mensen te interviewen. Daar had je geen toegang toe. Niemand maakte zich als zodanig bekend, want dan belandde je in de genvangenis. Maar je moet niet vergeten dat links voor de oorlog iets heel anders betekende dan na de onafhankelijkheid. In de koloniale periode was iedereen die tegen de Hollandse overheersing was links.''

Lapian schreef voor het boek Beelden van de Japanse bezetting het artikel Onvoltooid monument, over een nooit voltooid Nederlands monument voor de slachtoffers van de oorlog op Sulawesi, waar hij opgegroeid is. Lapian is met pensioen, maar geeft nog altijd les aan de Universiteit van Indonesië te Jakarta en in Manado, de hoofdstad van Sulawesi.

,,Ik ben in 1929 geboren in Djagal, op Centraal Java. Om aan de armoede van de economische crisis van die tijd te ontsnappen, verhuisden mijn ouders een jaar na mijn geboorte naar het platteland van Noord-Sulawesi. Ik was nog een kind toen de Japanners Noord-Sulawesi op 11 januari 1941 binnenvielen en zestien toen de oorlog was afgelopen. Aan die invasie en de periode daarna heb ik twee verschillende beelden overgehouden. Enerzijds was er de Japanse inval, die zonder slag of stoot verliep. Anderzijds waren er aan het einde van de oorlog de aanvallen van de Amerikanen die op weg naar de Filippijnen hun bommen boven Sulawesi afwierpen.

De hoofdstad van Sulawesi, Manado, was het eerste doel van de Japanners en iedereen was verrast. De Nederlanders gaven zich zonder strijd over. Maar dat hoorden we pas later, want het Nederlands-Indisch radiostation op Java wist nog van niets. Overal zagen we vluchtende mensen met hun bezittingen en Knil-soldaten die hun uniform afgooiden. We hoorden schoten en van het een op het andere moment vluchtten ook wij, de rijstvelden achter ons huis in. Uiteindelijk belandden we met andere mensen in een hut waar we de nacht doorbrachten. Een van de nieuwkomers vertelde dat hij Japanners in het dorp had gezien. Mijn vader riep uit dat het Nederlandse bewind eindelijk verleden tijd was. Later begreep ik dat hij dat met opluchting zei.''

In Beelden van de Japanse bezetting wordt door een aantal auteurs betoogd dat in de Indonesische geschiedschrijving de koloniale periode en de Japanse bezetting slechts als voorbereidingsfase voor de revolutie wordt geïnterpreteerd. Met name na de machtsovername door Soeharto in de jaren zestig zou de geschiedenis gebruikt zijn om een brug te slaan tussen het gemythologiseerde heldhaftige verleden en de Nieuwe Orde van Soeharto. De verhalen benadrukken het begin en het einde van de bezettingsperiode. Daartussen gaapt een gat.

Lapian: ,,De periode die volgde op de Japanse invasie, ervoer je als kind anders dan de volwassenen. Na de eerste angst en onzekerheid over die vreemde Japanners ging het leven in zekere zin gewoon door. Kinderen werden niet geslagen en als Indonesiër belandde je ook niet in een concentratiekamp. Op het platteland hadden we genoeg te eten. Pas later besefte ik wat voor ellende die periode voor sommigen heeft betekend. Zelf heb ik alleen echte angst gekend bij de bombardementen door de Amerikanen. Ik zat op school toen we de schuilkelders in moesten. De hele wijk werd platgegooid. Dag en nacht kwamen die vliegtuigen over.

Na de Japanse bezetting en de opstand van 11 februari 1945 werd mijn vader, die tijdens de koloniale periode lid van het nationalistische deel van de Volksraad was geweest, plaatselijk uitgeroepen tot hoofd van het burgerbestuur. Dat bestuur wilde Soekarno in Jakarta laten zien dat het achter de onafhankelijkheidsproclamatie stond. Na de terugkeer van de Nederlanders werd mijn vader opgepakt en pas vrijgelaten na de Ronde Tafel Conferentie in Genève. Omdat Manado nog onder Nederlands bewind stond, vertrok mijn vader, als republikein, na de soevereiniteitsoverdracht naar Djokjakarta. Vlak voor Oudjaar kwam hij weer bij ons thuis. In 1950 verhuiste ik naar Java om een opleiding tot ingenieur te volgen. Ik kwam echter in de journalistiek terecht. Totdat ik besefte dat ik voor dat vak te weinig van de geschiedenis afwist. Ik ben het gaan studeren. De faculteit der Letteren functioneerde nog maar een paar jaar. Pas na de bezetting van Nederland door de Duitsers, toen de Nederlandse kinderen niet meer voor studie naar het vaderland konden, kon je in Indonesië letteren studeren. Voor die tijd slechts rechten, medicijnen en techniek. Ook na de onafhankelijkheid bestond de vanzelfsprekendheid van die vakken nog. Tijdens mijn studie maakte de Japanse bezetting nog geen onderdeel uit van het curriculum.''

Na de eerste gespannen verwachtingen ten aanzien van de Aziatische 'bevrijders', volgde ontgoocheling. De Japanners verboden het hijsen van de Indonesische vlag en het Indonesia raya, het latere volkslied. De periode die volgde, was er een van onderdrukking, verzet en de opmars naar de onafhankelijkheidsstrijd, de perjuangan merdeka. Probleem in dat beeld vormen de verhalen over samenwerking met de Japanners, de hulp van Soekarno en andere leiders van de nationalistische beweging bij het recruteren van dwangarbeiders - romusha - en soldaten. In de geschiedwerken stapt men daar overheen door de samenwerking te verklaren uit dwang of vooruitziende nationaal-strategische blik.

Deze interpretatie van de gebeurtenissen wordt door een aantal auteurs 'het verblindende licht van de revolutie' genoemd. Het zijn echter nog alleen buitenstaanders die dat kritische licht op de Indonesische geschiedschrijving werpen.

Lapian: ,,Ook na de onafhankelijkheid was er geen controverse over collaboratie. Soekarno en Hatta (de andere leider van de nationalistische beweging) werkten met de Japanners voor de vrijheid. Via toespraken die zij voor de Japanners hielden, wisten zij het volk te bereiken dat tot dan toe onwetend was van de nationale beweging. Soekarno ging daar wel heel ver in, maar ze allemaal hadden de onafhankelijkheid van Indonesië voor ogen. Hatta vroeg de Japanners wat hun doel was. Toen zij de Indonesische onafhankelijkheid garandeerde, besloot hij met hun samen te werken. Natuurlijk had Soekarno zijn eigen interpretatie van de geschiedenis, maar hij had geen invloed op historici. Misschien zit ik fout, want mijn specialisme beslaat niet de Japanse bezetting.

De interviews liggen opgeslagen in het archief. Een analyse is er nog altijd niet van gemaakt. Er bestaat geen Indonesisch alles omvattend boek over de Japanse bezetting. Wel is er een goed proefschrift van een Japanse, Aiko Kurasawa, die onderzoek heeft gedaan naar de wijze waarop de Japanners de massa voor zich wisten te winnen en onder controle te houden. Maar niemand vraagt om een diepgravende analyse. Die periode is enkel onderwerp in de gesprekken van een klein clubje historici.

Toen ik een aantal vrienden vertelde dat ik naar de conferentie in Amsterdam zou gaan, reageerde men verbaast. 'Waarom wil je dat verleden opgraven? Wat zijn de achterliggende motieven van die conferentie?'''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden