Het V-woord

In het donker, op weg naar huis, weet ik dat ik me niet hoef te haasten. Hoe later ik thuiskom, hoe beter. Alsof hij mij een grote gunst deed, zei zoon Ruben van zeventien voor mijn vertrek dat ik gerust lang bij die vrienden kon blijven. Iets strenger voegde hij toe dat ik in ieder geval niet voor half twaalf weer kon binnenkomen. Ik begreep het. Daarna is het dan altijd mijn beurt om streng te doen. Hij knikt al na het eerste woord. Geen peuken op de grond, en ik wens de ochtend erna geen bierflessen van het aanrecht los te hoeven bikken. „En alleen jongens die ik ken”, voegt hij er zelf al aan toe.

Met dat vaste refrein beëindigen we tegenwoordig onze beurtzang over vrolijke avonden op onze veranda. Hij voegt daar dan nog een woord aan toe waar ik dan weinig op terug kan zeggen. Vertrouwen. Op de debatinglessen op school heeft hij geleerd altijd een sterke uitsmijter paraat te hebben. Toch meen ik dat dit laatste woord van hem meer is dan een slimme manier om mij de mond te snoeren. Met dat ene woord van tien letters tokkelt hij op die belangrijke snaar die tussen ons gespannen is. Het is zo’n simpel mechaniekje. Als ik hem vertrouw, durf ik hem ruimte te geven.

Een paar keer is dat goed mis gegaan. Wie van ons daarna het meest teleurgesteld was, zou ik nog altijd niet kunnen zeggen. Hij wordt dan stil, ik roep dat er geen vertrouwen meer is. Het gekke is, dat als je dat een paar keer geroepen hebt, je wel moet erkennen dat dat vertrouwen dus kennelijk elke keer weer is teruggekomen. Want anders kon het niet steeds weer verdwijnen. Die ervaringen hebben ons allebei geleerd dat er hier in huis altijd weer vertrouwen binnenstroomt, ergens vandaan. Een proces dat vanzelf gaat en waar je weinig van merkt. Na ieder incident volgt nu een vast patroon. Hij is stil, ik probeer rustig te blijven, de schade onder ogen te zien. Een van ons tweeën noemt dan het V-woord. Je moet me vertrouwen, mam. Of: Ik wil je kunnen vertrouwen.

Met extra interesse las ik daarom op de pagina Religie & filosofie van Trouw de analyse van Francis Fukuyama, die wereldwijd het vertrouwen verkent en deze week een lezing gaf in Leusden. Hij schreef zijn ’Trust’ in 1995, ik las het in 2005. Daarna keek ik op een andere manier bij dagelijkse treinreizen naar de manier waarop wildvreemde Nederlanders zonder vrees dicht naast andere wildvreemden gaan zitten, of langs elkaar heenlopen in een station waar geen politieagent te zien is en alle uitgangen onbeveiligd zijn.

In Nederland vertrouwen we elkaar, anders dan bijvoorbeeld op de Filippijnen, waar ik bij de ingang van winkelcentra overal gewapende beveiligers zag staan. Maar vertrouwen verdwijnt in Nederland, zegt Fukuyama. Burgers vertrouwen de overheid steeds minder en wantrouwen elkaar steeds meer. In ’Trust’ schrijft Fukuyama dat in een land waarin op straat weinig vertrouwen is, het vertrouwen in intieme familiekring belangrijker wordt. Kennelijk hebben wij mensen behoefte aan een minimumportie vertrouwen. Halen we dat niet van de straat, dan maar thuis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden