Het 'Unheimliche'.

Is er dan werkelijk 'iets' in schaduwen, in donder en bliksem, in stenen, dieren, bomen, of zelfs in alle dingen? Iets dat op een vreemde maar ingrijpende manier zijn invloedssfeer over ons uitstrekt? Patricia de Martelaere over die verontrustende vreemdheid van de dingen, die wij met een geleend woord het 'Unheimliche' zijn gaan noemen, een woord waarin het huiselijke en het heimelijke een merkwaardige verbond met elkaar aangaan.

,,Want wat is er dan eigenlijk in duisternis of in stilte, dat er niet is in licht en lawaai, waardoor de menselijke psyche zozeer uit het lood wordt geslagen?''

Het is een donkere zomernacht vol verre twinkelende sterren, en een wezen dat duidelijk niet van hier is zegt met een krakende, hortende, licht weemoedige oudemannenstem: ,,ET...phone...home'', terwijl het met een lange knokige vinger van zijn drievingerige hand wijst naar zo'n verre ster. Een beeld van het meest bevreemdende buitenaardse verlangen naar een 'thuis' dat naar menselijke maatstaven ijzingwekkend moet zijn.

De categorie van het 'Unheimliche' (in het Engels the uncanny) bekleedt onder de literaire genres een bijzonder moeilijke plaats. Een eerste moeilijkheid betreft al het vinden van een gepaste Nederlandse vertaling of equivalent: het gaat om een specifieke gevoelsnuance die moet gesitueerd worden ergens tussen het griezelige (dat te expliciet is) en het ongezellige (dat te weinig zegt). Tot het 'Unheimliche' behoort het onbestemde van een verlaten huis, een schaduw, onverklaarbare gebeurtenissen, vreemde tussenkomsten van natuurkrachten

het vertrouwde en bekende dat op de een of andere manier verontrustend wordt. De Duitse term is in dat opzicht wel de meest pregnante, omdat hij speelt met de dubbelzinnige betekenis van 'Heim' en 'heimlich'. Het 'Heimliche' kan namelijk zowel verwijzen naar het huiselijke, gezellige en vertrouwde, als naar het stiekeme en verdokene, het verdachte en het heimelijke. Het 'Unheimliche' wordt op die manier synoniem met een van de betekenissen van het 'Heimliche' zelf: het veilige thuis-gevoel wordt kennelijk van binnenuit bedreigd door iets onrustwekkends.

Op grond hiervan is het dan ook niet verwonderlijk dat Freud zich met een meer dan gewone interesse uitgerekend over dit literaire genre buigt (zie zijn essay van 1919, Das Unheimliche). Meer dan wie ook tevoren ontdeed hij immers de thuishaven en de kindertijd van hun lang geidealiseerde onschuld en paradijselijkheid: bij Freud wordt de thuis-scène niets minder dan de perverse broeihaard voor alle latere neurosen en psychosen. De familiale band tussen vader, moeder en kind, waar het primaire gevoel van vertrouwdheid en geborgenheid zou moeten op berusten, wordt door hem beschreven als een tragedie vol potentiële gruwel en geweld: de oedipale driehoek, met sexuele aantrekking tussen moeder en zoon, rivaliteitsgevoelens en doodswensen van de zoon tegenover de vader, en de onbestemde castratie-angst die samenhangt met het masturbatieverbod.

Maar eigenlijk is de dreiging van een potentieel sadisme, ingebed in een lieflijk kader, nog van veel vroeger aanwezig, en zelfs vanaf de allereerste oorsprong: het pasgeboren kind aan de moederborst, dat beheerst wordt door een zelfgenoegzaam narcisme en een kannibalistisch verlangen om de moeder zonder meer op te slokken. Er is maar weinig overdrijving voor nodig om te besluiten dat voor Freud het zo 'heimliche' tafereel van het kind aan de moederborst niets minder wordt dan de bron van een diepe, verontrustende 'Unheimlichkeit'.

Maar er is ook nog een tweede, minstens even fundamentele, manier om het samenvallen van het 'Unheimliche' met het 'Heimliche' bij Freud te verklaren, niet zozeer vanuit de verhouding van het ik tot zijn omgeving, maar veeleer vanuit de interne structuur van het ik zelf. Het ik - dat wat we onze 'eigenheid' noemen en waarmee we dus het meest vertrouwd zouden moeten zijn - vertoont namelijk allesbehalve een harmonische eenheid.

Het wordt al heel vroeg - misschien zelfs van meet af aan - verdeeld in een bewust ik, dat een artificiële en krampachtige constructie is, bedoeld om het hoofd te bieden aan de eisen van de werkelijkheid en de samenleving, en een dieperliggend, chaotisch en ontembaar ik, gevormd door lust en moordlust, fantasie en brute sexualiteit, destructie en perversie. Dit onbewuste, verdrongen ik wordt behoedzaam van iedere rechtstreekse bewustwording afgehouden (wij 'weten' er niets van), maar vormt misschien wel veel meer de kern van wie of wat wij 'eigenlijk' zijn.

Intussen laat dit ik zich natuurlijk wel degelijk gelden, maar dan op een onrechtstreekse, vaak voor het bewustzijn bevreemdende en beangstigende manier: in plotse, oncontroleerbare opwellingen (wij zijn 'onszelf' niet meer), in dromen en nachtmerries, in redeloze angsten of obsederende waanvoorstellingen. In al deze gevallen is datgene wat ons zo beangstigt niets anders dan een deel van ons diepste ik zelf, dat door ons wordt afgewezen en dat we weigeren te herkennen. Wat ons het meest 'eigen' is - onze oerdriften en ongetemde emoties - verschijnt zodoende als het minst vertrouwde en zelfs het meest bedreigende : wat oorspronkelijk het meest 'heimlich' was wordt zo de kern van het 'Unheimliche'. Freud besluit mismoedig, in een beroemd geworden beeld: ,,Wij zijn geen meester in ons eigen huis''.

Aan de hand van deze schema's kan Freud heel wat typische literaire motieven in het genre van het 'Unheimliche' verklaren als projecties van psychische oerconflicten en -angsten. Heel wat, maar niet alle. En precies op dit punt kan Freuds theorie enigszins worden aangevuld met die van Jung, hoewel ook Jung misschien niet ver genoeg gaat en een beslissende stap niet durft te zetten.

Freud vertelt uitvoerig en met nauwelijks verholen binnenpret Hoffmanns bekende verhaal over 'De zandman'. Het is een weinig lieflijke historie, waarin de protagonist Nathaniël op een mysterieuze manier wordt achtervolgd door verhalen, fantasieën, hallucinaties of misschien ook wel gruwelijke feiten die alle te maken hebben met het uitgerukt worden van zijn ogen. Een bijzonder irrationeel en 'unheimlich' aandoend angstbeeld, ware het niet dat Freud op grond van psycho-analytische ervaring meent te weten dat de vrees voor het verlies van de ogen niets anders is dan een substituut voor de oorspronkelijke, en dus zeer 'heimliche' (de thuis-scène wordt erdoor beheerst) castratie-angst.

Ook andere typische thema's van het 'Unheimliche' kan Freud op die manier moeiteloos verklaren als bevreemdende veruitwendigingen van zeer vertrouwde psychische constellaties. Zo herleidt hij het veel voorkomende motief van de dubbelganger tot het narcistische verlangen om het ego te beschermen tegen vernietiging door er een energetisch 'dubbel' van te maken. En het 'unheimliche' effect van mysterieuze herhalingen of terugkerende patronen komt volgens hem voort uit een onbewuste herhalingsdwang, die zich zowel uit in onschuldige kinderspelletjes als in obsessionele neurosen, en die hij zelfs de mythische allure toekent van een universele, maar zorgvuldig onderdrukte doodsdrift.

Iemand wordt dagenlang achtervolgd door eenzelfde cijfer, dat hem als bij noodlot steeds opnieuw wordt toegewezen: de hotelkamer, het ticket van de garderobe, de nummerplaat van een huurauto... Men moet al wel heel ongevoelig zijn voor iedere vorm van bijgeloof, merkt Freud op, om niet een of andere diepere betekenis te gaan veronderstellen, meestal in een onheilspellende zin, zoals bijvoorbeeld het aantal dagen dat hem nog te leven rest. Volgens Freud zelf kan het uiteraard, zelfs in de meest onwaarschijnlijke samenloop van omstandigheden, alleen maar om een toeval gaan.

Eveneens louter toevallig zijn dan ook de talrijke gevallen waarin voorgevoelens, dromen, wensen of gedachten zich in realiteit blijken om te zetten. Overigens zijn vooral neurotici - aldus Freud - expert in dergelijke coïncidenties: ze zijn er vrijwel allemaal van overtuigd dat hun voorgevoelens 'meestal' uitkomen, en ze geloven heimelijk in de almacht van hun gedachten en wensen. Hierin vertonen ze een treffende gelijkenis met de primitieve, animistische mens, die leeft in een wereld vol geesten en duistere krachten, die hij aan de hand van magische praktijken zoekt te beïnvloeden. Wij, dat wil zeggen normale volwassen westerse mensen, hebben in onze individuele ontwikkeling dit animistische stadium eveneens doorlopen, maar zijn het dan, als alles goed gaat, min of meer 'te boven gekomen'.

Maar helemaal vrij van animistische sporen zijn wij nog altijd niet, en wanneer wij in het dagelijkse leven of in verhalen geconfronteerd worden met elementen die verwijzen naar ons oude bijgeloof, wordt ons rationele denken soms weer aan het wankelen gebracht en wellen irrationele reacties in ons op ( in de zin van: en wat als gedachten werkelijk iemand konden doden? En als de doden nu eens echt verder leefden?). Dit gevoel van verontrustende twijfel is niets anders dan het 'Unheimliche': de terugkeer van een verbeeldingswereld waarin wij oorsporonkelijk thuis waren, maar die we, gewapend met de ratio en de wetenschap, collectief en individueel hebben verbannen.

Dat het hier om niets meer kan gaan dan om psychische projecties en fantasieën staat voor Freud als een paal boven water. De wetenschap heeft immers aangetoond dat er geen geesten of demonische krachten in de dingen zijn, en dat er dus, wat de objectieve feiten betreft, geen reden is tot angst of verontrusting. Het is de mens zelf die, in zijn infantiele, primitieve of neurotische fasen de kracht van zijn eigen verbeelding uitstrekt over de hele werkelijkheid. De angst voor vreemde krachten komt voort uit een gebrek aan inzicht, en verdwijnt naarmate de kennis van de wereld vordert.

Wat het onheilspellende effect van duisternis, eenzaamheid en stilte betreft - eveneens veel voorkomende motieven in het 'Unheimliche' - heeft Freud niet veel meer te zeggen dan dat dit omstandigheden zijn die nu eenmaal bevorderlijk zijn voor het heropduiken van verdrongen inhouden. Maar waarom dat zo zou moeten zijn wordt niet werkelijk door hem verklaard.

Want wat is er dan eigenlijk in duisternis of in stilte, dat er niet is in licht en lawaai, waardoor de menselijke psyche zozeer uit het lood wordt geslagen?

In dit verband zou natuurlijk kunnen gewezen worden op de biologische voorgeschiedenis van de mens: een sociale, bij dag levende diersoort, die zich onzeker voelt bij het invallen van de duisternis, en des te onzekerder wanneer geen enkele soortgenoot in de buurt is. Maar hiermee zijn we wel buiten het bereik van Freuds aanvankelijke verklaringsschema getreden: dat van het onbewuste als resultaat van een individuele verdringing. In zijn latere werken geeft Freud ook zelf toe dat hij zijn notie van het onbewuste zal moeten verruimen: ook archaïsche biologische instincten moeten ertoe gerekend worden, evenals symbolen die collectief zijn voor de hele mensheid en die op een mythische manier ons bestaan betekenis geven.

Maar het is vooral Freuds leerling Jung die deze gedachte verder ontwikkelt, en vooral: die het onherleidbare karakter en het vitale belang van deze symboliek benadrukt. Volgens Jung gaat het hier immers niet om infantiele projecties die moeten overstegen worden, maar om zingevende betekenisstructuren die bijdragen tot het harmonisch functioneren en de psychische gezondheid van de mens. In tegenstelling tot Freud laat Jung het domein van de menselijke herinnering en intuïtie zich uitstrekken tot ver voor de individuele geboorte: er zijn in het menselijk brein bepaalde 'archetypen' aanwezig die, zoals de instincten bij dieren, leiden tot de productie van welbepaalde - en geen andere - voorstellingsbeelden. Een bepaalde vogelsoort bouwt overal ter wereld, gescheiden door oceanen en zonder onderling contact, al duizenden jaren lang zijn nest volgens precies dezelfde vorm. Zo ook kent homo sapiens overal ter wereld en wellicht al sinds zijn eerste bestaan dezelfde symbolische betekenissen toe aan bepaalde natuurobjecten (de maan, de zee, bomen, vogels, bliksem of wind) of aan abstracte configuraties (het kruis, de spiraal, de davidster, het getal drie).

Zo opgevat zouden heel wat componenten van het 'Unheimliche' - zoals trouwens van de hele literatuur en de kunst in het algemeen - een veel diepere betekenis kunnen hebben dan die van individuele narcistische projecties: het zou om niets minder gaan dan om geconcretiseerde oer-symbolen die uit het rationele denken zijn verdwenen maar die ervoor zorgden dat de mens zich 'thuis' kon voelen in de hem omringende werkelijkheid, niet als meester, maar als deelgenoot. Daarom acht Jung het zo van belang dat wij de mythisch geladen symbolen zoals die ons verschijnen in dromen, in kunst en literatuur, of misschien zelfs in de werkelijkheid, zouden ernstig nemen en in ons leven zouden integreren. Zelfs wanneer hun werkelijkheidswaarde niet kan bewezen worden of naar wetenschappelijke criteria ronduit twijfelachtig is, het is in ieder geval bewezen - aldus Jung - dat zij 'nuttig' zijn, omdat zij het leven zinvol maken en ons in tijden van crisis tot steun kunnen dienen.

Een andere vraag is of het hier inderdaad slechts gaat om produkten van de menselijke fantasie - collectief of individueel, narcistisch of archetypisch. Freuds antwoord is categorisch affirmatief; Jung is in eerste instantie voorzichtiger, maar uiteindelijk omslachtiger en paradoxaler. Jung lijkt enerzijds het bestaan van magische krachten te willen erkennen, maar anderzijds deze krachten toch weer te willen herleiden tot psychische symbolen. Komt het bijvoorbeeld bij Freud gewoon niet op zelfs nog maar te willen controleren of sommige van de door neurotici voorgehouden 'voorgevoelens' of 'voorspellingen' misschien niet toch zouden kloppen, Jung gelooft zonder meer in het 'anticiperend en prognostisch aspect' van dromen, alsook in de mogelijkheid van een 'betekenisvolle synchroniciteit' tussen gebeurtenissen.

Hij heeft het over 'waarschuwingen in de droom' die, wanneer ze worden in de wind geslagen, kunnen leiden tot daadwerkelijke ongelukken . Toch wil Jung in zijn verklaring van dergelijke fenomenen per se overeind houden dat hier ,,geen sprake kan zijn van magie'', maar uitsluitend van ,,het onbewust of intuïtief doorgeven van informatie.''

De kwestie is natuurlijk dat wanneer het informatie betreft die doorgegeven wordt van de toekomst naar het verleden, of van een levend wezen op levenloze dingen, deze overdracht precies is wat 'magie' wordt genoemd. Als het onbewuste in staat is deze overdracht te voltrekken, dan kan het onmogelijk beperkt blijven tot het psychische niveau - zelfs collectief, zelfs archetypisch -, maar moet het zich uitstrekken tot de materie zelf, en moet het dus beschikken over zogenaamde 'magische' vermogens.

Een vergelijkbare ambiguïteit schuilt in Jungs karakterisering van het archetypische als enerzijds een product van de fantasie en anderzijds een instinct of een intuïtie - terwijl beide toch van een fundamenteel verschillende orde zijn. Bijzonder verwarrend en dubbelzinnig is Jungs beschrijving van de primitieve mens, aan wie hij een grote rijkdom aan fantasie toeschrijft en een grote gevoeligheid voor ,,alle fantastische psychische associaties die ieder object of idee bezit'' . Tegelijk blijkt deze primitieve mens te kunnen participeren in de ,,psychische identiteit'' van de hem omringende dingen (dieren, bomen, stenen) en te beschikken over instinctieve inzichten en intuïties die voor de moderne mens zijn verloren gegaan. Maar een participatie veronderstelt, in tegenstelling tot een fantasie, een reële communicatie, en een instinct wordt geacht fundamenteel betrouwbaar te zijn.

Overigens is het nog zeer de vraag of de écht primitieve mens, dat wil zeggen de vroegste voorouder van de huidige mens en dus wellicht een wezen tussen dier en mens in, wel zo begiftigd was met een rijke fantasie.

Aannemelijker lijkt dat hij - zoals onze genetische broer de chimpansee - net zoveel fantasie als ratio bezat, dat wil dus zeggen in uiterst beperkte mate. Men vergeet blijkbaar maar al te gemakkelijk dat de 'primitieve mensen' waaraan veel studies hun materiaal ontlenen intussen toch maar tijdgenoten van ons zijn, die misschien een 'andere' ontwikkeling hebben doorlopen dan wij, maar die in geen enkele zin onze 'voorouders' kunnen worden genoemd. Van de écht primitieve mens kunnen we veeleer veronderstellen dat hij noch onderhevig moet zijn geweest aan de ontsporingen van de ratio, noch aan die van de fantasie, maar dat hij, zoals het dier, moet toegerust zijn geweest met sobere, biologisch efficiënte instincten.

Maar wat is een 'instinct' anders dan een soort van mysterieus 'voorafweten' dat een organisme bezit van het soort wereld waarin het zal terechtkomen? De preciese manier waarop de meest verbluffende instincten bij dieren werken is tot op heden in de biologie eigenlijk nog steeds niet afdoende verklaard. Trekvogels en vissoorten die zich feilloos naar voorouderlijke plaatsen begeven waar ze zelf nooit eerder waren, termietenkolonies die, gescheiden door hindernissen, bruggen naar elkaar toe bouwen die perfect aaneensluiten, huisdieren die de thuiskomst van hun baas op de meest wisselende momenten exact voelen naderen - men weet niet hoe ze het doen, ieder beroep op telepatische of magische vermogens buiten beschouwing gelaten.

Wanneer Jung de menselijke archetypen instincten noemt, moet hij hiermee een gelijkaardige aangepastheid aan de omgeving bedoelen, die loutere producten van de fantasie niet hebben. Waarom stelt Jung zich niet de vraag hoe het komt dat de 'primitieve mens' aan specifieke bomen of planten - en niet aan andere - bepaalde krachten toekent, of een energetisch effect toeschrijft aan specifieke vormen (de piramide, de mandala)? Moet men dan veronderstellen dat dit alles 'zomaar' in hem opkomt?

En waarom hoe dan ook de uitdrukking 'toeschrijven aan', alsof het bij voorbaat uitgesloten is dat deze dingen de hen toegeschreven krachten ook werkelijk zouden bezitten? Van talloze diersoorten is bekend dat ze, in geval van ziekte, instinctief de juiste planten eten om te genezen, of dat ze elkaars wonden likken. Men zegt toch niet dat zij 'genezende krachten toeschrijven' aan deze planten of aan hun speeksel? En het vermogen om intuïtief onheil te voelen naderen is toch alleen maar zinvol wanneer het alleen maar optreedt indien er effectief onheil volgt?

Uiteraard zijn Jungs aarzeling en terughoudendheid op dit domein best te begrijpen, want dat bepaalde planten of stoffen genezende krachten zouden hebben valt nog enigszins wetenschappelijk te controleren, maar niet dat ze 'magische krachten' zouden hebben - daarvoor is een vermogen vereist dat, zo het ooit werkelijk heeft bestaan, bij de westerse mens grotendeels is verdwenen en misschien zelfs alleen maar aan 'uitzonderlijke individuen' toekomt (de sjamaan? Jezus?).

Het is vanuit de westerse rationaliteit bijzonder moeilijk om zelfs nog maar de mogelijkheid open te laten dat er werkelijk 'iets' zou zijn - in schaduwen, in donder en bliksem, in stenen, dieren, bomen, of zelfs in alle dingen - dat op een vreemde maar ingrijpende manier zijn invloedssfeer over ons uitstrekt, en dat het hier niet zou gaan om onbewuste projecties van onze eigen angsten, maar om reële 'unheimliche' krachten in de dingen zelf. De wetenschap heeft deze krachten afgezworen, en volwassen ouders stellen hun kinderen, geheel volgens de conventie, gerust dat er helemaal niets is onder het bed - maar de kunst lijkt helemaal 'thuis' te zijn in deze verontrustende vreemdheid van de dingen.

Tal van kunstenaars, in verleden en heden, geven te kennen dat zij, zoals de tovenaars of de alchemisten, op zoek zijn naar de 'geest' achter of in de levenloze voorwerpen; zij hebben het gevoel dat er in de werkeljkheid een geheimzinnige kracht aan het werk is, die ze in hun kunstwerk willen gestalte laten geven. Om maar een paar voorbeelden te citeren:

,,Alles, wat dood is, trilt. Niet alleen de dichterlijke dingen, de sterren, de maan, het woud, de bloemen, maar zelfs de witte knoop van een broek, die op straat in een modderplas schittert... Alles heeft een verborgen ziel, die vaker zwijgt dan spreekt.'' (Kandinsky).

,,Het object breidt zich uit tot over de grenzen van de verschijningsvormen ervan, doordat wij weten, dat het ding meer is dan de uiterlijke vorm ervan ons laat zien.'' (Paul Klee).

,,Ieder voorwerp bezit twee aspecten: het gewone aspect, dat wij gewoonlijk zien en door iedereen gezien wordt en het spookachtige metafysische aspect dat slechts enkele mensen in ogenblikken van helderziendheid en metafysische meditatie zien.'' (Chirico).

Kunst, zo opgevat, is essentieel vervreemdend, omdat ze de schijn van de vertrouwdheid doorbreekt en ons terugbrengt naar waar we altijd al waren: 'thuis' - maar dan in een wereld van onmenselijke krachten. Het 'Unheimliche' is onze eerste en laatste verblijfplaats - het is, veeleer dan het infantiele of het primitieve, het ultieme, de voedingsbodem waaruit alles ontspringt en die alles uiteindelijk opnieuw zal opslokken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden