Het tweede paspoort

Goed Nederlands staatsburgerschap heeft volgens Paul Cliteur niets te maken met windmolens, kaas of de Deltawerken. „Wat we voor staatsburgerschap nodig hebben is een loyaliteit aan kernwaarden als democratie, rechtsstaat en mensenrechten. En dat zijn geen specifiek Nederlandse waarden. Het zijn zelfs geen specifiek Europese waarden. Het zijn universele waarden.”

Wij leven in een ’multiculturele’ samenleving. Je zou ook kunnen zeggen: een ’multireligieuze’ samenleving. Ik vind dat goede aanduidingen. Dat wil zeggen dat op het grondgebied van de Nederlandse staat veel religies vertegenwoordigd zijn. Het zijn er zelfs meer dan ooit tevoren.

Dat plaatst deze tijd en deze samenleving voor een ongekende uitdaging: mensen met verschillende achtergrond moeten met elkaar zien samen te leven.

Aan dat interessante experiment doen wij allemaal mee. Ik ga ervan uit dat ook alle Nederlandse burgers op voet van gelijkheid in dat experiment participeren.

Dat gaat overigens niet vanzelf. Het proces wordt geleid door belangrijke beginselen, neergelegd in de Nederlandse Grondwet. Zoals de verkeersregels het verkeer op de weg regelen, zo regelt de Grondwet het verkeer tussen de verschillende groepen in de samenleving.

Twee beginselen zijn in het bijzonder van belang.

Allereerst kent Nederland de vrijheid van godsdienst. Wij gaan ervan uit dat alle gelovigen in Nederland vrij hun geloof moeten kunnen belijden. Dat betekent ook dat zij van godsdienst kunnen veranderen. En zelfs betekent het dat je alle godsdiensten de rug kunt toekeren.

Bij het belijden van die religieuze voorkeuren mogen mensen ook een zeker ’lawaai’ maken. Ze mogen een hoofddoek opzetten om te laten zien dat zij een voorkeur hebben voor de islam. Ze mogen een kruis dragen om te getuigen van hun christelijke voorkeur. Ze mogen een keppeltje opdoen om te laten zien dat zij joods zijn. De vrijheid van godsdienst loopt wat dat betreft naadloos over in een ander beginsel uit de Grondwet: de vrijheid van meningsuiting.

Dat beginsel is voor alle godsdiensten en levensbeschouwingen van enorme betekenis. Jezus Christus kon alleen maar een nieuwe godsdienst beginnen omdat hij een relatieve vrijheid had in het bekritiseren van het jodendom. Mohammed kon alleen maar een nieuwe godsdienst beginnen omdat hij het veelgodendom van vóór zijn tijd kritisch onder de loep kon nemen. Luther kon alleen het protestantisme beginnen omdat hij een zekere vrijheid had in het kritiseren van de paus.

Zo bezien is de vrijheid van meningsuiting geen bedreiging voor de vrijheid van godsdienst, maar een essentiële voorwaarde. Het was dan ook geheel consequent dat Luther in 1543 protesteerde toen de Koran werd geconfisqueerd door de autoriteiten in Basel. Na de interventie van Luther werd die overigens vrijgegeven.

Tegenwoordig hoor je ook nog wel eens pleidooien voor het verbieden van heilige boeken, maar daar behoeft geen enkele gelovige zich zorgen over te maken. Zo’n verbod zou in strijd zijn met de Grondwet en ook met internationale verdragen. Het is dan ook volkomen onhaalbaar.

Waarom herhaal ik deze schijnbaar zo evidente waarheden? Dat is omdat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst zo vaak uit elkaar worden gespeeld. Je hoort dan: „Begrijp me goed, vrijheid van meningsuiting is van belang, maar het kan natuurlijk geen vrijbrief zijn om mensen in hun godsdienstige overtuiging te beledigen.” Op die manier wordt een onjuiste tegenstelling gecreëerd tussen de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst. Het lijkt alsof zij strijdig zijn en dat daarom ergens een compromis zou moeten worden gevonden. Een gulden middenweg.

Daarachter schuilt een vreemde opvatting over de vrijheid van godsdienst. Daarom kan het niet genoeg benadrukt: vrijheid van godsdienst houdt in dat je zelf vrij bent in het belijden van een godsdienst. Maar het betekent niet dat je anderen kunt verbieden om jouw godsdienst te bekritiseren of zelfs helemaal af te wijzen. Dat zou het optreden van Mohammed, Jezus Christus, Maarten Luther en Calvijn onmogelijk hebben gemaakt.

Hoe heeft deze verkeerde opvatting van de vrijheid van godsdienst zoveel aanhang kunnen krijgen?

Dat heeft ermee te maken dat we allemaal geërgerd raken wanneer we dingen horen waarmee we het fundamenteel oneens zijn. Ik lees zelf dagelijks in de krant opvattingen waarmee ik het zo heftig oneens ben dat ik, als ik dictator zou zijn, op z’n minst in de verleiding zou komen om die te verbieden. Gelukkig ben ik geen dictator. En als ik het wel zou worden dan zou ik hopen dat ik een deugd zou cultiveren die voor de vrijheid van denken, spreken en publiceren van grote betekenis is geweest in de Europese cultuurgeschiedenis: tolerantie.

Die deugd wordt tegenwoordig wel opgevat als: „Niets zeggen waaraan anderen aanstoot kunnen nemen.” Maar dat is een geperverteerde betekenis. Tolerantie of verdraagzaamheid betekent oorspronkelijk: het gedogen van uitlatingen die je zou kunnen verbieden of onderdrukken, maar die je toch laat bestaan. Die deugd lijkt op het ogenblik een verdwijnend cultuurgoed.

Onlangs werd mijn blik getrokken door een berichtje in NRC Handelsblad met als kop ’Religieuze tolerantie neemt overal af’. Het artikel bevatte een klein interview met Asma Jahangir, een Pakistaanse mensenrechtenspecialiste, die optreedt als rapporteur voor de Verenigde Naties over godsdienstvrijheid. De aanleiding was een rapport dat Jahangir onlangs had gepresenteerd aan de Mensenrechtenraad in Genève.

Daarin kwam ze tot de verontrustende conclusie zoals verwoord in de kop. Christenen, moslims, boeddhisten – ze worden allemaal intoleranter. Waaruit blijkt dat? Volgens Asma Jahangir uit de hoeveelheid meldingen die zij krijgt over zaken waardoor mensen zich beledigd voelen. Zij voelen zich bijvoorbeeld beledigd door wat er in een boek staat. Maar als je dan gaat kijken wát daar staat, dan is daar helemaal niets beledigends aan. Vervolgens spreekt Jahangir een zin uit die mij fascineert. „Mensen worden overgevoelig. Ze kunnen niets meer hebben.”

Wat Jahangir schetst, herkennen we maar al te goed uit de Nederlandse context. De vraag is natuurlijk: hoe zouden we dat kunnen veranderen?

Voordat we daaraan iets kunnen veranderen is het goed om te zien op grond van welke argumentatie vele gelovigen menen dat zij agressief of zelfs gewelddadig moeten reageren op standpunten die hun niet aanstaan. Ingewikkeld is dat mensen die geweld of intimidatie gebruiken dat tegenwoordig graag doen door ter rechtvaardiging naar hun godsdienst te verwijzen. Of zij dat terecht doen, is aan theologen om over te oordelen. Wij kunnen dat theologische debat laten voor wat het is. Wij kunnen constateren dát zij dat doen en dat staat en samenleving daarop een antwoord moeten formuleren.

Soms kan religieus gelegitimeerd geweld zelfs leiden tot moord. Zo vermoordde Jigal Amir in 1995 de Israëlische president Jitzak Rabin. Amir dacht dat hij handelde in opdracht van God. Ook in de christelijke wereld vinden we goddelijk geïnspireerd geweld. De Nederlandse Willem van Oranje werd in 1584 vermoord door Balthasar Gerards. Hij handelde op bevel van de katholieke koning Filips II en was behalve politiek ook religieus gemotiveerd. Hetzelfde geldt voor Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh.

Wat is nu precies de relatie tussen moraal en religie die hieruit blijkt? Dat Amir, Gerards en Mohammed B. menen dat zij als het ware helemaal voor hun religie moeten gaan. Zij denken dat zij de wil van God kennen. En zij zijn bereid tot het uiterste te gaan om die vermeende wil ten uitvoer te leggen. Ze zijn voorbeelden van joodse, christelijke en islamitische martelaren.

Nu zijn in alle maatschappijen martelaren een probleem, maar in een religieus pluriforme samenleving zijn die problemen nog groter.

Als mensen het grondgebied van een staat met elkaar moeten delen, dan moeten zij zekere waarden en normen met elkaar delen. Als zij van mening verschillen over wat die normen en waarden zijn, dan moeten zij daarover met elkaar kunnen spreken. In feite is het democratische proces zo’n gesprek op het nationale niveau.

Het is van het grootste belang dat we dat proces vrij zijn gang laten gaan. Liefst op een beheerste en nette manier, maar wel: zijn gang laten gaan.

Dat nu blijkt de laatste tijd nogal problematisch. Allereerst zien we in Nederland een vorm van religieus terrorisme opkomen dat zich uitgerekend richt op dit principe: het vrije onderzoek, de vrije discussie, de vrijheid van meningsuiting. Zoals in de Verenigde Staten het terrorisme zich richtte op het symbool van het kapitalisme, de Twin Towers, zo lijkt in Nederland het terrorisme zich te concentreren op het symbool van de Nederlandse libertaire cultuur: de vergaande vrijheid van spreken, ook over gevoelige onderwerpen.

Hoe moeilijk ook: die vrijheid zullen we overeind moeten houden. Alleen als mensen met elkaar spreken bestaat er uitzicht op consensus over waarden en normen. Alleen dankzij die vrijheid kunnen orthodoxe vormen van religiositeit zich ontwikkelen tot meer tolerante en vrijzinnige.

Dat zouden we ons goed moeten bedenken in een tijd waarin steeds duidelijker wordt dat vrijheid van meningsuiting ons ook wat ’kost’. Niet alleen in de zin van het tolereren van ergernis, maar letterlijk: in de zin van het dragen van de kosten voor de beveiliging van schrijvers met dissidente meningen. Als we dat niet willen dan zal de omvang van de vrijheid van meningsuiting in de toekomst niet worden bepaald door de Nederlandse staat, maar door terroristen. We zijn trouwens al een eind gevorderd in die richting. De fameuze dutch tolerance uit de zeventiende eeuw heeft plaatsgemaakt voor een heel nieuw begrip waarvoor we inmiddels wereldwijd bekend zijn.

Dat brengt mij op een tweede hedendaags probleem. Voor een discussie, ook over waarden en normen, is het van groot belang dat je een gemeenschappelijke opvatting hebt over welke argumenten tellen in zo’n debat. In een multireligieuze samenleving is ook die overeenstemming komen te vervallen. We hebben dus niet alleen minder overeenstemming over de inhoud van die waarden, maar ook over de wijze waarop we die inhoud ten opzichte van elkaar zouden kunnen rechtvaardigen.

In een monoculturele samenleving kun je zeggen: „Ik kies voor deze of gene waarde, want onze gemeenschappelijke God heeft die aan ons voorgeschreven.” In een multireligieuze samenleving is dat geen argument meer, want de gemeenschappelijke God is verdwenen. De verwijzing van de ene gelovige naar God A is voor de andere gelovige geen argument, want hij oriënteert zich op de wil van God B. Kort en goed: als iemand christen is en hij kan geen andere reden voor een bepaald moreel standpunt aandragen dan dat zijn christelijke God het aan hem heeft voorgeschreven dan zal hij daarmee nooit een niet-christen kunnen overtuigen. Hetzelfde geldt natuurlijk voor andere religies.

Wie geen andere rechtvaardiging van zijn morele standpunt kent dan een religieuze, stuit in een multireligieuze samenleving altijd op het gegeven dat hij alleen zijn eigen geloofsgenoten kan overtuigen. Daarom is elke moraal die geen andere rechtvaardiging erkent dan een religieuze een groot probleem in een multireligieuze samenleving.

Wat moeten we doen om uit dit dilemma te komen?

Wil ik een nieuwe seculier gefundeerde moraal opleggen? Bepleit ik dwang? Nee, voorlopig bepleit ik alleen een gesprek. Je kunt een gesprek hebben over de vraag of roken gezond is zonder te pleiten voor overheidsdwang in het reguleren van rookvrije restaurants en cafés.

Is dit een pleidooi voor atheïsme? Nee, het is een pleidooi voor religieuze openheid.

Is dit Verlichtingsfundamentalisme? Een groot woord. Want is het niet eenvoudigweg common sense?

Is het te optimistisch om te hopen dat mensen hun religieuze taal inwisselen voor een religieneutrale taal? Misschien, maar misschien ook niet.

Laat ik als antwoord op wat mij haalbaar lijkt een voorstel doen. Als we met elkaar willen samenleven in een multireligieuze samenleving dan zullen we een ’dubbele identiteit’ moeten ontwikkelen.

Nu hoor je tegenwoordig veel over dubbele identiteiten spreken, maar dat is dan altijd in de betekenis dat iemand naast de Nederlandse identiteit nog een andere, bijvoorbeeld een Marokkaanse identiteit zou moeten kunnen hebben (of juist niet). Dat is niet de betekenis die ik aan de ’dubbele identiteit’ zou willen geven. Wat ik bedoel is dat we naast onze religieuze taal nog een andere taal moeten leren spreken. Ik noem dat een ’moreel Esperanto’. Ik bedoel dat wanneer we voor onze morele standpunten een rechtvaardiging moeten aandragen, we dit alleen maar kunnen doen zonder naar onze religie te verwijzen.

Ik kan ook de paspoortvergelijking gebruiken. We moeten allemaal burgers worden met twee ’paspoorten’. Het ene maakt dat we deel uitmaken van een religieuze gemeenschap, met het andere worden we Nederlands staatsburger. En dat heeft in beginsel niets met religie te maken.

Nu zit het met de populariteit van dat religieuze paspoort wel goed. Iedereen lijkt dat te willen hebben tegenwoordig, van Madonna tot George W. Bush. De religieuze taal is sterk in opkomst. Maar als we de multireligieuze en multiculturele samenleving een succes willen maken is het vergroten van de populariteit van het niet-religieuze paspoort noodzakelijk. We moeten de identiteit versterken op grond waarvan iemand als Nederlands staatsburger kan functioneren.

Dit heeft trouwens niets met specifiek Nederlandse waarden en normen te maken.

Ik heb zelf ook weinig specifiek Nederlands. Natuurlijk, ik ben hier tweeënvijftig geleden geboren. Maar ik ben niet specifiek trots op dit land. Ik voel niets voor de Nederlandse poldercultuur van besturen. Ik heb een hekel aan het Nederlandse voetbalelftal. Ik heb een hekel aan voetballen in het algemeen. Ik heb een hekel aan elke vorm van sport. Ik heb niets met het Nederlandse koningshuis. Er stroomt nog niet een klein stroompje oranje bloed door mijn aderen. In die zin ben ik dus de slechtst geïntegreerde Nederlander die je je maar kunt voorstellen.

Maar volgens mij is het voor een ’oriëntatie op Nederland’ ook helemaal niet nodig dat je geïntegreerd raakt in specifiek Nederlandse zaken. Dat staatsburgerschap heeft niets te maken met windmolens, kaas of de Deltawerken. Wat we voor staatsburgerschap nodig hebben is een loyaliteit aan kernwaarden als democratie, rechtsstaat en mensenrechten. En dat zijn geen specifiek Nederlandse waarden. Het zijn zelfs geen specifiek Europese waarden. Het zijn universele waarden.

Daarom zou het ook zo gemakkelijk zijn voor de Nederlandse overheid om dat tweede paspoort – het religieusneutrale Nederlandse staatsburgerschap – aan te prijzen. Mensen moeten leren accepteren dat zij zich voor het verkeer in de samenleving niet baseren op de regels van hun eigen religie. Die eigen godsdienst kan een bron van inspiratie vormen voor moraal en politiek (ja, ja, daar ben ik helemaal van doordrongen), maar je kunt die nooit opvoeren als rechtvaardigingsgrond voor morele en politieke normen. Dat zou het onmogelijk maken om mensen met een andere achtergrond te overtuigen.

De vraag is natuurlijk: zal het lukken om die taal van het moreel Esperanto ingang te doen vinden? Ik ben daarover niet pessimistisch. In zekere zin hebben we die al ontwikkeld.

Dat is bijvoorbeeld de taal die zegt: als je met respect behandeld wilt worden, dan zul je moeten beginnen anderen met respect te behandelen. Zulke leefregels tref je ook in de wereldgodsdiensten aan. Maar zij zijn niet verbindend omdát ze daar te vinden zijn. Ze zijn verbindend, en daaróm zijn ze in die wereldgodsdiensten te vinden. Het is dan ook niet religie die de moraal voorschrijft, het zijn morele overwegingen die ons voor een religie doen kiezen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden