Het Trouw-proces / Veel vragen rond fusillade 23 van Trouw

'Het proces tegen de organisatie Trouw is heden na een diepgaande afweging aan het Politiestandgerecht toegewezen'

Toen SS-rechter Ernst Hrtel op 17 september 1994 hotel Naeff in Velp in brand stak om te voorkomen dat het archief van Rauter in handen zou vallen van de die dag bij Oosterbeek gelande Britse parachutisten, zijn vrijwel zeker ook belangrijke stukken vernietigd van het zes weken eerder in Vught gevoerde Trouw-proces.

In de dertig kisten met dossiers sinds april 1942 waren wellicht nog antwoorden te vinden geweest op de vele vragen die na een halve eeuw nog steeds leven. Is er ooit sprake geweest van een echt aanbod van Duitse kant om de levens van gevangengenomen Trouw-medewerkers te sparen in ruil voor stopzetting van het blad? En zo ja, gold het nog wel toen op 9 augustus 1944 de leiding van Trouw zich er het hoofd over brak? Waarom werd Trouw in de zomer van 1944 zoveel harder aangepakt dan andere illegale bladen, namelijk door de inschakeling van het bijna uitsluitend met doodvonnissen werkende Polizeistandgericht? Wat waren de motieven van Rauter om bij wijze van uitzondering van Himmler nog toestemming los te peuteren voor dit proces toen rechtspraak in bezet gebied van Hitler allang niet meer mocht?

Gelukkig zat nu ook weer niet alles in die dertig kisten. Een paar interessante interne mededelingen inzake de Trouw-gevangenen zouden later uit Rauters Haagse kantoor worden geborgen door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, het RIOD. Verder is er zijn omvangrijke correspondentie met de Reichsführer der SS, Heinrich Himmler, in Berlijn. Die geeft een kijkje in de gedachtenwereld van deze Oostenrijkse nazi-rebel die in 1940 in Nederland de 'höhere SS- und Polizeifrer' werd: Hans Albin Baptist Rauter. Want dat zullen we nodig hebben om te weten waarom deze man zich zoveel moeite heeft gegeven om juist Trouw standrechtelijk te vervolgen.

Rauters belangrijkste overweging bij alles was dat hij met een minimum aan manschappen de orde moest handhaven in een land, waar de geallieerden het gewapend verzet aanwakkerden en bevoorraadden. “Waar 's nachts de wapens bij massa's uit de hemel vielen, waar de hele bevolking één bewapend leger was . . .”, riep hij tot zijn Nederlandse rechters in april 1948. Dezen hebben mogelijk gedacht dat Rauter zo overdreef om de door hem bevolen represailles te rechtvaardigen. Maar ook uit zijn correspondentie met Himmler blijkt hoezeer hij gepreoccupeerd was - al lang vóór de invasie - door de mogelijkheid van een gewapende opstand die hij niet in de hand zou kunnen houden, laat staan als bij een invasie in de kuststreek de Wehrmacht al haar troepen zou nodig hebben, ook de Waffen SS, en hij zou achterblijven met drie armzalige landstormbataljons en een politiebataljon om in het achterland de orde te handhaven. Op 15 mei 1944 wees hij de aarzelende Rijkscommissaris Seyss-Inquart op het gevaar dat geallieerde landingen 'een psychologische terugslag in de bevolking zullen teweegbrengen die de uitwerking van een lawine zal hebben' en dat 'de zwakke krachten in de achterliggende gebieden de brand niet meer meester zullen worden'.

Waarover aarzelde Seyss-Inquart? Dat betrof het verder uitbreiden van het standrecht, dat toen alleen nog politie-standrecht was. In tegenstelling tot de civiele Duitse rechtspraak in Nederland via Landesgerichte en Obergerichte, die onder het Commissariaat van Justitie van dr. Friedrich Wimmer viel, en waarin de attributen van de gangbare rechtspraak alle aanwezig waren, was het standrecht geheel gericht op afschrikking: zonder bewijslast, zonder eigen verdediging van de verdachten, zonder hoger beroep en met onmiddellijke voltrekking van categorale vonnissen, meestal doodstraf. Rauter wilde nu dat de Duitse militaire rechtbanken in Nederland die ook Nederlandse verzetsmensen veroordeelden, standrechtelijk zouden gaan werken. Maar Seys-Inquart wist dat zowel Justitie als Wehrmacht daar niet aan wilde.

In de ogen van Rauter was standrecht het enige wat een zwakke bezettingsmacht kon doen om het verzet binnen de perken te houden. Niet de tijdrovende uitzoekerij van de civiele Duitse rechtspraak, maar categorale doodvonnissen, vet gepubliceerd in kranten en op plakkaten, konden potentiële verzetshaarden nog doven voordat zij echt gevaarlijk werden. Of die vonnissen dan ook te rechtvaardigen waren, kwam er minder op aan.

Politiestandrecht was er in Nederland al sinds april 1943, ingesteld na de grote aprilstakingen tegen het alsnog afvoeren van gedemobiliseerde Nederlandse krijgsgevangenen naar Duitsland. Rauter stelde de standgerechten samen en bevestigde of verwierp de vonnissen. Sinds 16 september 1943 vond Seyss-Inquart ook goed dat verzetsgevallen waarbij sprake was van 'bendevorming' door Rauters standgerechten werden behandeld, “teneinde ook mededaders en helpers met de volle scherpte van het politiestandrecht te treffen”.

Dat was precies wat Rauter bedoelde. Hij schreef aan Himmler: “Met het standrecht wil ik niet alleen de daders treffen, maar vóór alles ook de betrokkenen die op de uitkijk staan, terwijl intellectuelen de daders financieren. Op deze manier kan er hard en snel doorgetast worden.”

Er was echter door Seyss-Inquart wel een rem ingebouwd. Dr. Ludwig Oegg, de Oberstaatsanwalt - de procureur-generaal van de civiele Duitse rechtspraak in Nederland (Landesgerichten en Obergericht) - moest instemmen met het op de rol zetten van de standrechtzaken. En als er onenigheid tussen Rauter en hem over was dan zou Seijss-Inquart beslissen.

Uit onze eerste vondst bij het RIOD bleek, dat die onenigheid er ook geweest is over de Trouw-zaak. Het is een kort briefje van Rauter aan zijn Chef-Richter Ernst Hrtel, gedateerd 7 juli 1944.

“Het proces tegen de organisatie Trouw is heden na een diepgaande afweging ('ein eingehendes Hin und Her') tussen Justitie en mij door de Rijkscommissaris aan het Politiestandgerecht toegewezen. Het proces worde terstond aangevangen”

Het simpele feit dat Seyss-Inquart in deze zaak moest beslissen, bewijst dat de Staatsanwalt anders wilde dan Rauter. Dat kan maar één ding geweest zijn: Trouw voor het Obergericht. Als dat was gebeurd, dan was er met de Trouw-groep hetzelfde gebeurd als met een groep van 23 gearresteerden van Het Parool, die in dezelfde dagen voor het drukken en verspreiden van een illegaal blad terechtstonden. Ofschoon het hier volgens de Sicherheitspolizei (SD) om een gevaarlijke verzetsgroep ging - waarvan er trouwens bij de verhoren al twee waren doodgeslagen - ondergingen deze illegalen een fatsoenlijk proces, waarin hun advocaten alle kansen kregen en waarin weliswaar vijf keer de doodstraf werd geëist, maar niet werd uitgesproken. De hoogste straffen waren 15 jaar tuchthuis. Twee van deze 23 hebben de straf niet overleefd. Het verschil tussen Obergericht en Polizeistandgericht was het verschil tussen leven en dood. Hadden de 23 van Trouw dan in Duitse ogen iets ergers gedaan dan die van Het Parool?

Het is een vreemde gewaarwording om een halve eeuw later uit mappen in het Duitse Bundesarchiv verscheidene stukken uit het illegale Trouw aangereikt te krijgen - in het Duits samengevat of geheel vertaald en soms zelfs in telegramvorm overgeseind. Ze zijn allemaal afkomstig van het bureau van de Reichsfhrer SS, Himmler, en van het Reichssicherheitshauptamt in Berlijn onder Kaltenbrunner. Onder die vertaalde Trouw-artikelen valt bijvoorbeeld op, uit het nummer van 20 juli 1943 het bericht 'Ons guerillafront'. Daarin worden opgesomd: het opblazen van 4 arbeidsbureaus, het verdwijnen van de bevolkingsregisters van 8 gemeenten, de verduistering van de persoonsbewijsdossiers uit 7 gemeentehuizen en het leeghalen van 3 distributiekantoren. Eronder staat dat deze daden de steun van het ganse Nederlands volk verdienen. “Wij verklaren ons er solidair mee”, schrijft de redactie. Het bericht is door SD-kantoren per telegram rondgeseind.

Er zijn ook SD-telegrammen over de onderschepping van flinke stapels Trouw, over in beslagneming van een hele oplage in Leiden, maar ook van een verijdelde poging om onder couvert 439 nummers van Trouw via de post naar artsen te verzenden en 426 naar 'zogenaamde intellectuelen'. De postdirecteur van Gouda blijkt het bij de SD te hebben aangegeven. Maar bijna alle leden van het Verbond van Nederlandse Journalisten hebben - blijkens een andere interne melding van de SD - het nummer van Trouw van midden november 1943 wl gewoon over de post ontvangen. Dat hebben de NSB'ers onder hen meteen aangemeld.

Uit deze telegrammen rijst het beeld op van een met het verzet verstrengelde illegale krant, gericht op 'intellectuelen'.

In het Bundesarchiv vonden we ook in het Duits de hoofdinhoud van Van Rullers in midden maart 1944 gepubliceerde artikel 'Het goed recht van de overval'. Het is een helder betoog, duidelijk gericht aan de op gezag en rust gestelde Nederlanders, dat je niet een leger van onderduikers kunt onderhouden en beschermen als je géén overvallen doet op bevolkingsregisters en distributiekantoren, en niet ook de uiterste consequentie aanvaardt om zo nodig verraders te liquideren.

Dat waren wl precies die 'bendedelicten' waarvoor Rauter zijn standrecht zei nodig te hebben. Ter toelichting op de doodvonnissen tegen de Trouw-groep, gepubliceerd op 9 augustus 1944, staat onder meer geschreven dat 'in deze kring de auctores intellectualis moeten worden gezien van talrijke misdaden tegen de bezettende macht, die de laatste maanden gepleegd zijn'. Trouw met zijn vele vertakkingen naar de LO-LKP paste precies in het schrikbeeld van Polizeifhrer Rauter.

Maar wat heeft Rauter kunnen aanvoeren om ook de minder standrecht-gezinde Seyss-Inquart te overtuigen?

In juni 1944, toen na de invasie in Normandië de intelligence in Londen de Duitse onzekerheid gaande wist te houden over de vraag of het wel bij deze landing zou blijven, werd in Nederland het kustgebied gevechtsrijp gemaakt en een aantal instanties verhuisde uit Den Haag naar het midden en oosten van Nederland. Ook het gezin Rauter verliet de fraaie villa in Wassenaar en vestigde zich in Arnhem. Het Nederlandse publiek zag in al die verhuizingen al het begin van een vlucht en de ondergrondse pers kon het goed gebruiken voor het moreel. Het moet in dit kader zijn geweest, dat Trouw van midden juni 1944 in een verzamelrubriek van opwekkende nieuwtjes onder de titel 'U moet weten' meldde:

“dat het gezin van Rauter in een zwaarbewaakt huis, Ernst Casimirlaan 23, Arnhem, woonachtig is”.

De commandant van de Gendarmerie in Arnhem las het bericht echter met heel andere ogen. Hij sloeg op tilt. Zo ontstond de nu volgende vertrouwelijke brief aan de commandant van de Ordnungspolizei in Nijmegen, die nog tussen Rauters Haagse paperassen zat, thans op het RIOD en die nooit met het lot van de 23 Trouw-mensen in verband is gebracht.

'Ik heb op grond van dit bericht, dat beschouwd kan worden als een indirecte oproep tot geweld tegen de familie Rauter, de tot nu toe door het politiesteunpunt in Arnhem bemande en uit twee personen bestaande nachtpatrouille ontbonden en daarvoor een vaste, drie man tellende wacht in de plaats gezet. Omdat het overzicht ter plaatse niet gunstig is, was het noodzakelijk de wacht in het tuinhuis van de familie onder te brengen, waartoe inwilliging door mevrouw Rauter nodig was. De wacht staat nu van 21 uur tot 7 uur op post.'

Hoe het gezinshoofd Rauter op dit alarm uit Arnhem heeft gereageerd is niet bekend. Wel weten we dat hij op dat moment nog met Justitie in discussie was of de Trouw-zaak wel zwaar genoeg was voor het Politie-standgericht. Als hij tegenover Seyss-Inquart nog een argument nodig had om zijn zin te krijgen, dan kan dit zeker dienst gedaan hebben.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden