Review

Het symptoom Milosevic

Slobodan Milosevic en zijn vrouw zijn in diepe slaap verzonken als een vreemd geluid Mira Markovic doet wakker schrikken. Ze loopt naar het raam van hun slaapkamer, werpt een blik naar buiten en raakt in paniek. ,,Er staan vreemde mannen in de tuin!'' Slobo doet een oog open en gaapt. ,,Niks aan de hand'', sust hij, terwijl hij zich op zijn andere zij draait, ,,dat zijn de nieuwe grenswachten.''

Zelden had een mop -hij deed de ronde tijdens de donkerste dagen van de Kosovo-crisis- zo'n voorspellende waarde. De bewegingsruimte van de voormalig president van Joegoslavië en Servië is inmiddels al ruim anderhalf jaar zwaar beperkt. De man die ooit hooghartig kon kiezen welke buitenlandse corifee hij audiëntie zou verlenen, is verworden tot een kermisattractie: in de afgelopen zomer stonden de toeristen in lange rijen bij de ingang van het Haagse Joegoslavië-tribunaal.

Zoals de toeristen nu, zo was de Servische journalist Slavoljub Djukic destijds nieuwsgierig naar de essentie en wording van 's mans karakter. In zijn 'On, ona i mi' (Servisch voor 'Hij, zij en wij', 1997) probeerde Djukic tot een beschrijving te komen, als een van de eersten. Voorzien van een nieuw hoofdstuk verscheen het onlangs in een Nederlandse vertaling onder de titel 'Milosevic & Markovic of het einde van het Servische spookje'. Jarenlang volgde Djukic van nabij opkomst en ondergang van het curieuze paar, al had de journalist -toen hij Milosevic in 1983 voor het eerst ontmoette- niet kunnen vermoeden dat de man nog eens het wereldnieuws zou halen en zelfs domineren. Milosevic was een uitgesproken onopvallende man -geen rare gewoontes, geen bizarre hobbies.

Maar hij wist met uitgekiende politieke machinaties de macht in de Servische communistische partij te grijpen. Vervolgens wist hij, door handig gebruik te maken van het nationalistisch discours, een grote populariteit te verwerven. Een discours waar hij, zo laat Djukic zien, echter ook weer precies op tijd afstand van kon nemen, dankzij een bijna feilloos instinct voor overleven.

Journalist Adam LeBor (in 'Slobodan Milosevic') en hoogleraar politieke wetenschappen Lenard Cohen (in 'Serpent in the bosom') maken dankbaar gebruik van het werk van Djukic en voegen er eigen elementen aan toe. Dat is soms interessant. Zo geeft LeBor een intrigerende beschrijving van de relatie tussen Milosevic en zijn Kroatische evenknie Franjo Tudjman. Zoveel wordt wel duidelijk: de twee, die elkaar soms tutoyeerden, begrepen elkaar.

Soms, niet minder vaak, roepen de vele opgeroepen details over Milosevic' privé-leven vragen op. Met name LeBor heeft er een handje om ogenschijnlijk onschuldige gedragingen van allerlei negatieve kanttekeningen te voorzien, en aan kleine voorvallen allerlei karakterologische conclusies te verbinden. Zo beschrijft hij hoe Milosevic in 1981, tijdens een verblijf bij het IMF in Washington, rondliep met een verkreukelde broek. Een oudere vrouwelijke collega -Milosevic werkte toen als bankier- bood aan de strijkbout tevoorschijn te halen. De man stribbelde tegen ('bel roomservice maar'), maar gaat uiteindelijk overstag. LeBors conclusie: ,,Zoals veel Balkanese mannen wist Milosevic wanneer het gemakkelijker was zich te onderwerpen aan het gezag van een vrouw.''

Cohen laat zich gelukkig veel minder verleiden de amateur-psycholoog te spelen. Al meent ook hij een Belgradose professor te moeten citeren die verklaart dat ,,je één ding goed moet begrijpen over Milosevic: anders dan de meeste mannen op de Balkan is hij maar met één vrouw naar bed geweest''.

Het is zeer de vraag of dit Milosevic dichterbij haalt. Het is trouwens óók zeer de vraag of beter begrip van Milosevic karakter de crisis op de Balkan verklaarbaarder maakt. Zelfs LeBor moet toegeven dat Milosevic op zijn minst waardige tegenspelers had. Niet alleen in de Kroaat Tudjman, maar ook in de Sloveense president Milan Kucan, die zich minstens zo bedreven toonde in het ondermijnen van de Joegoslavische federatie als Milosevic.

Kucans nationalisme acht Lebor minder verwerpelijk, omdat Slovenië praktisch etnisch homogeen was en is. De Serviërs woonden verspreid door het oude Joegoslavië, en dus, zo schrijft, LeBor, impliceerde het nationalisme van Milosevic een wijziging van de grenzen tussen de deelrepublieken. En daarmee begon het kwaad. De vraag waarom de binnengrenzen van het oude Joegoslavië -destijds toch veelal niet 'zomaar' vastgelegd- zoveel onaantastbaarder zouden moeten zijn dan de buitengrenzen, laat hij echter onbeantwoord.

Cohen analyseert, gelukkig, méér dan Milosevic' karakter en dat van zijn directe tegenspelers. Na een weinig verrassend betoog over de politieke ontwikkelingen in Servië in de laatste decennia van de 20ste eeuw, komt hij in het laatste hoofdstuk met een aantal interessante kanttekeningen, die om nadere uitwerking vragen. De crises op de Balkan zijn niet alleen te wijten aan 'kwaadwillende elites', schrijft hij. Eén van de opmerkelijk kanten van Milosevic was dat hij gedurende een groot deel van zijn bewind geen klassieke dictator was. Hij appelleerde aan de angsten van de Serviërs, angsten die deels voortkwamen uit oude ervaringen, deels uit mythes, maar deels ook uit directe en concrete bedreigingen in het dagelijkse bestaan.

De Belgische Balkandeskundige Raymond Detrez maakt in zijn voorwoord bij het boek van Djukic korte metten met de fixatie op Milosevic. Het kwam veel mensen wel goed uit, dat ze hem alle schuld in de schoenen konden schuiven. ,,Dat deden zijn politieke tegenstanders in Servië, al deelden ze bijna allen zijn nationalistische opvattingen; dat deden de politieke leiders in de andere Joegoslavische deelrepublieken, die met het autoritaire bewind van Milosevic hun separatisme legitimeerden; dat deed de internationale gemeenschap, die de mislukking van veel van haar interventies en 'oplossingen' gretig toeschreef aan Milosevic' pogingen 'om de regio te destabiliseren'.''

Milosevic was veeleer product dan oorzaak van de Joegoslavische crises, aldus Detrez. Het wordt tijd zijn persoon en politiek genuanceerder te benaderen dan als die van een 'gevaarlijke, machtsgeile gek'. Detrez legt echter de vinger op de zere plek, als hij de reden aangeeft waarom dit tot nu toe nauwelijks is gebeurd: het wekt al gauw de indruk van 'goedpraten'. Toch moet iemand het karwei opknappen, meent hij. De vraag is: wie durft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden