Het succes van het onleesbare boek

Maar weinig schrijvers dichten boekbesprekers een grote invloed op de literatuur toe. Het klopt dat recensenten de verkoopcijfers nauwelijks omhoogstuwen, zegt hoogleraar Lisa Kuitert. ,,Maar hun invloed op de productie van de Nederlandse literatuur is groot: zij dragen ertoe bij dat er magazijnen vol staan met onleesbare en onverkoopbare romans. En zij zijn medeverantwoordelijk voor het ontstaan van de hedendaagse subsidieschrijver.'

Peter Henk Steenhuis

Schrijvers hebben geen hoge pet op van critici. ee noemen boekbesprekers zuursmoelreptielen, horzels die de paarden bij het ploegen hinderen, slippendragers, napraatpapegaaien, en wezens die bij het lezen op elke bladzijde de schaduw van hun opgehaalde neus werpen. Maar ach, zei Hugo Claus ooit, je moet heel aardig voor de recensenten zijn, ,,want 't zijn toch de minstbedeelden onder ons''.

Er zullen ook weinig schrijvers zijn die deze minstbedeelden een grote invloed op de literatuur toedichten. Geen schrijver vindt het aangenaam gekraakt te worden, maar het is een hele troost te weten dat er geen enkel verband bestaat tussen een goede kritiek en een goede verkoop. En met alle praatprogramma's waarin schrijvers hun bedoelingen in Jip en Janneke-taal voor het voetlicht mogen brengen, lijkt de vermaledijde criticus definitief tussen de coulissen te verdwijnen.

Een misvatting, zo blijkt als je met Lisa Kuitert doorpraat over de oratie die ze vrijdag uitsprak bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de Boekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. ,,Het klopt dat recensenten verkoopcijfers nauwelijks omhoogstuwen'', zegt ze. ,,Maar hun invloed op de productie van de Nederlandse literatuur is groot: zij dragen ertoe bij dat er magazijnen vol staan met onleesbare en onverkoopbare romans. Zij zijn medeverantwoordelijk voor het ontstaan van de hedendaagse subsidieschrijver.''

'De subsidieschrijver' - een betiteling zuurder dan de meeste beledigingen die critici naar hun hoofd geslingerd kregen - duikt in Kuiterts oratie pas op aan het slot van haar betoog, dat grotendeels in het teken staat van de relatie tussen geld en schrijverschap.

,,Ik heb proberen duidelijk te maken dat de boekwetenschapper een cultuurhistoricus is die inzoomt op een ogenschijnlijk onbelangrijk detail, maar zo interessante wetmatigheden op het spoor komt. Ik ben er bijvoorbeeld van overtuigd dat een grondige geschiedenis van de positie van de beroepsschrijver en zijn inkomen een heel ander licht zou werpen op de literatuurgeschiedenis.''

,,Zo is de negentiende eeuw berucht om haar breedsprakige, historische romans. De eindeloze hoeveelheid uitweidingen, bijvoeglijke naamwoorden en andere beschrijvingen is gedeeltelijk te verklaren uit de onbekendheid van de lezer met de beschreven wereld. Er bestond geen televisie, 'couleur locale' was noodzakelijk om een roman tot leven te brengen. Lezers genoten ervan.''

,,Maar het is ook goed te beseffen dat schrijvers in die tijd betaald kregen per hoeveelheid kopij. Dat was nieuw. In de achttiende eeuw beschouwde men een tekst als het eigendom van de uitgever, hij had geïnvesteerd in papier, inkt, distributiekanalen. De schrijver gebruikte slechts zijn hersens en zijn kennis van het woordenboek - veel te weinig om te kunnen spreken van geestelijk eigendom.''

Na de Franse revolutie veranderde men van gedachten. Iedereen kreeg rechten en dus ook de schrijver. In 1817 trad de wet op het kopijrecht in werking, waarin werd vastgelegd dat de auteur als eerste gerechtigd was zijn werk te vermenigvuldigen en te exploiteren. Kuitert: ,,Schrijven werd een broodwinning, en er kwam meer brood op de plank als de boeken dikker waren. Zevendelige series als die van Voskuil waren destijds geen uitzondering. Een korte novelle leverde veel minder op.''

De broodschrijver deed zijn intrede. En met de broodschrijver de aversie tegen de broodschrijver. ,,Dat zie je bij de Tachtigers. Ook de literatuur die zij voorstonden heeft te maken met hun positie als schrijver. Nadat in 1881 de wet op het kopijrecht vernieuwd werd, is er eindeloos gediscussieerd over het inkomen van de schrijver. Niet door de Tachtigers, zij distantieerden zich van de broodschrijver, richtten zich met opzet op een kleine markt. 'Poëzie is een zaak voor weinigen', zei de dichter Willem Kloos in 1882.''

,,Het weerbarstige werk van de Tachtigers week sterk af van dat van de populaire broodschrijver. Maar ook de Tachtigers moesten brood op de plank krijgen, en dus verzonnen ze andere manieren om aan de kost te komen. Herman Gorter werd leraar. Geen succesvolle, zoals blijkt uit het logboek van zijn school: 'Gorter: vergeten les te geven.' ''

,,Lodewijk van Deyssel ontwikkelde zich tot een echte zakenman die zichzelf wist te verkopen. Net als de impressionistische schilders creëerde hij een mythe rondom zijn schrijverschap waarmee hij de steun van mecenae probeerde te verwerven. Hij epateerde de bourgeois, en hoopte zo de burgers nieuwsgierig te maken. Het werkte, hij kon van de pen leven, en tegelijkertijd afstand bewaren tot de broodschrijvers, die zich moesten richten op het grote publiek.''

Krijg je op deze manier twee soorten literatuur: de kunstzinnige met een grote L en de veelgelezen broodboeken?

,,Ja. Volgens de onlangs overleden socioloog Pierre Bourdieu ontstaan er in de negentiende eeuw twee markten: één waarbinnen de verkoopcijfers het zwaarst wegen en één waar het oordeel van medekunstenaars, critici, en tegenwoordig subsidieverstrekkers van doorslaggevend belang is.''

,,Bourdieu heeft aangetoond dat deze tweede markt niet te vergelijken is met de koffiemarkt of de huizenmarkt. Dat komt doordat het product zo moeilijk op waarde is te schatten: bij kunst draait het altijd om ideologie, niemand weet precies wat kunst is, elke mening over kunst is subjectief.''

,,Om het verschil tussen die markten uit te leggen, gebruik ik tijdens college vaak een onderzoek waarbij mensen langs de deur gingen met een product. Bij de één houdt men een Renoir omhoog en zegt: 'Goedendag, wij zijn van Openbaar Kunstbezit, wat vindt u van dit schilderij?'. Bij de buurman zegt men: 'Goedendag, wij zijn van Dreft en kunnen u deze reproductie aanbieden, wat vindt u ervan?' Het verschil in waardering laat zich raden. Zij die ondervraagd waren door het Openbaar Kunstbezit reageerden opgetogen: 'Prachtige kunst, fantastisch'. Het plaatje van Dreft werd minder op prijs gesteld: 'Dat zal wel niks wezen, ik hoef het niet'.''

,,Dit voorbeeld illustreert dat de instituties bepalen wat kunst is. Recensenten zijn zo'n institutie. Zij maken kunst, hoe onzeker ze ook zijn, hoe bang ze ook zijn een meesterwerk te missen. En naarmate een werk vernieuwender is, is het lastiger op waarde te schatten. Terecht meende Bourdieu dat instituties geneigd zijn vernieuwingen hoog te waarderen. En die drang naar vernieuwing heeft geleid tot boeken vol interpretatielagen, perspectiefwisselingen, tot vage, ongrijpbare boeken waar de lezer geen touw aan kan vastknopen.''

Zo ontstond de hermetische literatuur?

,,Dat vind ik eufemistisch uitgedrukt. Zo ontstonden er verliteratuurde, onleesbare boeken.''

Is het alleen uit angst iets nieuws te missen dat de criticus dit soort boeken positief bespreekt?

,,Nee. Schiet me ineens een anekdote te binnen uit mijn studententijd. We bespraken het werk van Vasalis, toch geen lastige dichter. Vraag van de docent: wat heeft de auteur bedoeld? Ik antwoordde: 'Ik heb haar adres, zal ik haar een brief schrijven?' Mis, helemaal mis. Het was de bedoeling zelf de intentie van de auteur te benoemen, wat inhield dat ik dus degene was die er betekenis in moest leggen. Dat is raar en interessant tegelijkertijd. Leuk ook, want als je erin slaagt door te dringen tot zo'n werk straalt dat op jouw ego af.''

Een criticus geeft de voorkeur aan een lastig boek omdat hij meer van zijn eigen slimheid in het te schrijven artikel kan leggen?

,,Een criticus is tijdens het schrijven van een recensie ook bezig met het schrijven van een mooi stuk, waarin hij meer stopt dan alleen zijn mening over het boek. Als het dan dankzij de slimheid van de criticus een mooi artikel wordt, kun je wel eens ten onrechte denken dat het boek ook zo goed is.''

Maar als het positieve oordeel van de criticus over dit soort moeilijk te interpreteren, 'onleesbare boeken', de verkoopcijfers nauwelijks omhoog stuwt, hoe kan hij dan van invloed zijn op de productie van literatuur?

,,Ook dat heeft onder meer te maken met de positie van auteurs. Na allerlei getouwtrek over het inkomen van de schrijver is in 1965 het Fonds voor de Letteren gesticht. Dit fonds had aanvankelijk niet zoveel in de melk te brokkelen, maar het is inmiddels uitgegroeid tot een forse schatkist met jaarlijks zo'n 5 miljoen euro te besteden. Hoewel het systeem nu herzien wordt, kun je zeggen dat het fijnmazig is en voorziet in subsidies voor beginnende en gevorderde schrijvers. Zo'n financiële regeling heeft er in de geschiedenis van de letteren nooit eerder bestaan. Dit moet gevolgen hebben gehad voor de productie van literatuur.''

Welke?

,,Er zijn mensen die zijn gaan schrijven om subsidies te verkrijgen. Niet alleen omdat ze er een inkomen mee weten op te bouwen, maar vooral omdat een subsidie van het Fonds je een literaire status geeft. Als het Fonds jouw werk subsidiewaardig vindt, dan heeft het dus 'kwaliteit'.''

Hoe bepaalt het Fonds dat?

,,Er zijn adviescommissies.''

Wie zitten daar in?

,,Docenten, schrijvers, recensenten, mensen die er beroepsmatig mee bezig zijn. Ik heb zelf ook in zo'n commissie gezeten. Het is lastig een boek te beoordelen, maar het is niet voldoende te opperen dat een roman leest als een trein. Voor subsidietoekenning moeten er literaire kwalificaties op kunnen worden gedrukt. Dat is ingewikkeld, en al doende merk je snel dat er in zo'n commissie een hiërarchie ontstaat.''

Bovenaan staat de recensent?

,,Meestal wel. Hij heeft het meeste gelezen, hij heeft het beste vergelijkingsmateriaal.''

De recensent bepaalt wie subsidie krijgt om boeken te schrijven die de recensent zelf mooi vindt - een dubieus cirkeltje. Maar waarom doorbreken de uitgevers dit cirkeltje niet? Zij zijn niet verplicht boeken uit te geven die slecht verkopen?

,,Uitgevers zijn geen critici. Ze zeggen dat ze alleen uitgeven wat ze goed vinden maar geloof nooit een uitgever, zij hebben geen mening, zij spreken namens de uitgeverij. Zij vinden het vervelend auteurs kwijt te raken, en dus moeten ze af en toe mislukte boeken uitgeven. Trouwens, waarom zouden ze een auteur aan de kant zetten die in de pers goed besproken wordt en bovendien subsidie toegewezen krijgt door het Fonds voor de Letteren? Ook zij houden de productie van onleesbare boeken in stand.''

Kan het anders?

,,Als je in Amerika een boek bespreekt, krijg je drie vragen voorgelegd. A: Ken je de schrijver? B: Heb je belang bij zijn of haar werk? C: Heeft de besproken auteur er bezwaar tegen dat jij het recenseert? Moet je een van die vragen bevestigend beantwoorden, dan mag je het boek niet bespreken. In Nederland zou zo'n systeem betekenen dat alle critici ontslag moeten nemen.''

Dat kan dus niet.

,,Nee. Nederland is te klein, ons taalgebied is te klein. Denk niet dat ik oplossingen aandraag voor deze situatie. Ik analyseer. Ik probeer te achterhalen hoe het komt dat er in Nederland een calvinistisch literair klimaat heerst, waarin romans moeilijk moeten zijn, stug, vervelend. Als je die vraag hebt beantwoord weet je ook hoe het subsidieproza totstandkomt waarmee de magazijnen vol staan.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden