Het succes van het hbo heeft zijn keerzijde

Het hbo ligt sinds de problemen bij Inholland onder vuur. Hogescholen zouden veel te grote onderwijsfabrieken zijn waar de anonieme leerling geen kennis, maar slechts vaardigheden wordt bijgebracht. Is die kritiek terecht?

RICUS DULLAERT

Roze druppels sijpelen naar beneden van het logo van Inholland, en besmetten het donkerpaarse embleem van de Hogeschool van Amsterdam (HvA). 'Bang voor Inholland-taferelen op de HvA?' De advertentie die de Amsterdamse studentenvakbond Asva onlangs in hogeschoolblad Havana plaatste, laat niets aan duidelijkheid te wensen over. De oplossing van de vakbond: Studenten, laat je horen in medezeggenschapsraden.

Stemmingmakerij? Misschien. Maar de vergelijking tussen het in opspraak geraakte Inholland en de HvA komt niet uit de lucht vallen. Beide zijn grote hogescholen waar tienduizenden studenten rondlopen. En bleef het studentenaantal op Inholland rond de 34.000 hangen, de HvA kende een enorme groei. In vijf jaar tijd ging het van 33.000 naar 42.000 studenten.

Die tienduizenden studenten zijn niet, zoals bij Inholland, verdeeld over meerdere steden, maar zitten allemaal in Amsterdam, op locaties met duizenden studenten. De HvA is sinds enkele jaren de grootste hogeschool van Nederland. Het einde van de groei is nog lang niet in zicht, zeker niet nu studenten van Inholland overstappen naar de HvA.

Het is daarmee een goede plek om twee belangrijke punten te onderzoeken uit de storm van kritiek op het hbo, die losbarstte nadat op Inholland diploma's ten onrechte werden afgegeven. De eerste: schaalvergroting. Inholland is volgens Kamerlid Jasper van Dijk (SP) 'een onwerkbare leerfabriek': "Het bestuur heeft totaal geen contact met de werkvloer. De problemen met hoge declaraties, diplomafraude en intimidatie van docenten zijn het onvermijdelijke gevolg." Opknippen en opnieuw beginnen, concludeerde PVV-parlementariër Harm Beertema.

Een tweede doorn in het oog van critici is het gebrek aan kennis dat hbo-afgestudeerden hebben. De boosdoener is in hun ogen het competentiegericht onderwijs, waar vaardigheden centraal staan en kennis naar de achtergrond verdrongen zou zijn. 'Google-onderwijs', oordeelt Beertema. In hoeverre hebben de critici gelijk? Zucht het hbo echt onder schaalvergroting en competentiegericht onderwijs?

Eerstejaars accountancy Djuri van Leeuwen (19) heeft college op de Leeuwenburg, een oud gebouw vlakbij het Amstelstation. Hij vindt het er maar chaotisch aan toegaan. "Roosters kloppen niet of veranderen op het laatste moment. Vorig blok hadden we een dag per week opeens vrij; door verkeerde planning hadden ze een vak doorgeschoven naar dit blok, waardoor we het nu extra druk hebben. Een gepland bedrijfsbezoek ging op het laatste moment niet door, zulke dingen."

Over de kwaliteit van het onderwijs zelf is hij wel te spreken. "We hebben genoeg college, en bij werkcolleges zitten we met een groep van twintig, niet te groot dus. Hoewel de hoorcolleges wel vaak leeglopen. Aan het eind van het blok komt de helft niet meer opdagen."

Maar ja, dat is de ervaring van één kritische student op één opleiding. Het blijkt lastig iets te zeggen over 'de' HvA met haar 73 opleidingen en 42.000 studenten. Net zoals het onmogelijk is zinnige uitspraken te doen over de kwaliteit van onderwijs op Inholland, of het niveau van 'het' hbo in het algemeen. Het is simpelweg te groot, te massaal. De vraag rijst of dat niet ook geldt voor het besturen van zo'n hogeschool. Gaan schaalvergroting en onderwijs wel samen?

Ja, zegt Jet Bussemaker, oud-staatssecretaris van volksgezondheid en sinds maart rector van de HvA. "Een grote hogeschool met flinke groei is op zich niet erg. Het hangt ervan af hoe je het inricht. De kunst is het zo te organiseren dat een student gemist wordt als hij een paar weken zijn gezicht niet laat zien." Dat is volgens student Van Leeuwen op zijn opleiding gelukt. "Iedereen heeft een persoonlijke begeleider die hij in principe elke week ziet."

Toch, moet ook Bussemaker toegeven, lopen bepaalde opleidingen binnen de HvA wel degelijk risico vanwege de (te) snelle groei. "De studie media, informatie en communicatie bijvoorbeeld groeide zo hard dat de onderwijskwaliteit in het geding kwam. Daarom hebben we dit jaar een studentenstop ingesteld." Ook economische studies zagen de studenten afgelopen jaren in groten getale binnenkomen. Bussemaker: "Zoals commerciële economie en bedrijfseconomie. Daar hebben we nog geen studentenstop, maar het zijn wel opleidingen waar we ons zorgen over maken. We hebben daar een verbeterslag te maken."

Peter Fonkert, docent én lid van de medezeggenschapsraad van economie & management, zag ze komen, de studenten. Sinds 2003 geeft hij entrepreneurship en corporate finance. Toen nog aan de HES, die al gauw fuseerde met de Hogeschool van Amsterdam. De economiestudies werden verhuisd naar een gloednieuw gebouw, de Fraijlemaborg vlakbij station Amsterdam Bijlmer Arena. "Gebouwd voor vijfduizend studenten", zegt Fonkert. "Nu staan er achtduizend ingeschreven."

Fonkert laat de prachtige lichte serres in het gebouw zien, zalen van vier verdiepingen - die echter niet voor onderwijs gebruikt mogen worden, omdat dat tegen de bedoelingen van de architect indruist. Het HES-café, waar hoogstens honderd man in passen en dat om half vier 's middags de deuren sluit. En de computerzalen, waar op dagen wanneer bijvoorbeeld papers moeten worden ingeleverd, lange rijen voor de printers staan. Het moge duidelijk zijn: het in 2004 in gebruik genomen gebouw zit overvol.

Vervelend. Maar staat een gebrek aan voorzieningen en volle collegezalen gelijk aan een gebrek aan onderwijskwaliteit? Niet per se, zegt Fonkert. "Natuurlijk moeten studenten goed plannen, en kan een rij voor de printer niet als excuus dienen voor een te laat ingeleverde opdracht."

Maar de massaliteit heeft wel degelijk gevolgen voor de motivatie van studenten, denkt Fonkert. "Het management zegt aan het begin van een semester: volle zalen? Wacht maar een paar weken, dan is dat probleem wel opgelost. En dat klopt, want dan komt een deel van de studenten gewoon niet meer opdagen. Maar wat voor studenten dat zijn weten we niet. Zijn het sterke studenten die de colleges niet zo nodig hebben? Of zijn het juist zwakke studenten die de handdoek in de ring gooien?"

Wie is de boosdoener? De schaalgrootte of de snelle groei? Dat laatste, zegt Frans Leijnse, hoogleraar onderwijs en arbeidsmarkt aan de Open Universiteit en oud-voorzitter van de HBO-raad, de vereniging van hogescholen. "Een verband tussen schaalgrootte en onderwijskwaliteit is nooit aangetoond. Of er 40.000 of 4000 studenten op een hogeschool rondlopen, maakt niet uit." Wel, aldus Leijnse, hoe snel opleidingen binnen zo'n hogeschool groeien. "Als er veel studenten bij komen, krijg je klachten over volle zalen en weinig docenten."

Grote instellingen lopen echter het risico om 'gezichtsloos' te worden. Leijnse: "Studenten zijn eerder tevreden over een hogeschool met een eigen identiteit. Zoals de Christelijke Hogeschool Ede. Inholland maar ook de HvA hebben dat toch minder."

Als schaalgrootte niets uitmaakt voor de onderwijskwaliteit, waarom blijft de tegenstand tegen grote 'onderwijsfabrieken' dan zo hardnekkig? Vage nostalgie naar vroeger, noemt Leijnse die houding. "Die mensen vergeten dat sinds de jaren zestig een grote groep arbeiderskinderen naar de hogeschool en, in mindere mate, de universiteit is gegaan. Dat is enorme winst. Eigenlijk is de weerstand tegen de toegang van meer mensen tot het hoger onderwijs nauw verholen elitarisme. Dat zie je nog steeds, vooral op de universiteiten: hoe kunnen we mensen die niet bij onze cultuur horen buiten de deur houden?"

Andere hbo-critici leggen niet de schuld bij de schaalvergroting, maar bij de inhoud van de colleges op hogescholen. Die schiet te kort sinds het competentiegericht onderwijs is ingevoerd, dat minder nadruk op kennis legt en meer op het leren van vaardigheden. De kritiek, kernachtig: 'Studenten leren niks meer op de hogeschool tegenwoordig.'

Leijnse heeft ook voor dit argument weinig begrip. "Dat hele competentiegericht onderwijs is juist ingevoerd onder druk van de werkgevers. Die wilden dat afgestudeerden minder op de theorie en meer op de praktijk gericht zouden zijn. Kennis veroudert snel, was het idee, vaardigheden niet." Leijnse moet toegeven dat de slinger te ver is doorgeslagen richting de vaardigheden. "Er is geconstateerd dat de basiskennis van studenten tekortschiet. Nu gaan we terug richting meer kennis."

Docent Fonkert ziet ondertussen in de praktijk wel dat het competentiegericht onderwijs risico's met zich meebrengt. "Kijk, bij multiple-choice tentamens is het niet zo erg", zegt Fonkert. "Dan heb je veertig kennisvragen, waar je maar één correcte berekening op kunt loslaten. Bij projecten, die veel voorkomen in het compentiegericht onderwijs, ligt dat anders. Projecten zijn nooit hetzelfde, je kunt geen brede objectieve maatstaf vaststellen."

Daarnaast, zegt Fonkert, werken studenten bij een project meestal in groepjes. "Je ziet dan liftgedrag ontstaan. Twee sterke studenten doen al het werk, de derde profiteert daarvan. Als het echt de spuigaten uitloopt, kunnen de overige twee studenten daar wel een klacht over indienen, maar dat gebeurt alleen in extreme gevallen."

Zelfs onderwijs door projecten hoeft op zich geen probleem te zijn, als de docent genoeg tijd heeft om studenten te begeleiden en zo weet wat voor vlees hij in de kuip heeft. Dat blijkt niet altijd de realiteit in de hectiek van een hogeschool met flinke groei, bleek al uit een rapport van de Onderwijsinspectie uit 2005, over - weer - Inholland. Studenten klaagden dat ze geen begeleiding bij hun projecten kregen omdat docenten te druk waren.

Noch schaalvergroting, noch compententiegericht onderwijs lijkt verantwoordelijk voor slecht onderwijs op het hbo. Maar op een opleiding die flink is gegroeid én waar veel met projecten gewerkt wordt, kan het gebeuren dat een student er jarenlang doorheen glipt.

Tot en met het eindwerkstuk: de afstudeerscriptie. Dan blijkt pas echt wat studenten kunnen, zegt Fonkert. "Je hebt studenten erbij zitten die het fantastisch doen. Maar er zijn er ook waar ik aan vraag: wat heb je in godsnaam gedaan de afgelopen jaren? In dat geval is het lastig een scriptie te beoordelen." In zulke gevallen is het ook belangrijk dat de examencommissie, die de kwaliteit van de eindwerkstukken moet bewaken, in orde is. Bij Inholland en vele andere hogescholen is dat niet het geval, bleek uit het rapport van de onderwijsinspectie.

Idealiter weigert de examencommissie vervolgens een diploma te verstrekken aan een student wiens scriptie onder de maat is. Fonkert vindt dat echter niet eerlijk, als iemand al jarenlang studeert zonder dat de hogeschool aan de bel heeft getrokken. Uiteindelijk, denkt Fonkert, zegt het diploma niet alles. "Je moet bij een sollicitatiegesprek gewoon goed kijken en testen wat een toekomstige werknemer in zijn mars heeft."

Leijnse is het met Fonkert eens dat het moreel lastig is studenten in het zicht van de haven hun diploma te ontzeggen. "Die genadezesjes, die zijn van alle tijden, in elke onderwijssoort. Het is ook niet erg; in een systeem waar elk jaar meer dan 60.000 studenten afstuderen, zitten er altijd een paar van die gevallen bij. Het is pas erg wanneer er, zoals gebeurd is, door de hogeschool op aangestuurd wordt."

Dat dat bij een enkele hogeschool het geval is geweest, is volgens Leijnse geen vrijbrief voor de politiek om van bovenaf het hele hbo aan te pakken, zoals Zijlstra nu doet. "Centrale toetsen, scherpere controle; als je niet bereid bent je te realiseren dat het onderwijs een dynamisch proces is, dat er daarbinnen geen harde garanties bestaan, dan leef je in de verkeerde tijd. Jozef Stalin is dood."

VVD en het toezicht op het hbo
Strenger toezicht op het hbo door de onderwijsinspectie. Dat moet er gebeuren, vindt staatssecretaris Zijlstra (onderwijs, VVD), om het vertrouwen in het hbo te herstellen. De onderwijsinspectie speelt tot nu toe nauwelijks een rol in het toezicht op universiteiten en hogescholen. Dat wordt gedaan door commerciële bureaus, die de instellingen zelf inhuren. Verbazingwekkend, vond Zijlstra vorige maand in 'Knevel en Van den Brink'.

Ook uitte hij zijn ongenoegen over de autonome positie van de hogescholen en universiteiten. Zijlstra: "Dat is de politiek in bredere zin aan te rekenen. We hebben als overheid te veel vrijblijvendheid toegestaan."

Toch had Zijlstra - die zelf als Tweede Kamerlid namens de VVD lange tijd het hoger onderwijs in zijn portefeuille had - daar niet zo van op hoeven kijken. Het was zijn partijgenoot Loek Hermans die als minister in het kabinet-Kok II de commerciële bureaus een rol gaf in het toezicht op het hoger onderwijs. Tot dan toe hadden de verenigingen van universiteiten (VSNU) en hogescholen (HBO-raad) hele afdelingen om de kwaliteit van opleidingen te beoordelen. Niet onafhankelijk genoeg, vond de minister. Commerciële bureaus zouden die onafhankelijkheid wel kunnen bieden.

In 2005 was een andere VVD'er, de toenmalige staatssecretaris van onderwijs Mark Rutte, nog onder de indruk van het werk van de commerciële visitatiecommissies. 'Een essentieel onderdeel (...) is dat de instelling geregeld alle opleidingen laat beoordelen door externe deskundigen en de resultaten daarvan publiceert. Hierdoor blijven de resultaten van inhoudelijke kwaliteitszorg behouden', schreef hij aan de Tweede Kamer.

Niet zo gek; uit een onderzoek van de onderwijsinspectie bleek dat er voldoende onafhankelijkheid bestond tussen de commissies en de opleidingen die ze moesten beoordelen. Zes jaar later is het tij gekeerd. Nu moet, ook volgens VVD'er Zijlstra, de overheid een grotere rol spelen.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden