'Het spijt me hoor, maar u klinkt nogal vooringenomen'

NRC Handelsblad, het resultaat van een fusie tussen de Nieuwe Rotterdamse Courant en het Algemeen Handelsblad, is morgen precies 25 jaar oud. De gezaghebbende avondkrant richt zich, volgens de beginselverklaring van 1970, op 'een publiek dat bereid is na te denken'. Maar datzelfde publiek kan soms 'reusachtig gepikeerd zijn over de berichtgeving in de krant', schrijft hoofdredacteur Ben Knapen in de jubileumbundel 'Door onze redacteuren'. Daarom maakte de redactie in de afgelopen twee weken voor het eerst kennis met de lezers. 'Meet The Press' heetten de vijf bijeenkomsten. Maar het was ook: 'Meet The Reader'.

De redactie van het voormalige communistische dagblad De Waarheid peilde op lezers-bijeenkomsten regelmatig de mening van de achterban. Dan kregen ze er flink van langs. Dìt stuk was niet goed, en dàt niet. En als de redactie daar nou niet snel mee ophield, dan zou er wat zwaaien. 'Gewone' kranten wagen het zelden hun lezers in het echt te ontmoeten.

Natuurlijk kent de journalist van een regionale krant zijn lezers wèl: die krijgt bij de bakker en de slager om de hoek wel te horen wat er allemaal niet deugt. En vroeger, toen Nederland nog echt verzuild was, wist iedere lezer een manier te bedenken om 'zijn' redactie te benaderen. Tegenwoordig echter bestaat het belangrijkste contact tussen een landelijke krant en haar lezers uit ingezonden brieven, opzeggingen of lezersonderzoeken.

De redactie van NRC Handelsblad ging de confrontatie aan. De lezers, uitgenodigd door middel van een invulbon in hun eigen krant, kwamen in groten getale opdagen. Behalve op de dag dat Ajax op tv was. Toen bleef de helft van de stoelen onbezet. Op iedere bijeenkomst bleek de gemiddelde NRC-lezer flink op leeftijd, geleerd en geïnteresseerd. Voor het overige waren ze overal weer anders, net als de afvaardiging van de redactie. Die was soms hooghartig, soms vriendelijk en zachtaardig. Zo was het ook met de lezers.

Meestal waren ze saai, maar in Breda werden ze plotseling boos. “Ik zat tijdens dat betoog van u te wachten op het moment dat u gaat bekennen dat u over een bijstandsmoeder heeft geschreven.”

De serie avonden begint in Utrecht. Het is 20 september, de dag na de opening van het Nederlands Filmfestival. In het restaurant van Polman's Huis zitten Willeke van Ammelrooij en Marco Bakker met vrienden te eten. Het is ook de dag dat bekend wordt dat NRC Handelsblad, als onderdeel van de Dagbladunie, hoogstwaarschijnlijk wordt opgekocht door Perscombinatie/Meulenhoff.

Boven, in een zaaltje, staan honderdtwintig stoelen. Het is er bomvol, met naast het overwegend mannelijke publiek-op-leeftijd veel jongeren. Studenten van de School voor Journalistiek en Voorlichting, die in de Domstad zetelt.

Alle bijeenkomsten hebben een thema. In Utrecht is dat: 'Noteert of dirigeert de journalist?' Maar, zo staat uitdrukkelijk in de uitnodiging, wie ergens anders over wil praten mag dat doen. De redactie is bereid alle vragen te beantwoorden. Achter de tafel zitten drie buitenlandredacteuren: Hans Steketee, Robert van de Roer en Michel Kerres. Gijsbert van Es is er namens de redactie binnenland, maar ook als voorzitter van de redactieraad. Panelleider Mark Kranenburg hoeft zijn functie nauwelijks aan het publiek uit te leggen. Hij is commentator, dat weet iedereen. Kranenburg houdt een kort betoog over de invloed van journalisten op processen in de samenleving. Hij kan zich voorstellen dat de lezers het, gezien de jongste ontwikkelingen, liever over De Overname willen hebben, maar dat blijkt een verkeerde inschatting. Het interesseert het publiek bitter weinig. Pas na anderhalf uur wordt er een vraag over ge-steld. Nee, de NRC-lezers zitten met veel prangender vragen, zoals: “Waarom maakt u een krant onder de noemer lux et libertas, en schrijft u dan toch een commentaar waarin u de lezers vertelt wat zij van het nieuws moeten vinden?”

Maar ook de redacteuren zitten met een probleem. “Vinden jullie dat wij te veel over Bosnië schrijven?” Het publiek staat versteld en antwoordt bij monde van een lezeres: “Hoe kunt u nu spreken van te weinig nieuws uit Bosnië?” En een studente van de School voor Journalistiek wil weten of “jullie er altijd zo netjes uitzien en hoeveel vrouwen er eigenlijk bij NRC Handelsblad werken.” Er wordt gesproken over selectie van het nieuws, over de invloed van televisie en over Internet. Dan pas vraagt iemand naar het actuele nieuws: De Overname. De voorzitter van de redactieraad gaat er eens uitgebreid voor zitten. “Nee, we zijn niet blij”, zegt Gijsbert van Es. “Maar we hebben geen keus, en van de alternatieven is Perscombinatie het beste. Toch zitten daar veel nadelen aan. Wij vinden pluriformiteit eigenlijk een ouderwets begrip, dat uit een verzuilde samenleving stamt. Je kunt een krant niet ten koste van alles blijven steunen. Wij zijn ten enen male niet van plan om het noodlijdende Parool te onderhouden. Daar-om eisen wij ook zeggenschap in de raad van commissarissen.” Of er daadwerkelijk enige kans is op een zetel in die raad van comissarissen kan Van Es niet vertellen. “Daarvoor moet u bij de directie zijn.” “Dat is toch helemaal niet interessant...”, gromt af en toe een Haarlemse lezer.

Het is een dag later en de avond staat weer in het teken van De Overname. Een groot deel van de lezers vindt het wèl een interessant onderwerp. “Waarom bent u niet zelfstandig verder-gegaan?”, vraagt iemand. Een ander wil weten of de suggestie van een lezer in de brieven-rubriek, dat iedere NRC-lezer tweeduizend gulden zou moeten betalen voor de instandhouding van zijn krant, ooit serieus genomen is. Beide opties, weet de redactie, zouden in de praktijk onhaalbaar zijn. De eerste mislukte, omdat uitgever NDU niet mee wilde doen, de tweede zou ongeoorloofde afhankelijkheid kweken.

Dat er in Haarlem over gesproken wordt, komt door kunstredacteur Raymond van den Boogaard. Die begint erover, meteen in zijn openingstoespraak. “Het is vanavond een merkwaardige en een beetje een ongemakkelijke avond”, zegt hij. “We hadden hier met u een feestje willen vieren ter gelegenheid van ons 25-jarig bestaan, maar dezer dagen worden de gedachten ter redactie veeleer bepaald door de verkoop van onze krant. De waarschijnlijke koper is niet de slechtste. Toch maken wij ons zorgen om onze positie binnen de structuur van de nieuwe uitgever.”

En hij vervolgt: “Het is om een tweede reden een vreemde avond. Hier zitten, voor het eerst in 25 jaar, twee machten tegenover elkaar. Wij kennen u niet, terwijl we toch voor u schrijven. Slechts weinigen onder u bellen of schrijven ooit naar ons. Natuurlijk kennen wij onze vaste querulanten, maar zo zijn vast niet al onze lezers.” Ook in Haarlem zitten vijf NRC-redacteuren voor een volle zaal, boven restaurant 'De Componist'. Het kan niet de slechtste gelegenheid van de stad zijn. Een glas bier kost er vier gulden. Deze avond is officieel gewijd aan 'de onderzoeksjournalistiek'. Naast Van den Boogaard zijn de onderzoeksjournalisten Marcel Haenen en Tom Jan Meeus, binnenlandredacteur Margot Poll en Tom Rooduijn, verantwoordelijk voor de bijlage 'Agenda', aanwezig.

“Onderzoeksjournalistiek”, vertelt Marcel Haenen, “bedrijven maar enkele journalisten in Nederland. Het is veel werk, levert weinig resultaat op. In de onderzoeksjournalistiek werkt men met tips, tipgevers en anonieme afspraken in wegrestaurants teneinde zaken boven tafel te krijgen die niet tot de waan van de dag behoren.”

'U kan me wat', mompelt een 77-jarige aanwezige. “Die onderzoeksjournalistiek deugt helemaal niet. Ik heb u een doorwrocht artikel gestuurd over het revanchisme van Kroatië en dat heeft u nooit afgedrukt.” De man zwijgt pas als hij de toezegging krijgt dat nogmaals naar zijn ingezonden stuk gekeken zal worden. Later zal blijken dat hij behoort tot die groep van vaste 'querulanten' waar Van den Boogard in zijn inleiding over sprak. Want niet alleen in Haarlem, ook een week later in Amersfoort spreekt de man veelvuldig over zijn gecensureerde bijdrage. Dat hij niet in Utrecht was kwam door ziekte, verontschuldigt hij zich nog.

VERVOLG OP PAGINA 4

'In het algemeen trekken we ons weinig aan van de lezer' VERVOLG VAN PAGINA 1

Met uitzondering van deze abonnee zijn de meeste lezers te Haarlem oprecht benieuwd naar de werkwijze van onderzoeksjournalisten. “Wat doet u als blijkt dat de informatie die u krijgt gestolen is?”, “Betaalt u ook voor informatie?” en: “Hoe voorkomt u dat u misbruikt wordt door een bron?”. Totdat achterin de zaal een jongeman opstaat. “Het spijt me zeer hoor, maar ik vind dat u nogal zelfingenomen klinkt. Die onderzoeksjournalistiek van u, die ging toch ook over Wijers' belastingtrucs, waarvan later bleek dat ze volkomen geoorloofd waren?” Van den Boogaard: “We hebben gewoon de feiten gemeld.” En de karavaan trekt verder.

Dinsdag zijn vijf NRC-journalisten naar het verre Groningen gereisd. Een gérant wijst de weg naar de bovenzaal van 't Feithhuis aan het Martinikerkhof - een van de sjiekste zaken van de stad. In het zaaltje, tegen een spiegel die de hele wand vult, spreken de vijf redacteuren over 'De onmisbare krant'. De opwinding over De Overname is flink gezakt. 'Saai', noemen ze dat onderwerp nu, en 'uitgekauwd'. Het publiek bestaat uit geïnteresseerde, in vrijetijdskleding gehulde veertigers en (weer) studenten. Die laatsten volgen de academische opleiding journalistiek en nemen deel aan een verplicht uitstapje. De inleiding gaat deze avond over het belang dat zowel gezagsdragers als lezers bij een krant hebben. Het publiek neemt er nors zwijgend kennis van en schroomt vervolgens vragen te stellen. Het is een uitgelezen moment voor de studenten journalistiek om hun kennis van de praktijk wat bij te spijkeren. Ze willen ten eerste weten of het niet slecht is voor de journalistiek dat tegenwoordig overal maar voorlichters bij zitten. En waar een krant nu eigenlijk het nieuws vandaan haalt, wat doet een eindredactie eigenlijk?

De redacteuren Lolke van der Heide, Maarten Huygen, Kees van der Malen, Monique Snoeijen en Guido de Vries zijn welwillend, vriendelijk en aardig. Ze leggen het werk van de redactie uit. “'s Ochtends is er een redactievergadering, iedereen zegt welke stukken hij in de aanbieding heeft en de hoofdredacteur bepaalt wat er die dag op de voorpagina komt.” Een jonge lezer zegt de 'menselijke noot' te missen in de krant. Maar hij wordt meteen terechtgewezen door een andere abonnee: “De krant doet best veel aan de menselijke noot. Ze zijn nota bene net begonnen met een serie over de banen die jongelui krijgen als ze van het atheneum komen!”

De lezers stellen steeds meer vragen. Opnieuw gaat het over Internet, de televisie en nog heel eventjes over De Overname. Totdat iemand de dodelijke vraag stelt: “Wat doen jullie eigelijk met de uitkomsten van lezersonderzoeken?” Kees van der Malen, afkomstig van de Haagse redactie: “Wij werken niet als de televisie, met kijkcijfers. In het algemeen trekken wij ons weinig aan van de lezer.”

Het lijkt, de volgende avond in museum De Beyerd in Breda, alsof ze die opmerking hebben gehoord. Voor die bijeenkomst (op de tv speelt Ajax in de Champions League tegen Ferencvaros) hebben zich zo weinig mensen aangemeld, dat de verhuurder van de zaal zelf nog maar wat volk heeft uitgenodigd. Cultuurliefhebbers vooral, allemaal erg benieuwd naar het verhaal van de journalisten. Want op de uitnodigingen stond dat de avond zou gaan over 'Cultuur: de durf van een deftige krant'. Kunstredacteur Joyce Roodnat vertelt in een inleiding over haar werk. Over de dilemma's waar een kunstredacteur mee wordt geconfronteerd. Zoals een mooi schilderij, dat eigenlijk moet worden afgedrukt in de krant, maar waar blote borsten op te zien zijn. Of de vraag of een schilderij dat blijkens onderzoek in Frankrijk 'het mooiste schilderij' is (maar het is in feite afschuwelijke kitsch), wel op de voorpagina gezet mag worden. Folkert Jensma, verantwoordelijk voor het Zaterdags Bijvoegsel, voegt eraan toe dat de aanwezige lezers ook ongetwijfeld moeite hadden met die cover over liefdesverdriet. Of die voorpagina waar de lijnen van een papieren vliegtuigje op te zien waren. “Dat bent u niet van ons gewend. U denkt dat wij een deftige krant zijn.”

Nou, dat denken de aanwezigen helemaal niet. Belachelijk vinden ze het, dat besmuikte gedoe over zogenaamd gewaagde voorpagina's. “Het is verbijsterend dat u hier zo trots durft aan te komen met wat u allemaal wel durft. Ik vind dat u bijna niets durft”, zegt een aanwezige. En een ander schaamt zich bijna. Adjunct-hoofdredacteur Hubert Smeets wil het nog uitleggen. “Maar u moest eens weten wat voor brieven wij krijgen. Stapels, vooral over het kunstkatern. Aan die lezers wilden wij het uitleggen. Maar dat bent u kennelijk niet.”

De zaal blijft ontevreden, ook na dit antwoord. “Die brief-schrijvers, dat is waarschijnlijk maar een klein gedeelte van uw lezers”, legt een vrouw aan Smeets uit. En de zaaleigenaar ontploft bijna. “Hoe kunt u hier komen praten over durf, terwijl u zo loopt te kruipen voor een paar zielige brief-schrijvers? Trek u er niets van aan, dan zou u pas durf hebben. Die durf van u lijkt meer op het prikkelen van truttigheid.”

Van de feestelijk bedoelde stemming is weinig meer over. De bijeenkomst komt zelfs tot een voortijdig einde. De zaal is razend. Een veertiger gromt na afloop: “Als dit een bijeenkomst van de schoolkrant was geweest, of van De Stem, dan had ik het wel geaccepteerd. Maar van NRC Handelsblad, die ervan uitgaat dat zijn publiek nadenkt, verwacht ik zoiets niet.”

De journalisten, die ietwat geschrokken na afloop napraten, zeggen tòch tevreden te zijn. “Het was jammer dat de brief-schrijvers er niet waren, want daar had ik me op voorbereid. Maar het was toch een leerzame ervaring”, aldus Joyce Roodnat. Zo zouden ze zich in Amersfoort nooit gedragen.

In het prestigieuze Mariënhof, een tot restaurant (een couvert kost er 125 gulden) en conferentiecentrum verbouwd klooster, zitten ruim honderd bezoekers. Ze zijn beduidend ouder dan op de vorige avonden. Netter ook. Ze dragen pakken, stropdassen en rokken. Alles willen ze weten van het thema van die avond: 'De chaos in de wereld'. Hoe de krant daar orde in schept, maar ook of een krant soms niet zelf chaos in de wereld maakt? Misschien? Tijdens de komkommertijd bijvoorbeeld?

De lezers in Amersfoort zijn een schoolvoorbeeld van het 'denkende publiek' waar NRC Handelsblad zich 25 jaar geleden op zei te richten. “Kunt en wilt u ook aandacht blijven besteden aan een gebied dat niet langer in het brandpunt van de belangstelling staat?”, vraagt een lezeres. Ze is een van de weinige jongeren in de zaal, afkomstig van de Evangelische Hogeschool voor Journalistiek in Amersfoort. Een lezeres in een plooirok vraagt zich af of onderzoeksjournalistiek eigenlijk wel de taak is van een dagblad. Verschillende oudere heren complimenteren de krant, die ze allemaal al tientallen jaren lezen, met haar goede berichtgeving. Hoewel de één liever iets meer bedrijfsnieuws ziet, en de ander alléén een beurspagina wel voldoende vindt. Een derde beklaagt zich over de koppen boven de kwaliteitsartikelen. Die zijn vaak in slecht Nederlands gesteld, of vatten het bericht niet goed samen. Adjunct-hoofdredacteur Laura Starink antwoordt vriendelijk en welwillend op alle vragen. “De continuïteit van de berichtgeving is zeker een wonde plek”, zegt ze. “We proberen de dingen buiten de waan van de dag te blijven volgen, maar dat lukt lang niet altijd.” En die koppen, dat is inderdaad iedere keer weer een probleem. “Een bureauredactie, die de koppen maakt, moet dat snel doen en is gebonden aan korpsgrootte en kolombreedte. Maar iedere dag opnieuw zijn wij blij dat we het morgen beter kunnen doen.”

Soms geeft Starink het woord aan commentator Roel Janssen, of aan buitenlandredacteur Peter Michielsen. Maar de lezers luisteren het liefst naar haar. Daarom vragen ze haar nogmaals over haar ervaringen in de voormalige Sovjet-Unie, waar ze in een vorig leven correspondent was. “Hoe kwam u toen zo snel aan al die achtergrondinformatie over al die gebieden waar we nog nooit van gehoord hadden?”, wil een vrouw weten. “U was toch degene die op een paard door Rusland trok?”, mijmert een andere lezeres. Maar dat beeld is iets tè romantisch. “Te paard? Ik?”, lacht Starink. Twee wanklanken zijn er die avond. Een is er van een man die te laat komt. “Waarvoor mijn excuses. Maar ik verwacht van een kwaliteitskrant dat ze een routebeschrijving bijsluit. Ook van de binnenkant van dit gebouw. Deze zaal is toch onmogelijk te vinden?” Een andere klacht komt van een heer van 77 die wil weten waarom NRC Handelsblad nooit heeft geschreven over het revanchisme van de Kroaten.

Laura Starink vat de bevindingen van een week ontmoetingen met de lezers samen: “Als er behoefte aan is, zullen we zeker doorgaan met dit soort bijeenkomsten.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden