het slagveld van binnen

Soldaten die terugkeren uit oorlogsgebieden kampen vaak met gevoelens van schuld en schaamte ¿ ook als ze geen verwijtbare fouten hebben gemaakt. Volgens de Amerikaanse filosofe Nancy Sherman zijn dat geen persoonlijke lasten maar is het "de publieke prijs voor het uitzenden van onze soldaten."

Verhalen over oorlog gaan vaak over gevechten die op het slagveld worden uitgevochten. Dit verhaal gaat over het innerlijke slagveld. Hoe voelt oorlog voor soldaten? En wat zeggen die gevoelens over hun innerlijke strijd? Filosofen buigen zich niet vaak over dit thema. Maar de meeste soldaten voeren, onbewust, van binnen een morele oorlog.

Mijn belangstelling voor het onderwerp heeft waarschijnlijk zijn eigen onbewuste oorsprong. Ongeveer anderhalf jaar geleden overleed mijn vader. Toen ik in het ziekenhuis zijn spullen aan het opruimen was vond ik zijn dogtags (identiteitsplaatjes) in zijn broekzak. Hij had ze 65 jaar bij zich gedragen. Ik heb het nooit gemerkt, en hij heeft ze nooit echt laten zien. Zoals veel veteranen uit de Tweede Wereldoorlog was hij van een laconieke generatie. Zijn oorlog was een persoonlijke last, niet iets om met familie te delen; wat hij zag en deed in de oorlog hoorde niet bij een keurige conversatie.

Opmerkelijk is dat mijn vader arts was. Hij heeft nooit een wapen afgevuurd in de oorlog. Maar net als veel soldaten voelde hij zich persoonlijk verantwoordelijkheid voor zijn betrokkenheid bij de oorlog op een manier die de werkelijke morele rekenschap die hij hiervoor zou moeten afleggen ver oversteeg: door zichzelf verantwoordelijk te houden probeerde hij de hel die oorlog is een morele orde op te leggen. De identiteitsplaatjes waren zijn manier om aan dat morele gewicht van de oorlog vast te blijven houden. Hij was niet getraumatiseerd en kon over zijn gevoelens praten. Maar over de oorlog sprak hij niet. Wat hij had gedaan en gezien kon hij zich met die 'dogtags' toe-eigenen.

Misschien dat ik als zijn dochter, onbewust, het gevoel had te moeten begrijpen wat hij onuitgesproken liet. Ik moest die morele last van de oorlog delen. Het was niet alleen een last van de soldaat.

De tweede reden dat ik me in dit thema verdiepte is een stuk wetenschappelijker: er is nooit aandacht besteed aan de morele gevoelens van de soldaat. Filosofen hebben altijd belangstelling gehad voor het rechtvaardigen van oorlog. Maar ondanks een hernieuwde belangstelling voor de traditie van de rechtvaardige oorlog heerst over de morele contouren van de innerlijke strijd van soldaten een oorverdovende stilte.

We zijn geneigd te denken dat dit voer voor (klinisch) psychologen is, niet voor filosofen. Maar onderzoeken naar oorlogstrauma's, posttraumatische stresssyndromen en traumatisch hersenletsel (dat laatste hoort bij de huidige oorlogen die Amerika voert), beperken zich tot de soldaat als patiënt.

Het idee dat de emotie van de soldaat niet alleen zijn eigen last is, maar ook een publieke last - de prijs voor het uitzenden van onze soldaten naar oorlogsgebieden - wordt in een arts-patiënt relatie achter gesloten deuren over het hoofd gezien.

Wat ook onopgemerkt blijft is dat een pschologische wond vaak ook een morele wond is. Psychologische angst is ook morele angst. En dat soldaten ook schuld en schaamte ervaren als ze volgens de hoogste oorlogsnormen niets verkeerd doen - geen gruwelijkheden of oorlogsmisdaden begaan. Het zijn gevoelens die gepaard gaan met oorlog. Ze zijn alomtegenwoordig; elke goede soldaat draagt ze met zich mee, deels als getuigenis van zijn morele menselijkheid.

Ik heb me beziggehouden met een soort filosofische etnografie, geworteld in Aristoteles' beroemde methode van tithenai ta phainomena - het omvatten, begrijpen van de bijzonderheden - een vorm van casuïstiek die samenhangt met mijn training in psychoanalyse. Ik heb naar soldaten geluisterd, er zo'n veertig uitvoerig geïnterviewd. Hoe is het om het uniform aan te trekken, ingezet te worden, thuis te komen? Ik was benieuwd naar de morele emoties en conflicten die ze ondervonden.

Sommige soldaten spraken met mij over de omkering van ervaringen door het aantrekken van het uniform, over het uitkristalliseren van een nieuw soort identiteit en de worsteling om vast te houden aan de gevoeligheden van de burger in een van dood doordrenkte omgeving.

Wat mij het meeste trof bij het luisteren naar de soldaten was hun schuldgevoel. Schuld was de olifant in de porseleinkamer - voor de soldaten moeilijk om te uiten, maar hun gedachten zat er vol mee. Deze schuld nam drie vormen aan: ik noem ze schuld door toeval, schuld door geluk, en, bij gebrek aan een betere term: schuld door onbedoelde schade.

I Schuld door toeval
Sommige soldaten gaven zichzelf de schuld van falend materieel waardoor hun maten of onschuldige mensen omkwamen, ook al was er geen sprake geweest van slordigheid of nalatigheid, waarvoor ze moreel of juridisch aansprakelijk zouden kunnen worden gehouden.

Neem hem volgende, vreselijk pijnlijke geval. Een kanon van een tank schoot totaal de verkeerde kant op, waarbij het gezicht van een soldaat die vlak bij het voertuig op wacht stond, grotendeels werd weggeblazen. Het ongeluk was het gevolg van een verkeerd vervangen accu.

De verantwoordelijke officier, Prior geheten, reconstrueerde wat er gebeurd was. Hij vertelde elk detail zoals iemand die de scène talloze malen opnieuw heeft beleefd dat zou doen. "We waren met hem in de hospitaaltent. Het was een van de meest traumatische dingen die ik in mijn hele leven heb gezien. Te zien hoe iemands gezicht weggevaagd is, te zien dat alleen het onderste deel van zijn kaak nog bewoog... Hij kon niets zien, niets horen, niet schreeuwen... Ik bedoel: hij had geen ogen. Geen gezicht. Ik kan alleen proberen me in te denken hoe afschuwelijk de angst en de pijn waarin hij verkeerde moeten zijn geweest." Daarna sprak Prior over zijn verantwoordelijkheidsgevoel: "Ik ben degene die voor de veiligheid moet zorgen. [Zoals met] de meeste ongelukken zit ik nu niet in de gevangenis. Ik was niet verantwoordelijk voor alles...Je neemt een dozijn beslissingen tijdens een periode van twee maanden en geen daarvan springt er op dat moment echt uit. Maar elk van die beslissingen had anders genomen kunnen worden en dat had misschien zijn leven kunnen redden. Dus moest en moet ik in het reine zien te komen met de schuld dat ik hem in wezen zijn leven gekost heb... Er gaat geen dag voorbij dat ik er niet aan denk, op zijn minst vluchtig.''

Het woord 'spijt' is te zwak om de wanhoop of de diepte van het gevoel te vatten - de afschuwelijke zwaarte van zelfbeschuldiging, de empathie met slachtoffers en overlevenden, en de noodzaak om de boel moreel te repareren om weer terug te mogen komen in een gemeenschap waarvan deze soldaat vindt dat hij de reputatie beschadigd heeft.

Als deze officier zegt dat hij zichzelf niet 'voor alles verantwoordelijk' acht, bedoelt hij dat hij geen roekeloze blunder heeft begaan. Maar hij vindt nog niet dat hij helemaal moreel gezuiverd is. Hij zocht naar moreel herstel door een empathische, pijnlijke verbintenis te zoeken met de moeder van de omgekomen soldaat. Samen met zijn sergeant schreef Prior haar plichtsgetrouw een brief. Na die brief stuurde zij een tijd lang pakketjes naar de eenheid, vergezeld van brieven. "Oh het was verschrikkelijk", zei Prior. "Het was afschuwelijk. Het waren niet zomaar brieven over ditjes en datjes; het was het soort brief dat een moeder aan haar zoon schrijft." Voor deze moeder werden Prior en zijn eenheid de zoon die er niet langer was. "Het was haar manier om met het verlies om te gaan. En ik had de verantwoordelijkheid om te proberen haar iets terug te geven."

Opnieuw is het belangrijk te benadrukken dat het schuldgevoel van Prior over het ongeluk strikt genomen irrationeel is. Het voert niet terug op echt verkeerd handelen of misdadigheid. Het is een subjectief gevoel. Zo bezien kun je het ongepast vinden. Maar toch is het in moreel opzicht maar al te gepast. We begrijpen het en bewonderen Prior hierom. We zouden hem een veel minder capabele commandant vinden als hij dat wat er gebeurd is puur als een ongeluk zou beschouwen, als iets dat slechts op afstand met zijn eigen handelen te maken zou hebben. Het schuldgevoel legt iets vast dat moreel van betekenis is, iets dat markeert hoe diep zijn verbintenis met zijn troepen is en de morele rekenschap die hij aan hen heeft af te leggen, en aan zichzelf.

Natuurlijk kan een bewonderenswaardig schuldgevoel ook makkelijk pathologisch worden. Nietzsche is de moderne filosoof die dit zo goed begrijpt. 'Slecht geweten' kan een 'eindeloze marteling' worden, dat elk uitzicht op geluk wegvaagt. Dit subjectieve schuldgevoel, zegt hij, groeit niet waar je dat het meest verwacht, zoals in gevangenissen met echte 'schuldigen' die last zouden moeten hebben van wroeging over hun misdaden. Maar vaker is het een 'kwestie van iemand die schade, letsel heeft veroorzaakt' waarvoor hij niet echt verantwoordelijk is.

II Schuldgevoel over geluk
Veel soldaten met wie ik sprak ondervonden 'schuldgevoel over geluk' als een meer algemene vorm van 'schuldgevoel van de overlevenden'.

Het 'schuldgevoel van de overlevenden' is een relatief nieuw begrip, maar het fenomeen zelf is dat niet. Het werd in 1961 in de psychiatrische literatuur geïntroduceerd, en verwijst naar het zware schuldgevoel dat degenen die Hitlers genocide op de Europese Joden overleefden voelden. Wie overleefde voelde zich een 'levende dode'; en had de onbewuste overtuiging dat 'puur het in leven blijven een verraad was aan de doden'. Strik genomen is dit schuldgevoel niet rationeel, want het overleven van de Holocaust, of het slagveld, gebeurt doorgaans niet doordat een persoon een ander expres zijn plaats in laat nemen.

Het is vaak een kwestie van dom geluk dat een soldaat in leven blijft en tragische pech dat anderen omkomen. En toch hebben velen die dat geluk hebben het gevoel dat ze de anderen verraden - een verraad aan de solidariteit. Al hebben ze niets verkeerd gedaan, ze geven zichzelf de schuld om het noodlot te delen. Door het kwaad te delen verdring je het afschuwelijke gevoel van verraad.

Mariniers die ik sprak in Annapolis na hun terugkeer uit Bagdad, dat net daarvoor gevallen was, waren gefrustreerd over hun onverdiende geluk, dat zij nu in de schilderachtige zeilboten-setting van de zeevaartacademie verkeerden, ver weg van hun broeders en zusters die nog midden in de oorlog zaten. Soldaten die ik sprak in de Walter Reed legerkliniek, zelf zwaargewond, voelden zich schuldig dat ze er niet nog erger aan toe waren, met zichtbaar letsel, missende ledematen of een verminkt gezicht. Hun geluk was een verraad aan degenen die het hadden moeten ontberen. Wat zij voelden, was een diepe empathische nood van het soort waar de Britse psychoanalytica Melanie Klein over schrijft. In haar optiek is schuld niet, zoals Freud dacht, geworteld in angst of je iets verkeerd doet en de vrees hiervoor bestraft te worden - dat er een belangrijk lichaamsdeel zal worden afgehakt (castratie-angst!). Maar schuldgevoel wortelt in een ander overblijfsel uit je vroege jeugd - in de ervaring van het schade toebrengen aan of het verraden van datgene waar we van houden en afhankelijk van zijn. We beschadigen waar we van houden. Of zoals Klein het formuleert: we bijten in de borst die ons voedt. Veel soldaten hebben het gevoel dat ze niet goed voor hun maatjes hebben gezorgd, dat ze de solidariteit hebben verbroken, of, erger nog, dat ze hun eed van trouw niet zijn nagekomen.

Recent sprak ik met Tom Fiebrant, die tussen juli 2001 en december 2005 in Irak diende. Als 21-jarige was hij een jonge sergeant en teamleider van een groepje informatie-analisten die verbonden waren aan een cavalerie eskadron van ruim vierhonderd man. Ze waren gelegerd in Tal Afar, een woestijnstad niet ver van Mosoel, in de buurt van de Syrische grens. Zoals traditioneel het geval is met cavalerie-eenheden, diende zijn groep als de 'ogen en oren' van het bataljon, dat voor het overzicht van het slagveld belangrijke inlichtingen verzamelde en sorteerde.

Ongeveer drie maanden voor zijn periode erop zat, moest hij verplicht een paar dagen ontspannen in Katar. Daarna zou hij naar Amerika gaan voor een langer verlof van twee weken.

Tom had eigenlijk geen zin om zijn eenheid te verlaten, zo kort voor het einde van hun missie, maar bevel was bevel, het verlof werd verplicht opgelegd. En hij was de laatste tijd nogal gespannen, dus een onderbreking was wellicht toch een goed idee.

Maar al terwijl hij op weg was naar Katar hoorde Tom dat zijn eenheid een operatie moest uitvoeren in het zuidwestelijke deel van de stad. Tijdens een voorbereidende tocht werd de auto van de luitenant door een bermbom geraakt, hij en twee anderen werden gedood. Een paar dagen nadat Tom in Katar was aangekomen vernam hij van het incident. Het was een klap in zijn gezicht. "In zekere zin voelde ik me bijna verantwoordelijk voor het feit dat ik er niet was om ze van de informatie te voorzien die misschien wel tot een andere uitkomst had geleid. Het is hard. Het is moeilijk voor mij om te verwerken.... Dus ik zat daar bij een zwembad en hoor dit bericht. Het was - ik weet niet eens hoe ik het moet beschrijven - het was vernietigend."

Dat hij zich verantwoordelijk voelt lijkt geweldig, en Tom zou hier zeker mee instemmen. Maar hieruit blijkt wel een te sterk geïdealiseerde opvatting over zijn rol en zijn plichten, een overspannen verwachting ook over hoe hij zou moeten functioneren. Toch begon de onredelijkheid van de eisen die hij aan zichzelf stelde hem pas in de loop van de tijd te dagen, toen hij zich de absurde implicaties ervan realiseerde - dat hij van zichzelf bijna een soort alwetendheid en alomtegenwoordigheid verwachtte, een permanente waakzaamheid waarmee hij voortdurend een accuraat, automatisch ververst plaatje te voorschijn wist te toveren, zonder gaten en onderbrekingen, van de kwetsbare locaties op het slagveld.

Hij gniffelt als hij bedenkt hoe absurd het is en hoe lang het heeft geduurd voor hij het zich realiseerde.

Maar het is een gespannen lach. Tom weet nog precies hoe aantrekkelijk die verwachtingen waren en hoe het was om in hun greep te verkeren. Hij koestert niet langer de opvattingen die aan het gevoel ten grondslag liggen, maar als hij zegt: "Ik voelde me bijna verantwoordelijk voor het feit dat ik er niet was", dan kan hij zich nog wel voorstellen hoe het was om dat te denken.

Het is belangrijk te beseffen hoe gewóón deze zaak is. Door hard over zichzelf te oordelen dacht Tom er niet aan dat als hij nou maar wat heroïscher of opofferingsgezinder was geweest, alles anders zou zijn gelopen. Nee, hij denkt eerder simpelweg in de trant van wat een goede soldaat zou moeten doen.

III Schuld door onbedoelde schade
De meest verontrustende vorm van schuldgevoel waarover ik hoorde had te maken met de onbedoelde maar toch te voorziene dood van onschuldige burgers - schuld door collateral damage: onbedoelde, bijkomende schade.

Kolonel Bob Durkin had de leiding over een bataljon ten zuiden van Bagdad tijdens Operation Iraqi Freedom II. Hij vertelde me hoe diep geschokt zijn mariniers waren wanneer Iraakse kinderen gewond raakten of gedood werden als er auto's zonder te stoppen door de checkpoints reden. Als de doden of gewonden volwassen mannen waren van wie ze dachten dat het zelfmoordterroristen hadden kunnen zijn, of vrouwen die misschien explosieven onder hun burka's verstopt hadden, dan waren de mariniers meestal geneigd het 'weg te wuiven en het voor zichzelf te rechtvaardigen, terecht of onterecht'. Ze redeneerden tegen de feiten in: "Ook al kon ik niets vinden, het had dit of dat kunnen zijn." Maar als er kinderen bij betrokken waren was er een 'dramatisch psychologisch verschil', zei de kolonel. "Heel vaak wachtten ze eindeloos voordat ze begonnen met schieten, waarbij ze zichzelf in gevaar brachten als die auto's vlak voor hun neus slippend tot stilstand kwamen. En ik schreeuwde naar ze, want als er een bom in zo'n auto zat waren ze dood geweest. Maar wanneer er een kind bij betrokken was, waren ze emotioneel totaal van slag."

Ze werden kwetsbaar, konden wat ze gedaan hadden niet van zich afschudden.

We zouden kunnen zeggen dat deze mariniers een rationeel gepaste vorm van schuld voelen, omdat ze collateral damage, onbedoeld letsel hebben veroorzaakt dat niet te rechtvaardigen valt. Misschien, hoewel op dat moment bij veel checkpoints soldaten behoorlijke risico's namen. En misschien namen ze wel te grote risico's doordat ze auto's langs waarschuwingsborden, rollen prikkeldraad en cementblokken lieten manoeuvreren voordat ze geïnspecteerd werden. Ze waren niet beschermd tegen het afgaan van verborgen bommen. In dit geval namen de militairen meer risico dan volgens de regels was toegestaan.

Zonder twijfel is het makkelijker voor militairen om de risico's die burgers lopen op zich te nemen als die burgers kinderen zijn. De mariniers worden kwetsbaar omdat de kinderen kwetsbaar zijn. Ze belanden vrij makkelijk in een soort regressie en worden zelf die kinderen, want tenslotte zijn veel van deze soldaten zelf ook nog maar 'jongenssoldaten', niet veel ouder dan de kinderen die ze gedood of verwond hebben.

Maar er zijn ook morele en niet alleen psychologische redenen om dat risico op zich te nemen. Geconfronteerd met kinderen bij die checkpoints zien de mariniers zichzelf waarschijnlijk terecht meer als politiemensen dan als militairen die in een oorlog verkeren. Ze moeten de good cop zijn, die terughoudend omgaat met dodelijk geweld, die ervoor zorgt dat onschuldige levens geen gevaar lopen, die bescherming biedt in een gewelddadige omgeving. Om hier dus te falen in de ogen van een kind dat snakt naar morele orde en naar ontsnapping uit de chaos van de oorlog is in moreel opzicht vernietigend. Die kinderen maken de morele noodzaak van terughoudendheid psychologisch voelbaar. Anderzijds is het ook precies de reden dat wie uit terughoudendheid faalt, ernstig uit het lood raakt.

IV Heel blijven
Het begrip schuld of schuldgevoel in verband met oorlog werkt soms verlossend; het is een manier om weer in contact te komen met je menselijkheid, proberen heel te blijven, terwijl oorlog vooral een extreme oefening is in verdoving. Het is niet alleen maar een abnormaal gevoel waar je overheen moet zien te komen.

Michel de Montaigne (1533-1592) waarschuwt voor de hoge prijs die het heel blijven vereist. Zelf adviseert hij vaak morele isolatie, het in compartimenten opdelen van de verschillende rollen die een mens vervult. Hoewel hij zelf burgemeester was schept hij op: "De burgemeester en Montaigne zijn altijd gescheiden geweest." Hij kent verscheidene personen die zichzelf via 'transsubstantiatie en metamorfose' tot net zoveel verschillende nieuwe wezens maakten als de functies die ze bekleden. Ze zijn 'kerkvorst tot in hun ingewanden' en zelfs op het toilet nog in functie. En het lukt hem niet ze het verschil bij te brengen tussen de hoed die voor hen als persoon of voor hun functie wordt afgenomen.

Deze boodschap raakt een gevoelige snaar bij degenen die een uniform dragen. Meer dan anderen leven soldaten in een wereld van openbaar ritueel en gedrag. De legerbasis is een oord van glimmend gepoetste schoenen, fris gesteven uniformen, stoïcijns gedrag en blik, strak salueren, parades, 'ja mevrouw' en 'ja meneer'. Zelfs als ze dood zijn, zijn de officiële foto's met stalen tronies de publieke gezichten van de gevallenen.

Maar het soldaat-zijn, en in het bijzonder het soldaat-zijn in oorlogstijd gaat altijd over meer dan slechts een uniform of uiterlijk voorkomen. Het gaat over de diepe innerlijke veranderingen die gepaard gaan met het aantrekken van het uniform en ingezet worden.

Maar toch, wat mij het meest raakte bij het luisteren naar de soldaten, vooral als ze nog maar net terug waren, was hoe wanhopig zij zich weer wilden voelen als de burger die ze ooit waren geweest. Of op zijn minst verlangden ze naar een vloeiender overgang tussen het leven van de soldaat en dat van de burger - als ouder, als kind, als collega: om al die verschillende rollen volstrekt gescheiden te houden werkt verlammend. "Ons is geleerd om het allemaal maar te slikken en door te karren", zei een voormalige majoor tegen mij. "Ik ben het zat om zo stoïcijns te moeten zijn."

In dit opzicht zijn zelfs de afschuwelijke schuld en schaamte die soldaten voelen door datgene te doen wat de oorlog van ze vraagt een manier om weer tot zichzelf te komen. Het is therapeutisch en erg pijnlijk, maar ook een manier om niet ongevoelig te raken voor de verwoestingen die oorlog veroorzaakt en het eigen aandeel hierin.

Een jonge soldaat die krijgsgevangenen verhoorde, schetste een treffende vergelijking van hoe het voelde om die functie te hebben. Hij is katholiek. Het betreden van de verhoorcel was voor hem alsof hij een mis bezocht waar Gregoriaanse gezangen in het Latijn werden gezongen. Het vindt plaats, zei hij, 'in een ander universum'. "Oorlog speelt zich ook in een andere tijd en ruimte af." In wezen beschreef hij dissociatie, afstomping. Maar voor deze jongeman was dissociatie geen oplossing. "Ik weet dat ik het was die die dingen deed. En dat is wat je ziel uit verscheurt."

Als hij die schuld voor zijn daden en omissies in oorlogstijd niet voelde, zou hij zijn menselijkheid niet alleen als burger, maar ook als soldaat zijn kwijtgeraakt.

Nancy Sherman is hoogleraar filosofie aan de Georgetown University in Washington en doet sinds de jaren negentig onderzoek naar ethiek en moraal in moderne oorlogsvoering (zie haar boek 'The Untold War', W. W. Norton & Company, ISBN 0393064816). Dit is een verkorte versie van de lezing die ze deze week gaf in Den Haag tijdens een conferentie van de TU Delft over de moraal van emoties.

Jongens in Uruzgan
Claire Felicie onderzoekt in haar fotoproject 'Here are the young men' de veranderingen in de gelaatsuitdrukkingen van de jonge mannen van de 13e infanteriecompagnie van het Korps Mariniers.

In juni 2010 bezoekt ze de jongens op hun post in Uruzgan. Vijf jongens zijn op dat moment al gewond geraakt. In april, nog voor hun aankomst, zijn twee mariniers gedood door een bermbom.

Wat valt er te zien aan de gezichten van de jongens voor, tijdens, en na hun verblijf op de Combat Outpost Tabar? Hoe ondergaan zij hun uitzending naar een oorlogsgebied?

Een selectie van dit werk is opgenomen in het boek 'Warzone' (Aurora Borealis ISBN: 978-90-76703-44-2, 2010). Zie www.clairefelicie.com.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden