Het slachtoffer dient maar te vergeven

Slachtoffers moeten lijden als Jezus: vrijwillig, vergevingsgezind en vrij van wraak. Mondigheid leidt al snel tot argwaan. Door slachtoffers de schuld te geven van hun lot, stellen we onszelf gerust, meent victimoloog Jan van Dijk.

Toen op 3 mei 2007 de driejarige Madeleine McCann tijdens een vakantie in Portugal verdwenen was, benaderden haar ouders direct de media met persconferenties en interviews. Zij vroegen alle aandacht voor het drama dat hen was overkomen. Maar het duurde niet lang of de ouders stonden zelf in de beklaagdenbank. De Portugese politie beschouwde hen als verdachten en in de kranten verschenen speculaties over Maddie’s DNA in de kofferbak van hun auto. Nooit werd er enig bewijs tegen hen gevonden. De Portugese politie heeft inmiddels excuses aangeboden.

De ouders McCann zijn niet de enigen die deze wonderbaarlijke verandering van slachtoffer in verdachte ondergingen. De Oostenrijkse Natascha Kampusch, die acht jaar in een kelder was opgesloten, zou daar niet onvrijwillig hebben gezeten, beweerden talloze kranten enkele weken na haar bevrijding. En dan waren daar de geruchten over incest. Haar moeder zou haar aan haar ontvoerder hebben overgeleverd.

Dergelijke beschuldigingen komen heel vaak voor bij slachtoffers van misdrijven die zich niet zwak en zielig voordoen, zegt victimoloog Jan van Dijk. „De ouders McCann zochten zelf de pers, omdat ze, terecht, geen vertrouwen in de Portugese politie hadden. Dat was onmiddellijk verdacht. Natascha had ook veel te veel praatjes voor een slachtoffer. Hoe kon een meisje dat jaren in een kelder opgesloten had gezeten op televisie zulke goede interviews geven? Daar moest iets aan de hand zijn. Slachtoffers in de beklaagdenbank, dat gaat erin als koek.”

Van Dijk (61) houdt zich al zijn hele werkzame leven bezig met de positie van slachtoffers in het strafrecht en in de samenleving. Lange tijd was hij een van de weinigen in Nederland. Terwijl er voor daders van oudsher van alles werd gedaan om hen na gevangenschap in de maatschappij terug te brengen, werden slachtoffers vergeten. Ze kregen geen hulp of schadevergoeding, waren geen partij in een rechtszaak, kregen geen informatie over tijdstip van vrijlating van de dader, mochten geen uitspraak doen over de strafmaat. Tot Van Dijk in 1984 Slachtofferhulp Nederland opzette, gebeurde er niets voor deze groep gedupeerden. De situatie is verbeterd, maar nog steeds ontberen slachtoffers volgens hem elementaire steun en rechten.

Van Dijk vraagt zich al lang af waarom vrijwel niemand zich om slachtoffers bekommert. „Ik denk dat er een onbewuste neiging is om mensen te mijden die door het lot getroffen zijn, of het nu om een ernstige ziekte of een misdrijf gaat. Door slachtoffers de schuld te geven van hun lot, kun je jezelf geruststellen. Het slachtoffer heeft onverstandig geleefd, dat overkomt mij niet, is onze reactie.”

Onlangs schreef Van Dijk het boek ’Slachtoffers als zondebokken’, waarin hij zijn theorieën over de rol van het slachtoffer in de maatschappij verder uitwerkt. Want volgens hem is er meer aan de hand met het begrip slachtoffer. „Het is toch vreemd dat we iemand wiens fiets gestolen wordt slachtoffer noemen. Niemand beseft dat een slachtoffer etymologisch een dood dier op een slachtblok is. Het vreemde is dat alle westerse talen hetzelfde gruwelijke begrip hanteren voor een gedupeerde. In het Engels en Frans stamt het woord af van het Latijnse victima, een dier op een offerblok. Maar ook in het Duits, Servisch en Russisch spreekt men van slachtoffer, in het IJslands zelfs van offerlam. Het offerlam van een fietsendiefstal, dat klinkt toch merkwaardig.

„Ik ben gaan onderzoeken wanneer de term voor het eerst voor een mens werd gebruikt en kwam uit bij Johannes Calvijn. In het geloofsboek ’Institutie’ uit 1536 gebruikt hij het woord victima, offerlam, voor Jezus Christus. In de Nederlandse vertaling werd dat slachtoffer. In de Reformatie werd het denken over Jezus als offer voor de mensheid sterk aangezet. En dan zie je eind zeventiende eeuw, als Jezus steeds menselijker is geworden, de term opduiken voor andere gedupeerden van rampen en misdrijven. ”

De gevolgen van de verbinding van Christus aan gedupeerden is dat van hen onbewust eenzelfde bovenmenselijke houding gevraagd wordt, meent Van Dijk. „Het bijzondere van Christus is dat Hij vrijwillig lijdt. Daarnaast is Hij vergevingsgezind en geheel vrij van wraakzucht. Dat is in onze cultuur de rolverwachting voor slachtoffers.”

Wraak lijkt een aangeboren menselijk instinct. Maar het is in de loop van eeuwen in het Westen een taboe geworden, omdat wraak een ontwrichtende werking op de samenleving heeft. Het zorgt voor ketens van bloed, zoals bijvoorbeeld te zien is in de Griekse tragedie Oresteia – waarin vader Agamemnon dochter Iphigeneia vermoordt en vervolgens door zijn vrouw Klytaemnestra wordt vermoord, die weer wordt vermoord door hun zoon Orestes. De schrijver Aischylos laat de wraak eindigen bij een oordeel van de rechtbank. In de bijbel eindigt de traditie van wraak bij het laatste mensenoffer. De geofferde Christus vergeeft zijn beulen en beëindigt zo definitief de cyclus van geweld.

Deze houding vragen wij nu van de gedupeerden van misdrijven, stelt Van Dijk. Het achteloze gebruik van de term slachtoffer werkt dat in de hand.

Het wraakmotief zien we nog terug in bepaalde B-films, maar in de nette cultuur komen we het nauwelijks tegen. Bij moslims bestaat het wel – de eerwraak is regelmatig in de belangstelling – maar het gaat Van Dijk te ver om te zeggen dat de islam de godsdienst van de wraak is. „Voor de islam is vergeven geen gebod, maar wel prijzenswaardig. Bovendien, ieder mens heeft naast wraakzucht ook de wil om zich met de tegenstander te verzoenen.”

Sterker nog, slachtoffers zijn vaak opmerkelijk mild tegenover hun daders. De gedachte dat een slachtoffer de dader zwaar gestraft wil zien, klopt niet. Van Dijk: „Ik ben elke keer verrast om te merken hoe reëel slachtoffers praten over hun dader. Het lijkt wel of ze door hun eigen leed gevoeliger zijn voor het leed van de dader. Sommigen lopen rond met wraakplannen. Ze willen dan bijvoorbeeld een pistool kopen om de dader te doden. Maar bijna nooit wordt dat pistool echt gekocht.”

Het is dan ook onnodig paternalistisch om te willen dat slachtoffers zich willoos door de overheid laten vertegenwoordigen in de rechtszaal, vindt Van Dijk. Angst voor wraak is overdreven, want wraakzucht blijkt tegenwoordig, net als seksualiteit, een instinct dat over het algemeen heel goed hanteerbaar is en dus niet hoeft te worden onderdrukt.

In de jaren negentig is de positie van het slachtoffer binnen het strafrecht al flink verbeterd. Zo kunnen slachtoffers nu gemakkelijker schade verhalen op de dader en mogen ze in de rechtzaal hun kant van de zaak laten horen. Maar nu zit de slachtofferbeweging aan haar plafond. Van Dijk merkt dat hoogleraren, rechters en officieren van justitie nog altijd grote moeite hebben met de nieuwe rechten van slachtoffers. „Daar heb je hem weer, zie ik ze denken als ik over de rechten van slachtoffers begin. Het strafrecht is een zaak tussen de staat en de dader, zo kijkt men er tegenaan. Ook zijn rechters en officieren van justitie bang voor toestanden tijdens de zittingen als de slachtoffers aan het woord mogen komen.”

Slachtoffers mogen nu wel tijdens de rechtszaak praten over het leed dat hun is aangedaan, maar niet zeggen dat ze daarom vinden dat de dader in de gevangenis moet. Dat wordt afgehamerd. In België mogen slachtoffers zeggen welke voorwaarden ze opgelegd willen zien, bijvoorbeeld dat de buurman die het dochtertje seksueel misbruikt heeft, niet meer in dezelfde straat mag wonen. Ze horen ook wanneer hij weer vrij komt. In Nederland zie je hem plotseling weer voor je neus staan. Het slachtoffer moet maar vergeven. Ik vind maatschappelijke terugkeer van de dader ook van grote waarde, maar het mag niet ten koste gaan van het slachtoffer.”

Toch is Van Dijk niet pessimistisch. Met kleine stapjes gaat de positie van het slachtoffer vooruit. In sommige landen ziet hij de term slachtoffer zelfs al verdwijnen. In de Verenigde Staten spreekt men consequent van survivors of rape (verkrachtingsoverlevers), in IJsland is de term offerlam vervangen. In Nederland pleit hij voor de term gedupeerde.

Wat maakt dat uit? Van Dijk: „Ik geloof dat symbolen erg belangrijk zijn vanwege het waardensysteem dat erachter zit. ”



Slachtoffers als zondebokken, J.J.M. van Dijk, uitgeverij Maklu-uitgevers, isbn 978 90 466 0146 4, E 22,95.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden